Kapot

 Of is 'stuk' beter? 'Kapot' heeft een ingrijpender betekenis, denk ik. In beide gevallen komt de vraag naar 'reparabel?' Zoals bij de staande klok van mijn schoonvader die het opeens 'niet meer deed'.

 'Hij heeft het toch altijd goed gedaan,' zei hij verbaasd.

Een kijkje in de dood, dat we niet kunnen accepteren. Mensen en machines gaan stuk. Het stadium van nog wat duwen en prutsen was voorbij en ik bracht de klok naar meneer Miedema, de laatst overgebleven klokkenmaker in het Gooi. Een makkelijk te vinden adres, vanwege de auto met de reuzenklok op het dak voor zijn deur.

 In de pre-digitale tijd werden auto's en andere apparaten gerepareerd door de oorzaak van de storing op te sporen en te herstellen. Nu, leerde ik van Marcel en Herman, doe je dat door verdachte onder­delen weg te nemen en te vervangen. Het kan zijn dat daarbij van het oorspronkelijke apparaat weinig meer overblijft.

Rudy Kousbroek stelde vast dat het ware 'sleutelen', waar hij een meester in was, verloren is gegaan sinds ook in auto’s ook computertjes zitten. Voorbij. Wat ik overhou is de computerwet: 'Afzetten en opnieuw opstarten'. Wat daar­van de logica is weet je niet. Dat mag de machine dan zelf bedenk­en. Lukt het hem niet, dan volgt op Internet het advies 'raadpleeg uw provider' of leverancier. Waar vele wachtenden voor je zullen zijn.

En nu was het weer zover. Toen de auto er pas was huurde je er tegelijk een chauffeur in uniform bij, die ook mechanicien was. En op de weg naar de Simplonpas stond elke kilometer een garage.

Maar Avondlog doet het weer.

Ongrijpbare geuren

 Ongewassen oude kleren hebben een heel bepaalde geur, die ze met elkaar lijken te delen. Er is geen woord voor die geur, zoals je ook niet kunt beschrijven hoe een merel zingt.

 De onbenoembaarheid van zintuiglijke indrukken keert steeds weer in het boekje 'De taal van smaak' van Reinier Spreen. De wereld van de onbenoembaarheid ligt naast die van de taal.

De stapels oude kleren die een huurder achterliet in mijn benedenkamer roken niet naar hem. Ze roken naar oude kleren. Een algemene geur, zoals die van vuilnis. Welke vuilniszak je ook openmaakt, je komt hem tegen. Maar hoe noem je hem?

'Denk maar eens aan iemand die je goed kent,' zegt Spreen, 'je ziet hem of haar duidelijk voor je en je zou hem zelfs in een grote menigte herkennen. Goed, maar probeer hem nu eens te beschrijven. Dat gaat niet. Zelfs met een heel beperkt teken­talent zou je nog een veel overtuigender portret op papier zetten.'

Woorden schieten niet alleen tekort, ze gaan met hun onderwerp op de loop. Er ontstaat onder het puntje van de schrijfpen een parallel u­niversum.

Buurman

 In Amsterdam vroegen de mensen me wel eens of ik nu op 'een leuke trap' woonde. In Den Haag was dat een onbekend begrip. In mijn 'Tale of two cities' 'Iemand zijn in Amsterdam' ben ik er niet aan toegekomen.

 Mijn onderbuurvrouw in het huisje aan het park was mevrouw Marcus, die al erg oud was maar nog steeds schoonmaakte bij slager Kroes op de Overtoom.  't Was druk op de trap, of haar schreeuwende dochter met het uitgegroeide blonde krulhaar kwam langs met een zoontje dat 'Alexanderhoujekop' leek te heten. Maar dagelijks was het Joop de Zeilmaker, die beneden aan het Vondelpark op het straatje dekzeilen en fietstassen maakte, die hij vaak verknipte. Waardoor hij vaak bij Mevrouw Marcus - tante An - moest uithuilen.

 'Ja, 'k ben z'n moederfiguur he.'

 De vrouw van Joop had een gat in d'r hand en gooide alle rekeningen achter het dressoir. 

 Mijn onderbuurvrouw had een cassette van Wim Sonneveld met vooral 'Trek je wollen sokjes aan Marjoleine'. Als de cassette uitgespeeld was bleef nog maar een vraag: zou ze hem omkeren. En dan kwam de Hertogin van Lombardije weer. En elke avond was het raak met de televisie-ontvangst, die toen nog ging met twee sprieten. 'Buurman, klonk het dan in het trappenhuisje, 'k 'heb weer allemaal sneeuw.' En dan moest ik komen.

 Op de vertimmerde zolder waar ik woonde hadden in de oorlog onderduikers gezeten.

 Iemand worden in Amsterdam? Ik raad iedere nieuwkomer aan: 'Word buurman'.

Hemel?

 In zijn bundel 'critical essays' snijdt George Orwell, in een stuk getiteld 'Can Socialists Be Happy?' in 1942 het oeroude probleem van het Christendom aan: hoe moeten we ons de hemel en de hel)  voorstellen?

 Niemand kwam eruit, eeuwenlang. James Joyce gaf een gruwelvoorstelling van de hel, maar bij de hemel komt hij niet verder dan 'extaze' en 'gelukzaligheid' zonder poging uit te leggen wat dat inhoudt.

Tertullianus zegt dat een van grootste hemelse genoegens ligt in het gadeslaan van de martelingen van de verdoemden. Bij de heidenen is het weinig beter. In de Elyseese velden heerst en eeuwige schemering. Op de Olympus leven de goden met hun nectar en ambrozijn  en hun nymfen, gezelschapsdames en onsterfelijke verleidsters. Geen plek waar je lang zou willen blijven. 

Wat het moslimparadijs betreft, met zijn 77 houri's per man, allemaal schreeuwend om aandacht, dat lijkt een nachtmerrie.

Ook de spiritisten worden nooit precies, met hun 'alles is stralend en prachtig', wat, zegt Orwell, toch geen denkend mens te verdragen zou vinden, laat staan aantrekkelijk. Voltaire beschrijft hoe het leven van Karel IX en zijn fameuze maitresse Agnes Sorel, die 'altijd gelukkig' waren. En waar bestond dat geluk uit? Een eindeloze draaimolen van feesten, drinken, jagen en seks,

'Wie zou niet ziek worden van zo'n bestaan na een par weken? Breughel laat het zien in  zijn 'Luilekkerland'.

Het doel van het socialisme, zegt Orwell, kan dus nooit 'geluk' zijn.

Linkse mensen

 In mijn juist verschenen boekje 'Iemand zijn in Amsterdam' vertel ik ook mijn wederwaardigheden met de linkse mensen, begin jaren '60.

 Linkse mensen werkten in die jaren in de vakantie aan de 'Autoput', Tito's snelweg dwars door Joegoslavië. Ik niet.

 Linkse mensen had ik voor het eerst gezien tijdens een bijeenkomst van een studentenvereniging in een van de bovenzalen van café De Kroon op het Rembrandtplein, waar veel politieke bijeenkomsten werden gehouden. Een ernstige vergadering was het, waarbij 'moties' en 'resoluties' werden aangenomen. Die verplichtten tot veel, zoals solidariteit met het DDR‑regime. 

 Daarbij viel steeds het begrip 'arbeiders'. Dat woord bevreemdde me. Na lang wachten dorst ik op de achterste rij mijn vinger op te steken en stelde voor: 'Als je nu overal arbeider vervangt door werknemer dan vallen kantoormensen er ook onder.' Niet wetend dat 'arbeider' hier een sacrale betekenis had. Er ging een golf van verontwaardiging door de rijen.

'Wie is die kameraad?' vroeg een oudere man die zich naar me omkeerde.

Ik had niet begrepen dat arbeiders de nieuwe heiligen waren. Zodat zelfs studenten 'jonge intellectuele arbeiders' moesten heten die een 'studieloon' hoorden te verdienen inplaats van een beurs.

Er werd onder linkse mensen vaak gefluisterd. Veel was niet voor ieders oren bestemd. De CIA had waarnemers in Amsterdamse studentenkringen. Binnen de linkse kringen waren er over wie met extra ontzag werd gesproken: Trotskisten. Maar toen ik er een ontmoette was het tot mijn verbazing een man in hemdsmouwen met een gezin op een bovenhuis.

ps. Het boekje is te bestellen door een mail naar yolnus@xs4all.nl

Iemand zijn in Amsterdam

 Mijn boekje is er. Vanmiddag bracht de drukker uit Nieuwegein een doos de trap op. Kijken en ruiken. Het was goed.

 Drieentwintig verhaaltjes over mijn eerste dagen in de vreemde stad Amsterdam. Waar ik in 1962 zou gaan studeren, wat dat ook was. Eens moet je als jongeman de plaatsen achter je laten waar je bent opgegroeid, waar je de weg weet. In Amsterdam wist ik niets.

Ik bekijk het omslag, de Nieuwe Leliestraat, mijn eerte Amsterdamse straat. Met rechts het Cafetaria Smitje, mijn eerste houvast in het onbekende. Medebewoners van het studentenhuis aan de Westermarkt kwamen er. Smitje was een kleine, dikke man die glom van het frituurvet. Hij droeg een keurig wit mutsje en stond bekend om zijn varianten op de frites-saus. Zijn zaak zat aan het begin van de straat, pal voorbij de brug over de Prinsengracht. 

Smitje bakte friet, je kon er mayonaise bij krijgen uit de plastic pot met de drukknop. Maar op een dag ging hij daarmee experimenteren. Zo mengde hij als fritessaus eerst mayonaise met ketchup en noemde dat 'Smurrie'. De studenten vonden het grappig. Daarna introduceerde hij 'Hurrie Durrie' waarin door de mayo en ketchup ook mosterd werd gemengd. Smitje bleek een uitkomst. Verder was eten een dagelijks weerkerend probleem.

Deze week wordt mijn boekje 'Iemand zijn in Amsterdam' in kleine kring aangeboden, met als attractie porties patat met naar keuze Smurrie of Hurrie Durrie, volgens historisch recept.  

Iemand zijn in Amsterdam' wordt uitgebracht door kleine uitgeverij Avanti, telt 63 pagina's en is niet duur. Te bestellen door een mail naar yolnus@xs4all.nl

Spoordroom

 Gerard Reve vertelde van een jongeman die niet kon ophouden zijn dromen te vertellen. Hij droomde 'van een straat die ook weer geen straat was in een stad die ook weer geen stad was etc.' Maar ik kan de passage niet meer vinden.

 Zo droomde ik vannacht dat ik de weg zocht op een station in Parijs dat niet een bekend station en ook weer niet Parijs was. Helemaal niet zelfs. Ik raakte in gesprek met onbekenden die mij niet konden helpen en ik hen evenmin en ik belandde in een werkplaats waar his­torische trein­wagons werden gerestaureerd en veel te geel geverfd.

 Eenmaal wakker dacht ik aan Paul Delvaux. En kwam terecht bij zijn Viaduct (1963). Toen ging ik op zoek naar een foto die ik zelf eens maakte bij Watermaal, van een voor altijd gesloten cafe met een in beton gedecoreerde gevel uit de jaren '30, met de namen van de eigenaars erin, dat onderaan een spoorwegviaduct stond. De foto was onvindbaar. Ik zou er weer heen moeten rijden. En de plek onder het spoor zonder twijfel niet terug kunnen vinden.

 Delvaux gebruikt in zijn doeken vele soorten licht, in de schemering. Een olielamp op een terras, een straatlantaarn met gaslicht, vensters waarachter elektrisch licht schijnt. En daarbij, gietijzer, veel gietijzer.

 Ik zou weer naar Koksijde moeten gaan, naar het Delvaux museumpje met zijn verzameling isolatoren, de porseleinen bollen aan de houten masten aan het spoor waar de draden langs gaan.

Kopje thee

 Een kopje thee.is niet zomaar wat. Eigenlijk niets is zomaar wat. Dat leer je uit deze prent van Hokusai uit 1797: 'Het theehuis op de bergpas'.

 Met de berg Fuji op de achtergrond. En een tak van een bloeiend pruimenboompje rechts op de voorgrond, dat je vertelt dat het vroege lente moet zijn. Een vrouw van het theehuis serveert thee aan een reiziger die uitrust en daarbij een pijp rookt.

Tegelijk is het een werkplaats waar garen wordt opgeklost. Achterin de zaak hangt een kalender.

Hokusais zesendertig prenten van de berg Fuji uit de jaren 1820-1833 zijn voorzien van aanduidingen omtrent de weersgesteldheid. Zoals 'Een milde bries op een mooie dag' of 'Onweer onderaan de berg'. Zulke aanduidingen zul je bij Jan van Goyen of Rembrandt niet vinden, hoewel het bij hem zeker zoveel regent als bij bijvoorbeeld Hiroshige, met zijn brug in de regen. Japanse kunstenaars zijn tegelijk chroniqueurs.

De Kintai Brug kom nog.

Tags: 

Vorsten

 Heel zoetjes glijden we - wie dat ook mogen zijn - weg in een nieuw soort Renaissance. Dat ontdek ik lezend in Het boek van de hoveling van Baldassare Castiglione (1528), geschreven aan het hof van de Gonzaga's in Mantova.

 Waar ik kwam kijken op een dag dat alle luiken open waren voor een grote schoonmaak zodat je over het water kon uitzien en alle schilderijen in het licht hingen.

 En nu lees ik hoe het toegaat aan het hof van de goudverslaafde vorst Trump, met welke nieuwe gunstelingen hij zich omringt, hoe hij in zijn almacht aarzelt tussen oorlog of niet. En over de verwoede strijd aan het Britse hof, waar hertog Johnson zich omhoogvecht in de volksgunst.

 Castiglione: 'Aangezien vandaag de dag de vorsten zozeer zijn bedorven door hun slechte gewoonten en door hun onwetendheid en ongerechtvaardigde zelfoverschatting, en aangezien het zo moeilijk is hun inzicht te geven in de waarheid en hen tot deugd aan te zetten, en aangezien de mensen  met leugens en vleierij en meer van dergelijke kwalijke manieren trachten bij vorsten in de gunst te komen...'. Etc. Vertaald door Anton Haakman.

 Als een verstandig man als chancellor (minister van financiën) Philip Hammond zegt dat een Brexit zonder akkoord met de EU erg nadelig is, maakt dat geen indruk op Boris of het Engelse publiek. Die horen liever wat anders.

 De almachtige, vorstelijke regeerstijl wint veld, van Xi Jinping tot Erdogan en Poetin. Veel goud!

Jiang Hao

 Schreef dit 'Gedicht zonder gevoel' in het nieuwe, 'internationale' nummer 'Over de grens' van Tijdschrift Terras. Zou het? Lees:

 'O wat mooi

De ochtend is een vogel

De avond een gezonken vis

 

Je zingt met twee palmen omhoog

Zijn het vleugels of vinnen die heen en weer

flapperen op je rug?

 

Ik klap met mijn handen, ondanks dat mijn handschrift

als gevallen bladeren is,

heeft mijn teleurstelling me gered.

 

Ik zou graag dit lied voor jou op willen schrijven

ik krab zo bedachtzaam op mijn hoofd

terwijl er kleine bootjes verloren gaan

 

Mijn baard en armen zweven niet hoog,

ze zijn door de wind in de war gebracht en

uit de zeestraat van mijn wenkbrauwen

komt een mengsel van schuim en zand.

 

Je slijpt je tong,

krijgt een idee,

het is geen muis'

 

Haidianeiland, 29 augustus 2003

Daar woont nl. de dichter.

Vertaling Audrey Heijns

Pagina's