Robert Crumbs wake-up calls

 Crumb ontmoette ik voor het eerst ergens diep in de jaren '70, via zijn vriend, tekenaar Evert Geradts. Hij landde aan in Amsterdam, in zak en as. Ik interviewde hem en het ging over Zap-comix, maar eigenlijk vooral over geld. De Amerikaanse belasting zat achter hem aan, en dan helpt geen Mr. Natural.

 Omdat zijn tekeningen overal verschenen - zonder dat, in die tijd, copyrights betaald werden - dacht de fiscus dat hij wel heel rijk moest zijn zonder belasting te betalen. De tweede keer was toen hij in 1995 met zijn orkestje The Cheap Suit Serenaders op toernee kwam en bij Gert-Jan Blom logeerde. Hij verzamelt 78-toeren muziek en speelt het ook nog steeds. De Cheap Suits werden opgenomen en uitgezonden. En daarna kwam de expositie in Boijmans in 2005.

 Al die keren gaf hij antwoord op vragen, meest van feitelijke, zakelijke aard. En zweeg hij of speelde. Alle vragen en antwoorden zitten immers in zijn werk. En dat omvat een tijdperk in z'n geheel, een generatie.

 Toen ik Anil Ramdas voor het eerst sprak vroeg hij naar de jaren '60. Daar wilde hij over schrijven. Wat moest hij lezen? Ik zei 'Het verzameld werk van Robert Crumb'.

 Die boodschap is niet doorgekomen.

 Crumb is nu 75 net als ik, en woont in Frankrijk met zijn tweede vrouw Aline. Op internet brengt Leo Mele bijna dagelijks een keuze uit zijn werk en dat van andere tekenaars. Mijn wake-up calls.

 https://www.facebook.com/groups/rcrumb/

Tags: 

De douanier

 Robert Walser bracht me bij een andere dromer, Henri Rousseau (1844-1910). Van wie twee echtgenotes stierven en acht van zijn negen kinderen. Rouseau, die als belastingambtenaar bij de douane werkte en in zijn vrije tijd schilderijen maakte, waarom hij lange tijd werd uitgelachten.

  'Jij en ik zijn de grootste schilders van onze tijd', zei Rousseau tegen de jonge Picasso die voor hem een banket organiseerde in 1908, 'jij in de Egyptische stijl en ik in de moderne'. Picasso zou hem hier later achter zijn rug om uitlachen. Dit doek, 'De Droom' (1910), maakte Rousseau, kort voor zijn dood, voor een mogelijke derde echtgenote. Een vrouw op een divan wijst naar het oerwoud waar ze over droomt. Het oerwoud als 'state of mind'. Hoewel hij Parijs nooit verliet, was Rousseaus droomwereld er een van oerwouden vol exotische dieren en prehistorische planten en bomen. Maar de beoogde vrouw was niet geinteresseerd. En de douanier stierf arm en eenzaam. Zijn kunstenaarsvrienden ontfermden zich over zijn graf: Apollinaire schreef een gedicht dat Brancusi in een mooie steen beitelde. In 1981 was er een Rousseau-expositie in Amsterdam. Het affiche van de leeuw en de slapende vrouw in de woestijn hing in vele Amsterdamse studentenkamers. 

Robert Walser en Henri Rousseau

 In zijn laatste roman dwaalt Robert Walser ongeremd rond. Waarneming en overwegingen wisselen elkaar af zonder dat hij orde schept in de wederwaardigheden van hemzelf en zijn alter ego 'De rover', die de wereld leegrooft aan gedachten en verschijnselen. Vertaald door Machteld Bokhove. 

'Maar het is onverantwoord zo vergeetachtig als ik ben. Ooit kwam de rover immers nadat hij zich even bij een boekdrukkerij had laten zien en met de eigenaar een uurtje had staan kletsen, in het bleke novemberbosje die Henri Rousseau-vrouw tegen, helemaal in het bruin gekleed. Hij bleef getroffen voor haar stilstaan. De gedachte ging door zijn hoofd dat hij in de afgelopen jaren op een treinreis midden in de nacht tegen een vrouw die met hem reisde als het ware sneltreinachtig had gezegd: 'Ik ga naar Milaan.' Net zo dacht hij nu heel  flitsachtig-vlug aan toffees die je in kruidenierswinkels koopt. Kinderen eten dat graag, en meneer de rover at ze ook nog altijd graag zo nu en dan, alsof de liefde voor toffees etc. tot de taken van de roversstand behoorde. Met 'Lieg toch niet!' opende nu die dame in het bruin haar betoverende mond.'

Als Walser er over begint moet ik toch mijn kant van de dingen noteren, van Henri Rousseau, de schilder van varens, die uit de oerbossen overgebleven schermachtige planten waarmee hele heuvels begroeid zijn rondom Terhulpen bij Brussel. En van toffees. De buitenkant is zacht en tenslotte bereik je al zuigend het harde binnenste, waarop je nog lang kunt zuigen als je het niet per ongeluk doorbijt. Maar dit, zoals veel bij Walser, terzijde.

Tags: 

De oorlog opruimen

 Nederland kent geen Rudi Vranckx, voor de puinhopen van Aleppo moet ik naar de VRT. Maar vandaag kwam ik er via Zadie Smith, die in haar opwekkende bundel gedachten over politiek en schrij­verij 'Cha­nging my mind' een gedicht van Wislawa Szymborska aanhaalt: 'Einde en het begin', vertaald door Gerard Rasch.

 'Na elke oorlog

moet iemand opruimen.

Min of meer netjes

wordt het tenslotte niet vanzelf.

 

Iemand moet het puin

aan de kant schuiven

zodat de vrachtwagens met lijken

over de weg kunnen rijden.

 

Iemand moet waden

door het slijk en de as

de veren van canapés,

de splinters van glas

en de bloederige vodden.

 

Iemand moet een balk aanslepen

om die muur te stutten,

iemand het glas in het raam zetten,

de deur in de hengsels tillen. (...)'

 Hier breekt Zadie Smith het gedicht af. En ik ben het met haar eens: deze oorlog moet 'blijven hangen', hoeft niet nabeschouwd te worden. Dat opruimen spreekt me aan. Dat is wat overblijft voor de vrouwen: oorlog als huishouden. Mijn moeder zette de glazen deurtjes van keukenkastjes op de plaats van de kapotte voorruit.

Orwell bespreekt

 In de bundel 'Critical Essays' van George Orwell, verzameld in 2008 vind ik 'Confessions of a Book Reviewer' uit 1946. Ze beginnen zo:

 'In een koude maar stoffige zit-slaapkamer bezaaid met sigarettenpeuken en halflege theekopjes, zit  een man in een door de motten aangevreten kamerjas, aan een wankele tafel waarop hij probeert plaats te vinden voor zijn tikmachine tussen de stapels stoffige papieren die hem omringen. Hij kan de papieren niet weggooien  omdat de prullenbak al overstroomt, en bovendien, ergens tussen de onbeantwoorde brieven en onbetaalde rekeningen zit een cheque van twee guineas die hij vergat te betalen bij de bank. Er zijn ook brieven met adressen die in zijn adresboek moeten worden overgenomen.  Hij is z'n adresboek kwijt, en de gedachte er naar te gaan zoeken, of werkelijk naar wat dan ook te gaan zoeken, bezorgt hem acute aanvechtingen tot zelfmoord.'

 'Hij is een man van 35, maar oogt als 50. Hij is kaal, heeft opgezette aderen en draagt een bril, of zou die dragen als zijn enige exemplaar niet chronisch zoek was.'

 Toch komt zijn stuk op tijd bij de redactie: 'Omstreeks negen uur 's avonds is hij relatief helder en tot de kleine uurtjes zit hij op zijn kamer, die kouder en kouder wordt, en de sigarettenrook dikker en dikker. In de ochtend, met uitgeputte ogen, nors en ongeschoren, zal hij een uur of twee naar een vel wit papier staren tot de dreigende vinger van de klok hem aan het werk jaagt.'  

 ps. In 2012 leidde een standbeeld van een rokende Orwell bij het BBC-gebouw tot veel heibel. Hij rookte 'altijd'. Het bleef staan. Met veel peuken van nu eromheen.

Tags: 

Terreinknecht

 Aan de 'materiaalman, die vroeger de terreinknecht heette is morgenavond vanaf 19.30 een voorsteling met verhalen, gedichten en acts gewijd die Bernke Klein Zandvoort organiseert in de clubtent van voetbalclub Wartburgia Drie Burgpad 3 in De Meer. Oa. Paulien Oltheten, Erik Jan Harmens, Erik Bindervoet en Maarten van der Graaff doen mee.

 Ik sta op het Haagse Valkenboschplein, voor de sigarenzaak naast de melksalon van De Sierkan, waar de afgekeurde wedstrijden zijn opgehangen. Van alle kanten komen jongens en mannen aangefietst. Soms is West II, ons district, in z'n geheel afgekeurd door de consul van de HVB, soms mogen alleen de hogere elftallen spelen. De teleurstelling bij het rondsuizende woordje 'afgekeurd' is voelbaar.

 Ik denk aan de terreinknecht van Quick, mijn club, die opgelucht zal zijn. Op een half ontdooid voetbalveld schop je met twee elftallen het laatste gras zo uit de grond. De bal wordt zeiknat en loodzwaar. Een junior krijgt hem al niet meer de lucht in. En de pupillen kunnen het helemaal vergeten.

 De pupillenlat bestaat niet meer, de dubbele, verlaagde doellat, die aan twee haken in een doel kon worden gehangen. Het was ook niet eerlijk, zo'n keepertje met zoveel ruimte boven z'n hoofd. Makkelijk scoren!

 Het domein van de terreinknecht met de ballennetten en de wondermachine waarmee je gipsen lijnen in het gras kon trekken was heil­ig. Zijn waarschuwing niet te trainen in modderige doel­gebieden ook. Ach, er groeide daar toch al geen gras. In de zomer staan er weer bordjes 'niet betreden'. 

Tomas Lieske

 Stel je voor, een zwarte straatbende in de Parijse Rue du Faubourg St.Denis. Niet ver van de pronkgraven van Franse vors­ten. Afrikaanse jongens die mekaar in Afrikaans bargoens geschreven gedichten voordragen. Eerbewijzen zijn het, aan wie? Ja dat zijn de literaire helden van dichter Tomas Lieske. En daarmee trek­ken ze op naar de kathedraal. Want alles kan. Hier het eerbewijs aan W.G.Sebald, zo geïntroduceerd: 'Goa, de supermarkt op het eind van de Boulevard de la Villette bij Stalingrad, heeft naast veel Aziatische producten genoeg ingrediënten voor de echte Afrikaans keuken. Genoeg om de herinneringen levendig te houden. En iets terug op de boulevard vind je een kleine winkel met een echte sangoma, een medicijnman die kruiden, poeiers en gedroogde zeepaardjes verkoopt. Het zijn kleine aandenkens aan míjn verloren wereld.'

En dan komt Sebald, geboren in Wertach:

'Nu ik het dorp verlaat weet ik dat ik het nooit/ terug zal zien, probeer ik alles te onthouden: / de suikersmaak van de witte dovenetel,/ de stemmen van mijn gestorven grootouders/ die na hun dood op de hete zomerzolder thee/ kwamen drinken, het luik dat ademhaalde,/ de milde wind die alle vaantjes draait./ De pisgele, vissige tanden van de waakhond,/ de vermoeide vingertoppen van mijn moeder./ De uit traumafietsband gesneden scharnieren/ van de konijnenhokken, de oneetbare meubels/ van hazelnoottaart, de ritssluiting van hagedissen./ De verende plank op de twee uiterste stoelen/ zodat vier extra kinderen dicht tegen elkaar aan/ geschoven aan tafel kunnen zingen en eten./ De heg met de mathematische spinnen, de last/ van insecten die boodschappen overbrengen/ in onleesbare code, de sepia foto's, het lint/ van de bruiloft, het kinderbestek met inscriptie,/ de kamphelmen in de uniformkast.' 

Zie de bundel 'Keto, stiefcommando'.

Nee

Een gruwelijk begrip, volksaard. Ik schuw mensen die zich een echte Amsterdammer noemen, een Fries of een Catalaan. En hoe ze doen is dan ‘typisch’ dit of dat. En ze gaan zich ernaar gedragen. Lang geleden las ik professor Chorus die het hele begrip volksaard verdoemde. Zelf ben ik hopelijk niet typisch wat dan ook. De Ware Aard is en uitvinding uit de oudheid. Wanneer iemand keizer werd leek hij eerst aardig, maar na verloop van tijd kwam zijn ‘ware aard’ boven’, Zover ik weet intussen in de psychologie een afgedankt begrip. Het kinderlijke nee-zeggen kom je tegen bij referenda. Vraag ‘de mensen’ iets, en ze zullen nee zeggen. Zie Brexit. Het is een nee tegen ‘ze’, de overheid, de machthebbers of Europa die je van alles willen opleggen. Nee is je enige wapen. Het gedicht ‘De Nederlander zegt nee’ staat in Ware aard, de nieuwe bundel van Jan-Willem Anker:

 ‘Terwijl hij eet zegt de Nederlander nee.

Nederig zal hij zijn eten niet vergeten.

Hij is nederig en Nederlander. Zegt nee.

Een ondernemer die volmondig nee zegt.

 

Zijn nee klinkt luid door zijn eten heen.

Het eten weerhoudt hem niet van zijn nee.

Integendeel. Ook etend laat hij het weten.

Het nee van de Nederlander betekent nee.

 

Tijdens het eten is hij zijn nee niet vergeten.

Het land aan ja schudt hij etend van nee.

Zijn mond zit vol. Toch hoor je hem spreken

en breed maar nederig zijn nee uitmeten.’

 

 ps. Met ‘volksaard’ wordt  gewoonlijk gedoeld  op aangeboren eigenschappen. Terwijl mensen van jongsaf elkaar alleen maar nadoen. En maar zeuren over wat er 'in je genen' zit.

 

 

Tags: 

William James en het vergeten

 William James bedacht de 'stream of consciousness'. In 1892 noteerde hij daarover oa. dit: 'Stel je voor, we proberen ons een vergeten naam te herinneren. Ons bewustzijn is eigenaardig. Er zit een gat in, maar niet zomaar een gat.

 Een intens actief gat. Een soort spookverschijning van de naam zit erin, die ons een bepaalde kant op wenkt, Die ons prikkelt met het gevoel dat we in de buurt zijn, en ons dan achteruit laat leunen zonder dat we het gezochte woord gevonden hebben.

 Als ons verkeerde oplossingen worden gesuggereerd reageert het gat in kwestie onmiddellijk met een afwijzing. Ze passen niet in de opening. En het gat van het ene ontbrekende woord voelt anders dan dat van een ander. Als ik vergeefs probeer me de naam van Spalding te herinneren is mijn bewustzijn anders van wat het is als ik me de naam van Bowles probeer te herinneren. (...) 

Het ritme van een verloren woord kan er zijn zonder het geluid om het aan te kleden; of het ontsnappende gevoel van iets dat de eerste klinker of medeklinker is drijven de spot met ons zonder ons verder te helpen. Iedereen moet wel het gekmakend effect kennen van het naamloze ritme van een vergeten liedje dat rusteloos in je hoofd blijft dansen, smekend om met woorden gevuld te worden.'

 En zo meer, veel meer. William James wil deze vage, onuitgesproken dingen hun plaats geven. Uit: ‘Pragmatism and other writings’. 

Tags: 

Kampioen

 Eenmaal in m’n leven was ik kampioen, of beter het elftal waarin ik speelde. Quick Den Haag adspiranten 4D. Het gebeurde in een uitwedstrijd tegen Westerkwartier.

 De uitslag weet ik niet meer, het zal 1-0 geweest zijn.  Publiek was er niet, behalve een leider van de tegenpartij en onze elftalleider, die elke week in het stencil met het nietje erdoor dat in de bus viel met de opstellingen vermeld stond als N.Visser. Pas veel later ontdekte ik dat hij in het eerste van Quick had gespeeld en Nico heette. Hij zei zelden wat. Een man in een regenjas met een zware bril.

 Meneer Visser trakteerde ons op een koek en een flesje. Dat waren de goedkope flesjes van een naamloze fabriek in Loosduinen. Een soort Exota. De koek was een pennywafel of een gevulde koek naar keuze. N. Visser had ook een fotograaf geregeld. De foto bestaat nog, maar ik kan hem nergens meer vinden. Ik had de namen erbij geschreven in m’n album, dat is onvindbaar. Staande vl.n.r.: ? Gehurkt alleen ik. En geknield v.l.n.r.: ? Jongens waar de trainer van Quick, de later bij Feyenoord beroemde Ben Peeters op de woensdagavond training onder de enkele lamp weinig in zag. Een keer prees hij mij omdat ik ‘bleef lopen’.  Hij werd opgevolgd door een Luxemburger die in het nationale elftal had gespeeld en ‘schnelleer’.bleef roepen.

 Het was nog een eind fietsen terug. Elf jongens met kartonnen koffertjes onder de snelbinders. Met naast de elfde jongen elftalleider N.Visser.

Pagina's