Pasquetta

 Vandaag is het in Italie Pasquetta, verkleinwoord van Pasen. Ik was eens in Turijn, bij stralende zon en een ijskoude wind die de Alpen af woei die je rondom in de verte zag liggen, roze gekleurd.

 Het uitgestrekte keien-marktplein aan de rand van de oude stad lag leeg. Op de achtergrond de Basilica di Superga, waar de vorsten begraven liggen. Een Chirico-achtig tafereel. Er gebeurde niets. Tot er een oude vrachtwagen aangereden kwam. Als bij afspraak doken uit de omliggende stegen vrouwen op, met boodschappentassen. Ze schaarden zich rond de neergeklapte laadbak, waar een norse man verkocht wat bleken te zijn brokken van de reusachtige paaseieren van chocola in zilverpapier, zoals ze daar met Pasen in elke winkel en stationsrestauratie liggen. Maar nu als afgeprijsde breuk. 

In een mum van tijd was de vrachtwagen leegverkocht en weggereden. En de keienvlakte lag daar, even leeg als tevoren.

Nuto

 Eerste Paasverhaal. Ik was op Sardinië en las voor het eerst Cesare Pavese. 'The moon and the bonfire' , waarin zijn vriend de klarinettist Nuto (Benvenuto) optreedt, de ster tijdens de midzomerse Ferragosto feesten in de Langhe.

 Ik besloot erheen te gaan, nam de eerste boot naar Genua en reed onmiddellijk de bergen in naar Santo Stefano Belbo, Pavese's geboorteplaats Duizelig kwam ik aan en logeerde in het enige hotel, dat tegenwoordige hernoemd is naar zijn roman, de Albergo dell' Angelo. Twee dagen later zat ik in de werkplaats van instrumentenbouwer Nuto in het huis aan de Belbo. En hij vertelde honderduit. Vooral over Paveses ongelukkige liefdesaffaire met de Amerikaanse actrice Constance Dowling.

 'Un attrice!' En geen meisje uit de streek, hoe dom. Tenslotte speelde hij nog een stukje klarinet voor me, beetje vals. en we eindigden met zijn eigen 'vino nero' zodat ik me nog afvraag hoe ik teruggekomen ben.

 Het eindigde met Pavese's zelfmoord in de Albergo Roma tegenover het Turijnse station, op een kamer waar ik nota bene geweest ben. De eigenares, die de schrijver als meisje nog had gekend - hij kwam daar vaker - had de inrichting onveranderd gelaten. Zoals hij was toen Pavese op zo'n hete zomeravond wanhopig probeerde vrienden te bereiken. Maar iedereen was de bergen in, op zoek naar koelte.

ps. Voor de lezers van de vertaling van Max Nord die steeds weer herdrukt wordt door de BIJ: lees overal waar staat ‘Nice’ alsjeblieft ‘Nizza (Monferrato)’. Nizza is ook Italiaans voor Nice, maar dat wist Nord niet.

Hans Verhagen (1939-2020)

 In 2008 kreeg Hans Verhagen de P.C.Hooftprijs. De manier waarop hij hem in ontvangst nam was magistraal. Net als zo vaak in ons radioprogramma Music‑Hall, waarin hij vaak optrad, altijd met verse tekst, nam hij het tempo in handen vanaf het moment waarop hij op het Haagse podium werd genood.

 Daar was hij, met z'n tas. Denk niet dat ie z'n teksten tevoren al nerveus tussen de vingers geklemd hield. Nee, hij moest ze uit de tas halen, waar waren ze, o hier. De volle zaal volgde zijn woorden en bewegingen op de voet. Hij stond, keek nog eens, vond de drie gedichten die hij zou doen. 'Hij is bovenal musicus,' dacht ik, 'hij legt de zaal zijn tempo op.' En daar ging hij. Al bij zijn eerste woorden was al het voora­fgaande verdwenen. Er was alleen nog de stem van Hans Verhagen. 

'Ik kan leven naar gelang mijn jas hangt

(en m'n jas kan hangen tot ik er zelf in hang)

maar hoe kan ik, opgezadeld met de zekerheden

van de dood, ooit vechten voor mijn leven?'

 

 Hoe prijs je een dichter als Hans Verhagen? Geen zee ging hem te hoog. Of was hij al verdronken? De verloren geliefde wandelt door zijn werk. Steeds maar. Dit komt uit 'Duizenden Zonsondergangen', de cyclus 'Hoger' (1996):

:

Mijn wijn is geen water geworden, mijn water geen modder

en mijn modder nog geen straat met stratemakers.

Een stratemaker maakt een straat maar krijgt te weinig (witte) chocola. Alles faalt tot ik het nalaat. Nog eenmaal opflikkerend tot het vuur

tot aan het voeteneinde is genaderd en daar blijft

zitten, mijn hand in de hare.

 

 En daar staat het: 'Alles faalt tot ik het nalaat'. Maar een uitzonderlijke schilder was hij ook (rechts Vic van de Reijt, zijn uitgever).

Tags: 

Blauw

 Het nieuwe Kunstschrift gaat over de kleur blauw. De betovering ervan. In onze taal, in onze liedjes zijn het blauwogige vrouwen die mannen op de knieen brengen. Of andersom, zodat Frank Sinatra als 'old blue eyes' de geschiedenis in ging.

 Het antwoord zou kunnen liggen in het contrast, in het uitzonderlijke, het onverwachte. Zeker in een omgeving waarin bruin overheerst, in ogen. Zodat je toch even schrikt van zo'n blikkerende blik, die een hallucinerende werking krijgt.

 Het zelfde effect dat woestijnzand krijgt tegen een donkerblauwe lucht, zoals bij Rousseau le Douanier.

 Andrea Müller-Schirmer schrijft over de populariteit van wede, waar Erfurt groot mee werd, de Europese variant van indigo. Veelzeggend is dat in die concurrentie indigo de Teufelsfarbe werd genoemd. De magie van kleuren.

 Ook mooi is wat ze zegt over de herkomst van het spijkerbroek-blauw. In 1848 begon de Beierse emigrant Oskar Levi-Strauss met de productie van werkbroeken van een stof uit Nimes (vandaar 'denim'). Die hij verfde met indigo uit India, geimporteerd via Genua. In Frankrijk heette dat 'bleu de Gêne', wat werd verbasterd tot blue jeans.

 Dat blauw goed combineert met geel staat al in Goethes 'Werther', je ziet het bij Vermeer, Van Gogh en tot op de huidige dag in alle straten.

Dottore

 In de geest in Italië verblijven valt me makkelijk na de vele zomers dat ik er rondreed. Houvast zijn de pausen. Johannes XXIII zag ik in de kelder van de Sint Pieter, nog overdekt met bloemen, tien jaar na z'n dood. 

 Roncalli was geliefd. Minder was het met de pool Karol Wojtyla. In Polen vereerd, in Italië verfoeid, waar op de muren stond 'Go home Wojtyla'.

 Toen er een aanslag op hen werd gepleegd zat ik in een café naar het RAI-nieuws te kijken. In Italië rukken dan de professoren aan. Iedereen die meer heeft dan lagere school wordt daar met dottore of professore aangesproken, ik ook.

 Maar niemand keek naar het nieuws over de aangeschoten paus. Zodat ik aan de kaartende mannen rondom vroeg 'Maar zijn jullie dan niet katholiek?'

 Antwoord: 'Siamo tutti cattolici.' Waarna het kaartspel onverstoorbaar werd voortgezet en de professor met een aanwijsstok de getroffen organen toelichtte.

 Toen ik eens in Gargnano op het gemeentehuis vroeg naar de villa van Mussolini reed er een motoragent voor die ik maar hoefde volgen naar een professore die alles wist.

 'Si Dottore'.

 Het mooiste was de hoogbejaarde militair in uniform, met beenkappen, die en pension woonde aan de haven van Ravenna, niet ver van het graf van Galla Placidia en elke dag omringd door egards zijn maaltijd aan een eigen tafel kreeg opgediend 'Si Mareschiallo' (maarschalk).

 Galla Placidia (ong. 400)

Heine in Trento

 In 1824 reed Heinrich Heine Italië binnen, over de Brenner, en kwam in Trento, waar ik kortgeleden ook was. Half Tirols, met veel gekleurd houtsnijwerk in de gevels en half Italiaans. Het is prachtig weer. De Dom is duistermooi. Ik lees de ''Reisebilder''.

 'Toen ik het groenzijden gordijn dat de ingang van de Dom bedekte opzij schoof en het Godshuis betrad, werden mijn lijf en hart aangenaam verfrist door de lieflijke geur die daar rondging, en door het verzachtende magische licht dat door de bontgeschilderde ramen op de biddende bijeenkomst neerviel. Het waren meest vrouwen, in lange rijen, op lage gebedsbankjes. Ze baden alleen met zachte lipbewegingen en woven zich daarbij met grote groene waaiers koelte toe, zodat men niets hoorde dan een onophoudelijk heimelijk fluisteren en niets anders zag dan de beweging van de waaiers en het wuiven van de sluiers.

 De krakende stappen van mijn laarzen stoorden menige mooie verzonkenheid en grote, katholieke ogen keken me aan, half nieuwsgierig, half toegenegen. En zouden me graag van advies willen dienen om me neer te zetten en ook een siësta van de ziel te houden.

 Het plein, de kerk, het is alles wondermooi.

Raccordo anulare

 De terugweg uit Sicilië in de oude R4 nam veel tijd. Het was nog steeds lelijk weer in april en het landschap langs de hoge autostrada met zijn vele viaducten en tunnels bemoedigde niet. Dit stuk autostrada, vanaf Reggio was nog niet lang open, het was heel stil op de weg.

 Ik moest wakker blijven. Waar was een koffietent? Voorlopig nergens. Wel stonden er heel grote blauw-witte borden met een koffiekop erop en een kilometertal, Salerno was de richting maar de reuzenkoffie kwam maar niet dichterbij. Nu nog 60 kilometer. Het begon te onweren in de bergen rondom. Eindelijk kwam een hoog gelegen barak met het koffiesym­bool in zicht.

 Daar stonden kleumende vrachtwagenchauffeurs zich te beklagen. Het werd donker. Na enig overwegen nam ik de afsla naar een kleine stad. En daar, een uithangbord met Albergo. De eigenaar liet ons handenwrijvend binnen. Onmiddellijk pakte hij mijn hand vast en legde die op een oude radiator in de gang. En jawel, warm! En kamers genoeg. Hier logeerden vaak voetbal elftallen uit verre Italiaanse streken bij uitwedstrijden. Eten was er ook. Er kwam spaghetti met aglio e olio. 

 Een dag later verschenen nieuwe raadselborden langs de weg: 'Roma, raccor­do anulare'. Bij elke kilometer aanduiding. Ik moest stoppen om het op te zoeken en vond 'anu­lare, ringvinger'. Pas bij Rome drong tot me door dat 'anula­re' ringweg moest zijn, waar een raccordo een aansluiting op was. Er is een Italië beneden Rome en een daarboven.

Corona Grossa

 Je herkent oude herbergen aan hun poorten, breed genoeg om een rijtuig door te laten naar de binnenplaats en de stallen. Mijn vaste verblijfplaats in Ceva, Piemonte, was er zoéén. Ceva, aan de Tanaro, met een hoger gelegen station en een stationsbar. Heilige plaatsen in Italië.

 Om een Gazzetta te kopen tussen de hoeren die naar Genua zouden reizen en de negers met hun bossen paraplu's, bestemd voor de toeristen die in Genua overvallen zouden worden door een bui, en daarna af te dalen naar de Corona Grossa beneden, naar Arturo.

 De Corona Grossa - dikke kroon - geen ziekte maar een eeuwenoude herberg met een overgroeide binnenplaats en wat kamers rondom. Gedreven door Arturo, die je bij vertrek altijd een fles van zijn eigen wijn meegaf.

 Zijn keuken met het reusachtige houtfornuis was de kern van het bedrijf. Tegen vijven kwamen daar familieleden samen. Altijd met iets voor het eten. Zijn vader met een konijn onder de snelbinder van zijn brommertje, een verre neef met een vis en meer. Sla groeide overal langs de weg. voor hen en voor ons kookte Arturo, vandaag coniglio.

De herberg is verkocht en opgesjiekt, Arturo verdwenen. De binnenstad van Ceva met zijn spoorwegviaduct en arcaden bestaat nog. Nog steeds zullen daar tegen achten de roestige rolluiken omlaag donderen.

Slau

 'Een varend eiland' heet de eerste bloemlezing uit de brieven van Slauerhoff, gemaakt door Hein Aalders. Een heel passende titel. Niet alleen bewoog 'Slau' (1898-1936), zich naast zijn reizen naar het Verre Oosten als Scheep­sarts hij verplaatste zich ook voortdu­rend door Nederland en Europa. Weinig vastigheid, geen huwelijk, geen vaste verblijfplaats.

 Nu is zo'n leven uitzonderlijk. maar als je zijn brieven leest niet ongewoon. Reizend leven deden veel letterkundigen en anderen. Ik vrees dat de luchtvaart daar een eind aan heeft gemaakt. De lange bootreizen leverden - dankzij de verveling - niet alleen veel brieven op, wat aan boord geschreven werd geeft ook een beeld van het leven daar. In een van de brieven aan Arthur Lehning en zijn vrouw Annie pakt Slau - op weg naar een betrekking in Japan - vanuit Port Said uit. De Fransen, Engelsen, Egyptenaren en Italianen gaan van boord. Helaas, 'dan ben ik op de Hollanders aangewezen, waarvan de geschiksten mij natuurlijk nog veraf staan en 't merendeel allerantipathiekst is. Goddank behoef ik niet naar een kleinere Indische plaats, 5 jaar gedwongen met dezelfde categorie om te gaan.'  

 En dan, op 13 september 1925.

 'Morgen hebben wij Sabang en zijn dan daarmee in de Archipel aangeland. Ik vind het een heerlijk idee dat ik er zo spoedig weer uit zal varen. De meesten hier hebben vooruitzichten er 5 a 6 jaar vast te zitten. Affreus.

 De reis gaf voor mij tot nog toe weinig nieuwe sensatie. Alleen een dag flinke storm na 't passeren van Kaap Guardafui. Wij kwamen slechts met zes mensen aan tafel en hadden 't genoegen door een stortzee met stoel en al tegen de verschansing aangesmakt te worden, wat mij op een scheenbeenkneuzing, de scheepsdokter op een verstuikte arm kwam te staan. Het was een schitterend tafreel, mensen en stoelen door elkaar' (...)  'Of ik 't twee jaar zo volhoud is zeer dubieus. Toch zou 't zeer wenselijk zijn, dan kom ik met 6 of 8 mille thuis en kan de uitgeverszaak beginnen. Arthur, bind ik jou in goudleren band, Anneke liefst met mij samen als we zo niet trop a l'etroit zijn. Maar waarlijk, 't is de vraag of ik 't zo lang durchhalt.'

Tags: 

Voordeur

 Het verhaal van Woutertje Pieterse duikt bij vlagen op in de Ideën van Multaltuli. Zo krijg je bij stukjes en beetjes meer te weten over Femke, de door hem vereerde dochter van de wasvrouw. Zou hij haar weer ontmoeten? Hij loopt al vroeg door de Kalverstraat in de richting van het paleis, waar het onverwacht druk is. Hoog bezoek! 

 'Na de Kalverstraat te hebben doorgeslenterd, bereikte hij den Dam. Daar stond een lange reeks van rijtuigen voor en naast het Paleis te wachten. De koetsiers zaten te dutten op den bok, en bleven hierdoor bewaard voor de zonde van 't verwenschen der hooge gasten. die zich blijkbaar hadden voorgenomen 'n hollandse zon te zien opgaan. doch wat laat voor den dag kwamen. Want de zon begon zich reeds te vertoonen en er was prins noch prinses te zien.

(...)

Ok Wouter voelde zich slaperig. Gisteren nog zoud-i zich veel moeite hebben getroost om 'n wezenlijke koning te zien te krijgen - zeker om te weten of zoo'n wezen op MacBeth, Arthur en King Lear gelijkt - maar nu.. och hy gaf er zoo weinig om.'     

Een der vorsten, een dame, is wat vergeten en van haar vier knechten snellen er drie weer het paleis in. Maar de vierde kan de deur niet vinden. Dat verbaast Multatuli niet, 'omdat het achtste wereldwonder (het paleis) eigenlijk geen ingang heeft, 'n bijzonderheid die zeer gevoeglijk voor negende wonder kan doorgaan, en dan ook een der hoofdgronden is van de rechtmatigen trots der Amsterdammrs. Paleizen of Stadhuizen met 'n behoorlijke deur of poort kan men overal te zien krijgen.'

Multatuli slaat de spijker op z'n kop! Het mankeert het 'Paleis' aan een passende, majesteitelijke ingang. De proporties van de gevel deugen niet.

Vroeger, toen Beatrix er nog weleens kwam moest ze altijd door een rare achterdeur naar binnen. Vaak gezien vanuit de Raadhuisstraat.

Tags: 

Pagina's