Geld

 Als eenvoudige bezorger in Montréal met bestelbus kom je in een bankoverval terecht waarin iedereen het loodje legt. En daar ligt de buit. Erg veel bankbiljetten in sporttassen. Wat doe je? Je hebt een studie filosofie voltooid, maar wat is wijsheid hier?

 Als je het geld zo laat liggen en je bestelronde vervolgt is de film vlug afgelopen. Of regisseur Arcand moet het verhaal van een dolende filosoof in Montreal tot een onderwerp maken.

Die heeft net nog een prachtig betoog afgestoken tegen zijn vriendin, over intelligentie die een mens niet baat in deze wereld, maar hij verveelt haar, ze zegt hem vaarwel.

En nu? Wat te doen met zakken geld? Niks voorbereid. Geen plan. Naar de hoeren? Hij wordt geadopteerd door een beeldschone prostituee.

Maar het geld? Hij gaat hulp zoeken bij boeven. Die weten van geld verstoppen.

Wat hem bevrijdt uit zijn dilemma blijkt tenslotte wat hij al deed, werken in een centrum voor daklozen. Het oude adagium van Willem Brakman: 'Als je niet weet hoe je verder moet, moet je terug.' En zo keert hij hoogst romantisch met het peperdure hoertje dat hij door het geld leerde kennen terug naar de thuislozenzorg. Vindt zij eigenlijk ook leuker. 'The fall of the American Empire heet de film dan. Tja, driewerf tja.

Lapis lazuli

De oude schilder Ben Akkerman leerde me in het Enschedese flatje waar heel z'n oeuvre stond (hij wilde alleen nalaten wat goed was) wat een lapis lazuli was, een blauwe steen uit Afghanistan waar men al eeuwen dure blauwe kleurstof uit maakt. Hij had er een, ik hield hem vast. Van Martin Reints kreeg ik de gelijknamige bundel gedichten van Lela Zeckovic, de vrouw van Hans Faverey (1933-1990), die vorig jaar stierf en in 1936 geboren werd in Zagreb. Tegelijk verscheen een kleine biografie ‘Een straat met kastanjebomen’, ook bij de Avalon Pers. Geboorteland:

 ‘U komt toch terug/ als u oud bent, om hier,/ in uw land te sterven?’

  Het is het sterfbed, Elvira,/ dat ik verafschuw. Waar/ moet zich zoiets afspelen?/ In welke kamer, in welk land,/ in welk huis?

  Ik strek mijn arm uit/ om een braam te plukken;/ en zo voorover gebogen/ over een stenen muurtje/ dat de twee wijngaarden/ van elkaar scheidt, hoor ik/ het geritsel in het hoog/ opgeschoten gras: een slang,/ een muis?

  Liefst sterf ik in een lege coupé/ van een trein die door een winters/ landschap raast.

  Ik zei: 'Ik weet het niet,/ ik weet het bij God niet/ waar ik sterven wil. Schenk ons/ nog wat in.'

Tags: 

De stad met maar een enkele bewoner

 Bevat de verzamelde gedichten van de Frans/Roemeense dichter en toneelschrijver Matei Visniec. Nog geschreven onder Ceaucescu, dus voor 1989, als 'alternatief voor het officiële denken'. Het is dus 'gecodeerde poëzie' zegt hij. Zoals blijkt in 'De zwemmer':

 'Er is een stad

die door niemand werd gebouwd

 

daar zijn straten waar nooit iemand heeft gelopen

daar zijn deuren die niet werden aangeraakt

daar zijn ramen waar je niet doorheen kunt kijken

 

honderd ligstoelen staan er overbodig op een rij

langs de steile rotskust

geen mes werd er ooit in de lucht gestoken

geen munttelefoon werd er ooit gebruikt

 

evenmin werd er ooit een geluid waargenomen

geen steen rolde re ooit van de berg

 

telkens wanneer de zwemmer de kust nadert

slaat de schrik hem om het hart

en kiest hij opnieuw het ruime sop'

 

Verschenen bij uitgeverij Vleugels, vertaald en toegelicht door Jan H. Mysjkin

In memoriam Dr.John (1941-2019)

 De muzikanten met wie ik optrok waren into New Orleans. Wat we in onze jeugd mooi gevonden hadden bleek allemaal uit New Orleans te komen. Uit Cosmo's Factory, de studio van Cosimo Matassa met z'n huisband waarvoor Allen Toussaint schreef en produceerde, van Mother in law tot Let the good times roll, Working in a coalmine en Tell it like it is.

 De Second line, dat was piano met blazerskoor. En nu zat Dr.John, die daar zoveel sessies had gespeeld in vol ornaat tegenover me in die tent op Kralingen en verkleedde zich. Buiten raasde het popfestival en ik vroeg hem naar zijn act als The Nighttripper. Je verkleden was voor een muzikant gewoon in New Orleans, Screaming Jay Hawkins deed het al en Professor Longhair. Ik vroeg hem naar de zijne. Het oude pak waar hij met wit en rood krijt verticale strepen op had gemaakt en bestrooid met pailletjes was van z'n vader. Z'n gezicht en kleren zaten ook onder de pailletjes en z'n hoofdtooi kwam uit de speelgoedwinkel. Naast hem zaten z'n twee zangeressen te giechelen, waarvan er eentje Shirley Goodman bleek te zijn, van Let the good times roll (1956).

Een avond later zag ik hem terug bij de live tv uitzending van vpro's Piknik, op de ruïne van Brederode. Daar kreeg hij eerst van de huisdealer een blok rode Libanon, dat hij met grote happen opknaagde. Zijn optreden leek te lukken. Maar na een liedje of wat ging hij over op een New Orleans‑parade, de traditie waarbij muzikanten in ganzenpas door de straten gaan. In dit geval verdwenen ze ‑ met flambouwen en al ‑ in het bos achter de ruïne, de microfoons vingen al snel niets meer op, de camera's zagen Dr.John in het donker verdwijnen.

Colette krijgt een kind

 Omdat ik niet echt kan lezen lees ik 'in' boeken, die opengeslagen om me heen liggen. Zo kan ik elk moment teruggrijpen naar 'De eerste keer dat ik mijn hoed verloor' met fragmenten van Colette (1873-1954), verzameld en vertaald door Kiki Coumans voor Privé Domein. In 1913 was Colette druk als journaliste, actrice en schrijfster en kreeg ook een dochter. Ze schreef 'Moederschap', dat zo begint:

 'Het kind dat ik laat kreeg - ik was veertig -, ik weet nog dat ik haar aanwezigheid verwelkomde met een bedachtzaam wantrouwen, en er aanvankelijk over zweeg. Het was geen fysieke angst, ik wantrouwde vooral mezelf. Ik was bang dat ik te oud was, dat ik niet in staat zou zijn een kind lief te hebben en te begrijpen of me aan het moederschap over te geven. De liefde had me - zo vond ik - al veel schade berokkend door me nu al twintig jaar exclusief voor zich op te eisen.

Het is niet mooi of goed om te veel na te de denken als je aan een kind begint. Ik was niet gewend veel over mijn toekomst na te denken, en nu leefde ik voor het eerst naar een precieze dag toe, terwijl ik daar ook pas vier weken van tevoren aan had kunnen beginnen. Ik dacht veel na en probeerde helder en redelijk te zijn. Intelligente katten zijn over het algemeen slechte moeders; ze zijn of te toegewijd of te onachtzaam. Ze slepen hun kleintjes bij hun nekvel overal met zich mee en een kuiltje in een fauteuil is een geriefelijk nest, maar de onderkant van het donsbed is nog beter, en misschien ligt het toppunt van comfort wel in de tweede lade van de commode.' (...)

Het loopt goed af, er komt een dochter, maar die wordt na verloop van tijd uitbesteed en zal zich door haar moeder verwaarloosd voelen. Kind of boek? Ze kende iedereen, van Proust tot Simenon, die haar zijn debuut liet lezen. 'Te literair,' vond ze. Dat nam hij ter harte. Je kunt niet genoeg Colette lezen.

Tags: 

Geur, smaak en tijd

 'Het water liep me in de mond,' Ik hoor het Johnny van Doorn nog zeggen. Niet dat hij een schrokop was, integendeel als hij zijn fameuze knoflooksoep bereid had was hij zelf de enige die er niet van nam: 'De kok eet niet.'

 Nu ik 'De taal van smaak' lees, het boekje van Reinier Spreen over 'Hoe je woorden vindt voor wat je ruikt en proeft' dat bij kleine uitgever Fusilli verscheen, komt het voor en na van eten me voor de geest. Over eten en koken wordt al te veel geleut­erd.

Een huis betreden waar het naar warm eten ruikt. En dan zeggen 'andijvie'. Dat is me genoeg. Ik hou niet erg van eten. 

En dan het naproeven, zelfs tot laat in de avond nog dat onuitroeibare smaakje: andijvie. Het is erger geworden, heel de stad ruikt 's zomers naar warm eten.

Proeven doe je vooral met je neus. Maar er speelt zoveel meer mee. De plaats waar je eet beïnvloedt de smaak. De textuur van het voedsel ook. 'Knapperig' is de laatste pakweg honderd jaar een voorwaarde geworden. Friet, de korstjes van bladerdeeg of kroketjes beïnvloeden ook de smaak. Het ideaal is krokant van buiten, waar je dan doorheen moet bijten om in de het romige binnenste aan te landen. Wat ook voor chocoijs geldt.

Spreen citeert Diane Ackerman die in 'A natural history of the senses' (1991) schrijft: 'Geuren kunnen in ons geheugen zachtjes ontploffen als landmijnen die zijn overwoekerd door tijd en ervaring'.

Mijn ontploffing was die in het zondoorstoofde, wrakke schuurtje van mijn grootouders. Ik ging er binnen en de onbeschrijflijke geur die daar hing. Een mengsel van uitgedroogde verfblikken, creosoot, consistentvet, vergeten Weckflessen en nooit gebruikte specerijen. De geur van de tijd.

Lichtenbergs nagels

 Nu zou je Georg Christoph Lichtenberg (1742-1799) een denker noemen, Professor in Göttingen en schrijver van 'Gedankenbücher', die ik erfde van mijn grootvader.

 'Als een mens zijn nagels niet knipt zouden ze vreemd, zeer lang worden en hijzelf daardoor voor allerlei handelingen onges­chikt die hem nu tot eer strekken. Deze verminking is dus onbetwistbaar van groot nut geweest. Ik heb daarom nagelbijten beschouwd als een instinct om je te ontwikkelen. Daarom bijt men op zijn nagels bij lastige kwesties of überhaupt bij een gewichtig probleem. Hoewel daardoor niet veel tot stand wordt gebracht, dan wordt toch het streven naar het volmaakte geoefend; dan stort zich de verzamelde energie, als ze er niet uit komt op iets anders.'

 En even verderop:

'Cartesius zegt in een brief dat men de eenzaamheid in grote steden moet zoeken en prijst daarom Amsterdam, waar de brief gedateerd is. Ik zie ook werkelijk niet in waarom het geroezemoes van de beurs niet even aangenaam zou zijn als het ruisen van een eikenbos. (...)

Brakmans perron

 Nu eind dit jaar Nico Keunings' biografie van Willem Brakman verschijnt zou ik wensen dat een paar van zijn mooiste romans herdrukt werden. Zoals bijvoorbeeld 'Een heiligverklaring'.

 Waarin de onaanzienlijke 'Oom Sjaak' van het Weigeliaplein door het Vaticaan wordt uitverkoren. De schrijver wisselt er brieven over met een Eminentie, onbetrouwbaar als altijd. Tussen leven en dood kom je onvergetelijke beschouwingen tegen als deze, over het perron:

'Wat het perron betreft, dat zie ik als een oord van begin en eind, van een eerste en een laatste. Op de borden heeft het er veel van of men daar ongedwongen van hot naar her vervoert, maar dat is schijn, want achter al dat klein vertrekken en ook achter het klein aankomen schemert de grote afreis met al zijn onzekerheden. Ik had er staan wachten met de zoon van oom Sjaak, was weer alleen en kon door deze overgang niet helpen daar een ogenblik bij stil te staan. Het spoorwegwezen beschikt over zeer veel ruimte en veel daarvan is gebruikt voor de hallen en de perrons, zoveel dat ik niet aarzel de grote suggestieve kracht en het onthullend vermogen daarvan te noemen. (...)

En dan gaat het over het wachten: 'Wachtenden staan onder hoge druk, zij worden gereduceerd tot zij die heel ergens anders horen, er evengoed niet hadden kunnen zijn, er in ieder geval spoedig niet meer zouden zijn, maar dan zo of ze er ook no­oit waren geweest...'

En verder en verder. Willem hield niet zo van treinreizen. Altijd bang dat de zijne midden in het weiland langdurig zou blijven stilstaan. Hoe verder op het perron? Raadpleeg Boekwinkeltjes voor 'Een heiligverklaring'.

Kees Ouwens en Kees Fens

 In de geleende maar in jaren niet teruggegeven bundel 'Klem' 1984) v­an Kees Ouwens (1944-2004) vond ik een uitgeknipte bespreking van Kees Fens. Klem is een bundel met veel fiets, veel lichaam, ik, binnen en buiten. Kees Fens had dit gedicht gekozen, getiteld 'Verve':

 'Ik was de geabonneerde op mijn lichaam alle seizoenen

 vroeger kwam een man

op zijn fietstassen het opschrift van mijn vorm

gezinsonderhoud besloeg zijn bril

zijn verve joeg op kwijting

overhandiging was vereffening

regen sloeg neer, papier doorweekte'

 Fens vindt de regel 'gezinsonderhoud besloeg zijn bril' schitterend. Wat denk ik ook iets over hem zegt. Mooi in zijn stukje is wat hij zegt over schrijven over poëzie. Hij probeert het gedicht te begrijpen. Lastig: 'Een regel past ook nooit precies op de interpretatie ervan, gelukkig, anders zou alle werk met die interpretatie gedaan zijn en de regel daarin opgegaan. Het nooit helemaal passen van lezing en gedicht maakt mede de fascinatie van poëzie uit.' Wat me hevig doet denken aan het mooie essay 'The hatred of poetry' van Ben Lerner dat dit jaar verscheen..  

Industriële ruïnes

 Wat bleef er van over? Van de enorme fabriekshallen, de machineparken. De mensen die er werkten? Hun verhalen. De Engelsman Tim Edensor schreef 'Industrial ruins'.

 En ik dacht aan Peter de Moes, de radiotechnicus die bij de Hoogovens had gewerkt. Daar kwam op een dag een nieuwe collega  die het hoog in z'n bol had. Hij kwam op een splinternieuwe racefiets. Nou, je begrijpt. Om zes uur pakte iedereen z'n fiets, maar hij kon de zijne nergens vinden. Na lang zoeken wezen de collega's hem naar de metalen spanten boven z'n hoofd. En daar zag ie z'n racefiets, vastgelast aan een spant. 'Nee, kapsones moest je daar niet hebben.' 

Edensor maakt mee wat ik in Essen en Saarbrücken ook meemaakte: de ijzige stilte waar eens de ritmische kolereherrie was waar de vader van Gerard Reve in de Twentse textiel zo doof van was geworden. De stank van verbrande olie, het naar mekaar schreeuwen. Verdwenen.

Edensor schrijft over de fantomen, de geesten van de ruïnes in die lege hallen. De resten van het volle bedrijf, een kapotte prikklok, een overall, een rubber laars.

Je kunt ruïnes restaureren, maar tot leven wekken zal niet lukken. Ze zijn dood. Wat vind je nog? Edensor vond een reclamekalender van zijn fabriek met mooie meiden die nog ergens vergeten hing.

Historici zijn weer bezig met de zg 'canon' van onze geschiedenis. Kan dit er nog bij?

Pagina's