Oostende, bij de Gaanderijen

Boulevard

Er is veel lelijks gezegd over de Belgische kust, die lange rij appartementsgebouwen.Toch als het even wil komen ze.

De eindeloze rij auto's vanuit het binnenland is er zomaar opeens, zoals gisteren. Aanzwellend vanuit Wallonië, Brussel, Antwerpen, Gent. Voeg daar nog bij de per boot aangevoerde culinaire vluchteling uit Engeland, en de zoeker van het langzame en behaaglijke uit Holland.
In de zon zitten.
In Oostende wandel je over de Boulevard bij de Venetiaanse Gaanderijen zoals het in Holland nergens kan. Want daar rijden overal auto's.

het vierde Caesartapijt, intocht in Rome
fragment van het derde 'Caesartapijt', het oversteken van de Rubicon gesitueerd in de Bourgondische tijd. Karel voerde deze tapijten - met het verhaal van zijn grote voorbeeld - opgerold in lange bussen met zich mee. waar hij verbleef werden ze opgesteld.

Karel (3)

Dieppe. Nu dan toch het vervolg. Zaterdagmorgen vroeg ging ik meteen naar het Groeninge Museum. En raakte ondergedompeld in de wereld van Karel de Stoute. ‘Pracht en praal’, maar vooral de uitwerking ervan tijdens Karels regering (1467-1477). De politiek van glamour en overdaad. Karel betaalde 600 hovelingen met erefuncties als ceremonieel schenker, hofmeester, heraut, voorsnijder of meester van het brood.

Voor de aankleding was alleen het duurste, het mooiste, het beste goed genoeg.  
De prachtige harnassen, ook voor de paarden, waren maar niet alleen voor de toernooien, waarmee  hij de adel lijmde. Je doodvechten op het slagveld,  zoals Karel het zelf deed, in vol ornaat, dat wordt hier voorstelbaar. Goud, zilver, fluweel en bloed,
Bij Karel is het altijd ‘over the top’. Hij moet en zal koning worden. Als hij daarover met de Duitse keizer gaat praten – inzet is z’n huwbare dochter en erfgename Maria – verschijnt hij in een gouden harnas (ook voor het paard). Na dagenlange toernooien en banketten blaast de keizer alsnog de deal af. Pas later trouwt z’n zoon Maximiliaan met Maria. Maar Karel is gestorven als hertog.
Overdonderen, ‘laten merken dat je er bent’ dat is Karel de Stoute. Op munten liet hij zich met lauwerkrans afbeelden, hij droeg z’n haar niet voor niets op z’n Romeins. Onder de kostbaarheden die hij met zich meevoerde zijn schitterende wandtapijten van het atelier van Rogier van de Weyden, over het leven van Ceasar. De veldslag  die hier in Bourgondische aankleding is weergegeven  laat zien hoe een slagveld in laat-gotische stijl kan worden weergegeven, op een manier die in de renaissance onmogelijk wordt. Wat je een hele wand vol ziet is puur gedrang, doodsangst en hysterie, maaiende zwaarden en lansen, paardenpoten die vertrappen en angstogen.
Karel  zong heel aardig en heeft ook liedjes geschreven.

Karels dood, het ijs in Lotharingen

Karel (2)

 Het verhaal van zijn dood hoorde ik al heel jong en ik verbeeld me dat ik daarbij ook deze prent zag. Wat nu in Brugge te zien is danken we aan Karels laatste nederlaag, die bij Nancy. Zijn schatten werden buitgemaakt door de Zwitserse Eedgenoten. Deze buit is sinds 1476 Zwitserland niet uitgeweest, en nu voor het eerst terug in Vlaanderen. Hendrik Conscience beschreef Karels dood zo (1845):

 'Het bloed van Karel stroomde onstuimiger by het gevoel zyner onmagt, eene dolle wanhoop kwam hem vervoeren. - In deze geestgesteldtenis, en ondanks de gebeden zyner veldheeren, waegt hy, met een uitgeput leger van ongeveer 6,000 man, eenen veldslag tegen de Zwitsers, omtrent Nancy, op den 6en january 1477. Verplet door het overgroot getal der vyanden en ontmoedigd door het verraed van eenen veldheer, vlugt het bourgundisch leger langs alle zyden door het veld. Hertog Karel voorziet zyne nederlaeg; echter geeft hy den moed niet op en worstelt hardnekkig tegen zyn lot. Druipende van bloed en zweet blyft hy stryden, hy slaet schrikkelyk onder de wolk vyanden die hem omringt en wordt met wonden overdekt; een lanssteek put zyne laetste krachten uit, hy wankelt en wil over eenen bevrozen waterplas ryden, het ys kraekt, de voeten van het peerd zinken er door. Hy roept om hulp tot eenen zyner vervolgers, doch ontvangt den doodslag van zyne hand. Des anderendaegs werd het lyk van hertog Karel-de-Stoute op deze plaets met het hoofd in het ys vastgevrozen gevonden. Men nam het weg en stelde het, onder eene zwart satynen veldhut, ten toon voor het volk, dat uit alle omstreken kwam aengeloopen en met nieuwsgierigheid, maer met ontzag, op het onkennelyk gelaet van den schrikbarenden stryder blikte.'

 

Karel de Stoute, omstreeks 1460 geschilderd door Rogier van der Weyden
het Bourgondische rijk (België) in 1477

Karel (1)

Karel de Stoute (1433-1477) was goed beschouwd een Belg. Hij verplaatste zijn hof van het suffe Dijon naar Brussel. Hij was hertog van Bourgondië, Brabant, Limburg en Luxemburg, graaf van Vlaanderen, Artesië, Bourgondië, Henegouwen, Holland, Zeeland en Namen. In 1472 werd hij ook nog hertog van Gelre en graaf van Zutphen.

Wat hem mankeerde om van al die feodale snippers een aaneengesloten rijk te maken was Lotharingen.
Dat werd hem noodlottig.
Hij voerde oorlog, veel en graag. Zijn roekeloze gedrag, vooral tegen het eind van zijn leven, werd soms gezien als een geestelijke afwijking. Karel wilde een rijk dat zich uitstrekte van de Noordzee tot de Middellandse, zoiets als het legendarische koninkrijk van Lotharius, de derde zoon van Karel de Grote. het Rijk van het Midden.

Zaterdag hoop ik in de weekendeditie van de avonden verslag te doen van de grote tentoonstelling over Karel in Brugge: 'Pracht en praal in Bourgondië'. Want hofhouden kon hij. Pracht en praal, zeg glamour, hoorden bij het bedrijven van politiek. De schone kunsten waren voor hem heel direct verbonden met het uitoefenen van macht.  

 

deftige Parijse dame in 1778, het jaar van de reis van Jacob Muhl
Palais Royal in de 19de eeuw

Palais Royal

Door Walter Benjamin vond ik de reisverslagen terug die de koopman Jacob Muhl in 1778 naar zijn familie en vrienden stuurde toen hij in Parijs verbleef (Walburg Pers, 1978).De aanloop naar de door Benjamin beschreven 19de eeuw.

In Nederland deden kennelijk geruchten de ronde over het uitgaansleven in de stad van toen al 6 á 700.000 inwoners. 
En Jacob Muhl rebelleert tegen de Hollandse bekrompenheid: 'Lieden die nooijt uijt Holland geweest zijn en het overal net willen hebben als in Amsterdam, kunnen nergens genoegen hebben.'
En dan doet hij verslag.
'Op het uijterlijke geoordeelt: de vivacitijd, ja wildheid, de ongemeene pragt in kleederen, de libre ongegeneerde houding, familiaritijd op straat met heeren (...)'
En stelt vast dat de 'filles galantes' in de Theuillerie en op de Place Roijal 'heel andre schepsels zijn als dat droevig zoort in Holland. Het zijn dames, naar de eerste trant gekleet, als koninginne.'
En 'brutalitijd op de weg heb niets van gesien.'     

Sarah Bernardt door Alfred Stevens
'Het bad' (1867)
Sarah Berhardt poseert in foto-studio

Alfred Stevens (2)

Walter Benjamin (1892-1940) verzamelde in zijn 'Passagen-Werk', ook wel het Arcadenprojekt genoemd, alles wat hij kon vinden over hoe mensen bijeen leven in de grootstedelijke ruimte. En dat wel over de eerste grote stad, de lichtstad Parijs.

In zijn verzameling documenten, knipsels, eigen aanttekeningen, plaatjes, is er één map over Het Interieur van de gegoede burgerij. Die interieurs zijn een allegaartje van neo-stijlen.
Kenmerk is het vorstelijke. De eetkamer moet de feestzaal van Cesare Borgia lijken, het boudoir van de vrouw des huizes is gotisch ingericht. De werkkamer van de heer des huizes is het verblijf van 'een Perzische sjeik'. 
Op dat alles schijnt het helle gaslicht, dat de huizen is binnengedrongen, overal behalve in de salon.

Theater! Benjamin schrijft dat 'de ruimte zicht verkleedt'. Het 19de eeuwse interieur 'neemt de kostuums van stemmingen aan'. Een kamer verder zou de kroning van Karel de Grote kunnen plaatsvinden of de ondertekening van het verdrag van Verdun. 
De geschiedenis teruggebracht tot wereldvreemd theater.
Benjamin spreekt van 'roesverwekkende interieurs'.

Alfred Stevens schilderde mooie vrouwen in deze interieurs, zó dat de twee samenvielen. Geen toeval dat hij trouwde met een actrice: Sarah Bernhardt.

ps. In het najaar, vanaf 18 september komt de Brusselse tentoonsteling naar het Van Goghmuseum in Amsterdam. 

Tags: 
De wanhopige vrouw (1871)
Herinneringen en spijt (1875)

Alfred Stevens (1)

Walter Benjamin heeft me met de benoeming van de flaneur een onschatbare dienst bewezen. Zijn Arcaden-project - een stapel mappen met onaffe geschriften over de Parijse 'belle époque' leeft tot vandaag. Nooit eerder zag ik zoveel mooie schoenen op straat, nooit zoveel afwisseling in vrouwendracht. Wat is er toch aan de hand? Niemand die er over rept. Ik denk dat we een terugkeer beleven. Naar wat?Dit is een tijd van crisis en elegance. Hoe vinden die twee elkaar?

Afgelopen donderdag in Brussel werd ik nog aangesproken op mijn voorkeur voor Benjamin. En dat door een - in Brussel bestaat dat - elegante vrouw.
Ik vertelde haar over de affiches in het museum van Elsene van de Parijse Vélodrôme d'hiver, waar je rond 1890 als meisje kon leren fietsen, als je je maar in de nieuwste fietsmode stak.
De Vélodrôme was het society-trefpunt bij uitstek.
Walter Benjamin wist er alles van.  
We kregen het over grote tentoonstelling met werken van Alfred Stevens (1823-1906), de society schilder die in het Brusselse Museum voor Schone Kunsten op 8 mei begint.   
Hij verhuisde al snel naar Parijs. Vanaf 1855 begon hij naar de mode geklede vrouwen te schilderen.
Hij wordt de chroniqueur van het mondaine leven en schrikt niet terug voor onderwerpen als 'De eenzaamheid van de rijke vrouw'.
Even denk ik aan 'Gooise vrouwen'. Maar nee, rijkdom is niet meer wat 't was. Is het dat ooit?

 

Anton Valens

Binnenkort verschijnt 'Vis' van Anton Valens. Anton is een Hollandse Günter Walraff. Alleen, in misstanden doet hij niet. Hij doet in toestanden, en in materie.

Anton Valens wordt zijn onderwerpen. Hij neemt de kleur en smaak van een omgeving aan.
In 'Meester in de hygiëne' en 'De dweiloorlog' legde hij de wereld van de thuiszorg en het schoonmaken neer.
In 'Ik wilde naar de rand van Beijing' beschrijft hij nauwkeurig wat er gebeurt als Anton Valens dat wil. Waarbij je moet bedenken dat Anton Valens geen Chinees spreekt.

In 'Vis' wordt Anton één met de vissers en de vis.
Hij moet veel leren: 'Het viel me op hoe makkelijk ik me had laten overhalen dingen te doen (vissen martelen en vermoorden) die ik zelf achterwege zou hebben gelaten.'
En: 'Het ging om een principe: je zag iets heel moois dat leefde, en dat maakte je dood.'

Tags: 

Op weg naar Elsene (2).

De omgang met woordenmensen blijft mooi maar lastig. Wie zich voortdurend afvraagt of wat hij aan het zeggen is wel verantwoord kan worden heeft kans te verdrinken in zenuwtrekjes en onbegrijpelijkheid.

Zouden krantenschrijvers zo zijn, de krant bleef erg leeg. Terwijl we toch alle vier, daar in Elsene, vonden dat er geschreven moest worden.
'Ware grootte' van Tonnus Oosterhof bevat deze strofe:

'Was schaatsen maar een woord als ik,
wat zou ik schaatsen op mijn podiumpje,
en wat zou ik de dames en weinige heren vervoeren.'

Els Moors had ons uitgenodigd eigen tekst te lezen en hield een exposé over het woordje 'ik' in het werk van haar drie genodigden.
Waar ging het over? vroeg ik achteraf.
'Eigenlijk over de liefde.'

Een aantekening bij een zeereis uit 'In een handpalm' van K.Michel:
'Ik moest de zee zien, ik moest de bewegingen van het schip kunnen relateren aan de horizon, anders begreep ik niet wat er met mijn lichaam gebeurde en werd ik ziek.'
En dan: 
'Grote woorden zijn ook schepen, zoek altijd het dek op.'

Eigenlijk kan het niet. Maar het gebeurt en blijft gebeuren. Nu weer in de Nederlandstalige bibliotheek van Elsene (Ixelles), even buiten de Naamse Poort in Brussel, afgelopen donderdag.

restaurator Willem Haakma Wagenaar, rechts het mannetje in de muil
het mannetje van dichtbij
naar de hemel

Laatste Oordeel in Alkmaar (2)

 Vanmiddag stond ik in de nok van de Grote of St. Laurentiuskerk in Alkmaar, hoog boven de grond. Beneden in de kerk was een plechtigheid gaande, iemand werd gehuldigd, leek me. Gemurmel steeg op naar de plaats hoog boven het koor waar restaurator Willem Haakma Wagenaar en ik stonden te kijken naar twee juist gereedgekomen panelen van het Laatste Oordeel van Jacob Corneliszoon van Oostsanen (1519). Nog niet te zien voor het publiek.

 Groot zijn ze, zo'n zes bij drie. Op een ervan wordt een groepje vrouwen door een engel de hemel binnengeleid, op de andere is het Hellebeest te zien, met in z'n muil, ja wat?
Willem vertelt met gepaste trots dat daar, uit die muil, tot voor kort vlammen lekten. Waarschijnlijk aangebracht door eerdere restauratoren. Maar nu, na zorgvuldig onderzoek heeft hij teruggevonden wat Van Oostsanen werkelijk in de helse bek had geschilderd!
Een mannetje met een kale kop is tevoorschijn gekomen. Het kon je buurman zijn. En hij gaat naar de hel, zoveel is zeker.   
Daar heb je waar het om draait in deze vroege Hollandse schilderkunst, op de grens van renaissance en late gothiek: herkenbare mensen, mensen zoals jij en ik.

Maandag is Willem Haakma Wagenaar te horen in de Avonden.

Tags: 
het Laatste oordeel
Beluister fragment

Pagina's