Acacia’s

 Achter Lucca reed ik de bergen in. Waar het wel leek of het zwaar gesneeuwd had. De wegen lagen overdekt met opwaaiende kleine, witte bloemetjes, gevallen van de bomenrijen langs de weg. Acacia’s zo te zien aan de bladvorm. De tranen der acacia's, het boek van W.F.Hermans dat zich in de oorlogsjaren afspeelt in Amsterdam en Brussel drong zich op. Waren de bloemblaadjes tranen? In het boek heet de acacia 'het oud symbool der onsterfelijkheid'. Hij blijft immers altijd groen. Mensen sterven, bomen blijven. Zoiets? Zijn de witte blaadjes tranen? Boven op de berg vond ik het meertje waar je kon vissen. Een toeziener in en wachthokje legde de vangst van elke visser op zijn weegschaal, woog af en liet ze betalen.

 In mijn Amsterdamse straat zijn al jaren terug boompjes geplant die doen denken aan acacia's. Door het vele snoeien hebben ze allemaal dezelfde vorm gekregen. Die van een soort plumeaus. Ik noem ze maar 'plumeauboompjes', want als ik de acacia opzoek kom ik verwarrend veel varianten tegen.

 En nooit, in al die jaren hebben ze gebloeid. Geen tranen! 

 En in de winter worden ze kaal.

Tags: 

Gevoel

 Sinds de mensen gevoel hebben, of beter, sinds het sociaal gewenst is zoiets uit te dragen - nog maar een jaar of tien, twintig geleden - is de interviewvraag 'hoe voelde dat nou' ingeburgerd g­eraakt. Je hoort hem van ver aankomen. Niemand zegt naar waarheid: 'Klo­te, ik had niks te roken.'

 'Gevoelsarm' is ook heel erg. En nu meende onze koning te weten wat Nederlanders - lang voor zijn gebo­orte - tijdens de oorlog voelden. En gaf meteen het sociaal gewenste antwoord van nu: 'Mede­mensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden. Ook vanuit Londen, ook door mijn overgrootmoeder.'

Zou er een gevoelsonderzoek geweest zijn onder wie de oorlog meemaakte en nog leeft? Ik bezit brieven van mijn eigen grootmoeder, maar die gaan over voedseltekort en uitgehaalde wol om iets te breien voor de kleine. Niet over gevoel. Klagen? Wat schoot je er mee op.

Ik vond het spannend als er in Zutphen vliegtuigen overkwamen en strekte mijn armpjes al om uit de box meegevoerd te worden naar de kelder.

'In de steek gelaten' etc. Het is denken vanuit het nu, wat ons koninkje doet. Het ging om eten en kleren. Lees Hanny Michaelis tijdens haar onderduik. Afwachten en hopen, dat was het.

De familie Snoek

 Mijn eerste stappen in de onbekende stap brachten me van het monumentale station naast de dierentuin naar Hotel Cecil. Eerst toch even de dierentuin binnengelopen. Daar had een grote gorilla op ons zitten wachten, die achter mijn rug en die van vriend, de kunstschilder en klavecimbel restaurateur Jan al een aanloopje had genomen om zich met alle lichaamsgeweld tegen het glas aan te werpen.

 We schrokken, de aap lachte.

 Daarna staken we over naar het hotel in de Arteveldestraat, tegenover het kantoor van de Algemene Centrale, waar een kamer vrij was. Aan de achterkant, waar de 19de eeuw nog voluit bloeide en brokkelde in binnenplaatsen van verval. Er waren nooit meer betreden kantoren uit de vorige eeuw van bonden en verenigingen.

We aten mosselen met friet op het nabije pleintje en gingen de volgende dag op jacht naar zeldzame strips. En o wonder, in de eerste tweedehands stripzaak, naast de spullenhulp vonden we ons onbekend werk van Willy Vandersteen: deeltjes uit de reeks eenpaginastrips 'De familie Snoek.' In onvernederlandst puur Antwerps (1945-1972).

Wie het niet weet (en wie weet het?), pa Snoek is een korte, driftige, besnorde man met een kaal hoofd, wat aanleiding geeft tot vele grapjes. Zoals dit: Pa Snoek is jarig en zijn verjaarsgeschenk van de familie is (!) een zeemleren kam. Om zijn kale schedel glanzend mee op te wrijven.

Is dit geestig? Jan en ik vonden van wel.

Vliegenpoepjes

 Doe het zelven vult de gaten in 's mensen bestaan niet langer. Alles is af. Wat nu? Ik merk het ordenen van boekenkasten. Wat je nooit moet doen.

 Rudy Kousbroek had ontdekt dat er maar een logisch ordeningsprincipe mogelijk was: de laatste keer dat boeken gehanteerd waren. Rudy schreef artikelen waarvoor hij boeken en tijdschriftartikelen uit zijn verzameling griste, die dan rondom zijn schrijfbureau in ordeloos ogende stapels - opengeslagen en wel - terecht kwamen.

 In het gesprek dat we daarover hadden voor de radio prees hij deze manier van boeken opbergen aan als de enige juiste. Volgens hem vond je een boek of tijdschrift het makkelijkst terug op de plaats waar het het laatst gebruikt was. En zo ontstonden bij zijn gedrukte artikelen stapels naslagwerken en knipsels. Opengeslagen op de gebruikte plek.

 Maar de eerstvolgende keer dat ik langskwam op de Lange Mare deelde hij me mee dat hij zelf een geheel nieuwe boekenkast had getimmerd.

 Andere ordeningsuitersten doen zich dezer dagen ook voor. Op alfabet natuurlijk, zelfs op kleur kun je ordenen.

 Eens was ik op visite bij een man die zijn boeken niet alleen in het perfecte gelid had staan, maar een lapje met schoonmaakspul bij de hand hield, waarmee hij - telkens uit zijn stoel opverend - vliegenpoepjes van de ruggen van zijn boeken bleef poetsen.

Eten

 Hoe dicht schrijven en eten bij elkaar kunnen staan lees je in Het diner (1920) van Robert Walser (1878-1956). Die naar ik vermoed een hekel aan sjiek eten had.

 'Dit diner was verrukkelijk. Mosterd was er genoeg. En het geheel werd door de fijnste wijnen begeleid. De soep was eerlijk gezegd wat dik, en de vis droeg niets aan vermaak bij; maar dat nam niemand hem kwalijk. Vorken en lepels klepperden levendig. Over de borden werden sausen uitgegoten die ons in vervoering brachten, mij in het bijzonder, die van trek gewoon­weg straalde en bijna bezweek.

Een precies hartig, pittig gebraad zorgde ervoor dat de tanden streng aan het werk werden gezet. Ik liet het me smaken. Onder andere werd me een eend geserveerd. De vrouw des huizes lachte ononderbroken in haar vuistje en de bedienden probeerden ons daardoor te bemoedigen dat ze ons op de schouders klopten.

Kostelijk was ook de kaas. Toen we opstonden, vloog iedereen een sigaar in de mond en een kopje koffie in de hand. Het eetgerei verdween telkens als het leeg was. We waadden tot onze nek in geestrijk onderhoud. De likeur liet ons in een mooiere tijd zwemmen, en toen zich een zangeres liet horen was iedereen eenvoudig weg.

Nadat we ons verkwikt hadden ontroerde ons een lyricus met gedichten. Heel de tijd vloeide nog het bier de een na de ander liet het zich goed bekomen.

Onder de gasten bevond zich een bevrorene. Alle moeite om hem tot leven te brengen bleven zonder resultaat (...).'

 En wie was die 'bevrorene' anders was dan Robert Walser?

Tags: 

Uit het raam

 Staren doe ik nu meer dan ooit. Het laten gaan van de blik zonder plan of doel. Waar ie maar heen wil. 

 Dat kan net zo goedn dame zijn die het kabelslot van haar fiets op een heel eigen manier bevestigt als een vogel die op zoek is, maar naar wat? Je kijkt, maar eigenlijk niet. Naar een inparkerende automobilist kijk ik ook graag.

Verzinken, wegdromen. De blik op oneindig. Ik werd er vaak om berispt. Mijn mond ging openhangen. 

 Mijn vader merkte op dat ik er uitzag als een imbeciel. Soms vlak voor mijn gezicht hard in z'n handen klapte. Het valt sommige mensen soms zwaar een ander zo n eigen gedachtewereld te gunnen waar ze geen toegang toe hebben. Belangrijk lijkt me ook het zich onbespied wanen. De wereld even vergeten zijn.

 De 'afwezige' blik zie je op zeldzame schilderijen. Een vrouw in een kamer. Kijkt ze? Maar waarnaar? Haar gedachten zijn bij iets anders. Dit is van Rex Whistler (1905-1944).

 Kun je kijken en denken tegelijk? Bestaat een onbewust 'kijkdenken'? Zeker en vast.

Het doven van Heine

 Daar gaat hij, denk je, bij de laatste gedichten van Heinrich Heine (1797-1856), vertaald door Verstegen en Fondse (1988). Maar hij neemt er de tijd voor. Is niet zomaar weg. O nee! Rond`1850 waart de dood rond in zijn gedichten. De voorstel­ling is ten einde. En daar staat 'Dovend'.

 'Het spel is uit, het doek gaat neer

Huiswaarts gaan dames met hun heer

Of hun het stuk ook kon bekoren?

Ik meende wel applaus te horen.

't Geeerd publiek heeft met gedruis,

zijn dichter alle dank geschonken.

Doch stil en stom ligt nu het huis,

Het licht gedoofd, 't rumoer verklonken.

 

Maar hoor! uit de orkestbak daar,

Snerpt een sinistr're klank, heel even,

Alsof een rafelige snaar

Van een viool het heeft begeven.

In de parterre schuurt een naar

Geritsel van een rattenpaar.

Verschaalde lampolie geurt schriel.

Wanhopig in zijn doodsstrijd sist er

Een laatste pit met dof geknister.

Dat dovend lichtje was mijn ziel.'

Tags: 

Iselle

 Nog maar kortgeleden was ik als vreemdeling verdacht. Hippies hadden Drogen bij zich en ik werd als regel aan grenzen meenomen naar een douanehok. Vaak had je daar lange schragentafels waar je al je bagage en lijfgoed moest uitstallen. Net als de migranten nu.

 In ons geval vrij veel omdat mijn vriendin eenvoudige manier van inpakken had. Je nam vrijwel het hele huisraad in tassen mee mee. In zo stond ik menigmaal op het perron van Iselle tussen de toilettassen en wegwaaiend toiletgerei. Het duurde lang, maar je raakte eraan gewend. Behalve als er voetb­allen was, dan stonden de douanes bij het scherm in hun hok en werd je doorgewuifd.

Maar de Fransen waren erger. Ik werd hun hok ingeduwd en moest me daar spiernaakt uitkleden. Mijn vriendin wachtte buiten bij onze pakken en zakken. Goddank vond de douanier in mijn paspoort de aanduiding 'journaliste'. Waarop hij zijn collega's wenkte ons door te laten. Die begrepen hem niet meteen.

'E maintenant la fille?' Vroeg er nog eentje gretig. 'Neeenee laat maar gaan.' 

Oponthoud als regel minstens een uur. En daarna je verspreid rondliggende bagage zelf weer inpakken.

Niet zo'n gek idee die Europese Unie en Schengen.

Alexander

Hoe een gedeelde school mensen bindt. Gangen en tassen, rijen kapstokhaakjes, een gipsen Venus van Milo. En een band voor altijd. Op een meidag in 1956 meldde ik me bij het Gymnasium Haganum om toelatingsexamen te doen.

 Er was een eigenaardige lotgenoot, in een korte, Duitse leren broek met hertshoorn. Hij had als enige geen pen bij zich. 'Heeft iemand een pen voor me?'

 Mijn moeder had me zelfs een reserve vulpen meegegeven 'voor het geval dat'. Die leende het jongetje, dat Alexander heet­te. Nooit teruggezien. Al spoedig was hij voorzitter van de Bond van Haagse Gymnasiasten en een van de kanonnen van de schaakclub Chaturanga. NU kan ik hem niet meer tegenkomen in gezelschap van onze gedeelde vriend Pieter Waterdrinker. Ook Hans Verhagen, die korte tijd op het Haganum zat en kon vertellen over leraren als Borleffs en Boneschanser is weg. Niet dat je er veel leerde. Nederlands bestond uit Arthur van Schendel en Aart van der Leeuw, wat Werumeus Buning en de laatste dag voor de vakantie Bomans' Pa Pinkelman. Tot de nieuwe leraar Engels Jop Spiekerman Winnie the Pooh binnenbracht, een donderslag. 'A jar to put things in' maakte al het andere onderwijs overbodig.

Meer licht

 Nu het later donker wordt komt de tijd boven dat ik er naar uitzag. Waarom? Donker was om je achter verschuilen. Ieder gebouw heeft twee gezichten, en daggezicht en een nachtgezicht. De avond valt, steen, glas en metalen verdwijnen in het duister.

 Binnen een uurtje blijft alleen de architectuur van het licht over. Licht als bouwmateriaal. Als we het aan onze ogen overlaten, is heel de wereld opgetrokken uit licht.

 Sinds ruime overspanningen het mogelijk maken door gebouwen heen te kijken bouwt men met licht. Voeg er glas en elektriciteit aan toe en je ziet de Van Nelle Fabriek. Begon het niet met étalages waar de lampen 's avond aan konden blijven? Het entree van de lichtreclames? In mijn jeugd markeerde een streep van licht de pui van bakkerij Vervat: Laan van Meerdervoort, hoek Zon­nebloemstraa­t in Den Haag. De lichtstreep liep door tot boven de schuur, waardoor Vervat bij avond een immens gebouw leek.

 Rond 1900 was kunstlicht zo goedkoop geworden dat je er hele steden van kon bouwen. Parijs werd de lichtstad en de Eiffeltoren hing 's nachts in de lucht. Maar angst voor geesten en doden verdwijnt nooit echt. Het elektrisch licht heeft de duivel wel een compleet ander aangezicht gegeven. Hij is uit zijn krochten omhoog geklommen en doet aan tapdance. Maar de volgende ochtend is Las Vegas weer verdwenen. Op een paar hotelkamers na, waar vampiers in hun kisten de nacht - en het licht - liggen af te wachten. 

Pagina's