Daniil Charms

 Het zou kunnen zijn dat je op en dag genoeg hebt van de schijnbare logica van verhalen en hun afloop in de trant van 'Krijgen ze elkaar?' Nu de verzamelde teksten van Daniil Charms (1905-1942) in vertaling van Yolanda Bloemen verschenen zijn kan ik verzinken in zijn on­gerijmdheden. Hoe rijmen losse eindjes? Bijvoorbeeld in 'De naar buiten vallende oude vrouwen.'

 'Door buitensporige nieuwsgierigheid viel een oude vrouw uit het raam, stortte naar beneden en was er geweest.

 Een tweede oude vrouw boog zich uit het raam om naar de verongelukte te kijken, maar ook zij viel door buitensporige nieuwsgierigheid naar buiten, stortte naar beneden en was er geweest.

 Daarna viel een derde vrouw uit het raam, toen een vierde, en een vijfde.

 Toen de zesde oude vrouw viel, had ik er genoeg van ernaar te kijken en ik liep naar de Maltsevskimarkt, waar naar men zei iemand aan een blinde een gebreide sjaal cadeau had gedaan.'

(1936-1937) 

Tags: 

Groot en klein

 De gevolgen van vergroten of verkleinen in de kunst zijn onpeilbaar. Vergroten was een tijdlang in zwang maar miniaturen kwamen er altijd, poppenhuizen, taferelen uitgesneden in ivoor. Beelden op meer dan ware grootte geven het belang, de macht van en koning of keizer als Kim Jong-il. Maar je kunt ook een drol vergroten. 

 Het kleine boeit me meer. Als kind had ik Fleischmann treintjes. Geen Marklin, o nee. Dat had een lelijk middenrail­systeem, en onder de rails het blikken talud. Kinderac­htig! Alles moest net echt zijn. Zo ook de Faller-huisjes en alle decorstukken. Tekenaars als Marcel van Eeden dragen het een leven lang mee. Geen wonder dat hij in Duitsland beroemd is en in Zwitserland woont. De geest van Faller!

 De eigenaar van een modelspoorbaan kijkt als God omlaag. En bestuurt de wereld. 

 Net als Marit Dik, van haar kreeg ik 'Hidden gems', een nog onuitgegeven boekje met afbeeldingen van haar miniatuur-diorama's. Complete voorstellingen met decors en per­sonages die zo in mijn Fleischmann-wagons zouden kunnen stap­pen. Fleischmann, tweerailsysteem, gelijkstroom. Wilde je de trein achteruit laten rijden dan had je een 'ompoler' nodig. Duur ook nog. Oom Wil maakte er zelf een voor me van een enorm onderdeel van godweet een gevonden oud elektrisch apparaat met een reuzenhandel. Een paar draadjes aansluiten en de wereld werkte. Mijn trein reed achteruit!

Tags: 

Vaste plaatsen

 Wanneer de opstelling van de schilderijen in een museum wordt veranderd, zoals pas nog in het Amsterdamse Stedelijk door Koolhaas en Ruf en in Boijmans door Carel Blotkamp raak ik in de war. De lichtval, wat naast wat hangt, ik ben eraan gewend. Het maakt deel uit van mijn schilderij.

 In het Mauritshuis werd mijn orde ook eens verstoord door het verhangen van het aan Hans Holbein toegeschreven portret van - volgens mij - diens vrouw, dat net tegenover het torentje van Rutte hing.

 Wie denkt dat je een schilderij zomaar kunt loshalen uit zijn vertrouwde omgeving begrijpt niet wat oude schilders en hun opdrachtgevers wel wisten. Er werden schilderijen besteld voor zeer bepaalde plaatsen in hun paleizen, waar het licht zo en zo viel.

 Het nieuwe Kunstschrift is een Rembrandtnummer, in ruimste zin. Tjebbe Beekman wandelt door het depot - wat al een grote ordeverstoring is - van het Haags Gemeentemuseum. Hij mag bedenken wat zijn favorieten zijn, maar raakt - geen wonder - de draad kwijt.

 Het binnenomslag van Kunstschrift geeft te denken. Links een foto van Brigitte Bardot aan het strand, die zicht baar instructies van een fotograaf opvolgt en poseert. En rechts Rembrandts badende vrouw, die omlaag kijkt naar haar spiegeling in het water. Beiden tillen met twee handen hun rok op. Bardot om haar been te laten zien, Rembrandt is geboeid door hoe de vrouw naar haar spiegelbeeld in het water kijkt.

Tags: 

Osdorp

 Lang heb ik geaarzeld met terug gaan, uit angst plotseling oog in oog te staan met een bekend gezicht. Toen ik eindelijk door de Haagse straat liep waar ik opgroe­ide was mijn eerste gedachte na wat rondspieden in de onherkenbaar geworden erkers van de rijtjeshuizen 'ze zijn allemaal dood'.

 Huizen blijven, mensen gaan. In de geest blijven mensen en plaatsen onverbrekelijk verbonden. Dat merk je bij het lezen van 'Tussen Andreasplein en Zwarte Pad', het jaarboek dat Fred Martin en Jan-Paul van Spaendonk nu al voor de vierde keer samenstelden over Amsterdam Nieuw-West. Met onder vele anderen verhalen van David Endt, Cathelijn Schilder, Henk Spaan en nota bene Wim Kok. En mijn verslag van het bezoek dat ik Gerard Reve in zijn Osdorpse flatje bracht.

 Ingrid Hoogervorst schrijft: 'Tot de jaren 60 diende de broekgulp slechts een functie. Om geen onnodige tijd te verliezen stak de eigenaar van het kledingstuk zijn geslacht door de geopende rits of knopenrij en plaste. Hups. Hij schudde de laatste druppel uit, veerde even dor de knieen en sloot de gulp. Klaar. Wat moest een vrouw in een broek met een gulp? Haar ogen zwaar opgemaakt stiefelde mijn zuster in haar zwarte broek met gulp door onze straat in Amsterdam-West. Ze zal een jaar of zeventien geweest zijn, haar hele verschijning zag er prettig verloederd uit, conform de kledingvoorschriften van het existentieel zijn. Van het existentie uitdrukken, van ja wat eigenlijk?' (...)

 Uitgave Stichting De Driehoek, Cor Hermusstraat 41, 1065 HK A‘dam www.driehoek.amsterdam

De Ronde

 Nog zit ik bij te komen van de Ronde van Vlaanderen. Hartkloppingen. Het naar binnen duwen van neurose-nootjes. Zou Mathieu van der Poel dan toch nog? In zijn eerste seizoen als wegrenner, na zoveel gewonnen ritten door de modder?

 Kort voor de eindstreep bleef hij langs de weg staan met een kapotte fiets. En haalde de achterstand niet meer bij. De Ronde van Vlaanderen in de zon, dat feest van wielertaal, kleurige shirts, kasseien, betonplaten en landschappen met z'n kerkjes, kerkhoven en kasteeltjes waarin heel het land elk jaar zichzelf viert.

 Koeien springen door de weiden terwijl de heilige plaatsen voorbij komen. De Oude Kwaremont, de Paddenstraat en de Berendries. Levende legenden voeren het woord, als Eddy Planckaert, Eddy Merckx en Patrick Lefevre, ook de rennersnamen zijn pure poezie: Tiesj Benoot, Tom Boonen, Briek Schotte. Wat doen ze tijdens de koers? 'Ze denken.' Dat samenspel van natte vingers, banddikten en schattingen van elkaars graad van uitputting.    

 Geen land waar je mooier met een camera overheen kan vliegen, om nog eens goed te zien hoe lelijk en dwaas rechtlijnig het onze is. Maar 'Een pak kleiner' natuurlijk, door al die landjes achter de huizen voor de patatten en tomatten op een roe' die Ivan Heylen bezingt in zijn 'De werkmens'.

 Een onbekende Italiaanse beginner won. Matthieu, de 'halve Belg' werd vierde.

Robinson

 Met Adriaan Morriën had ik eens een gesprek over zijn jeugd in de duinen bij Velsen en de mijne bij Kijkduin. 'Jongetjes,' zei hij, 'maken alle stadia van de beschaving opnieuw door. Ze bouwen hutten in bomen of onder de grond, ze proberen wat er eetbaar is in het veld en ze proberen vuur te maken.'

 Hans Fallada schrijft in zijn 'Zakelijk bericht over het geluk een morfinist te zijn' (1944), over zijn verblijf in de gevangenis: 'Een man die voor het eerst in de gevangenis komt is als Robinson Crusoë, die door een storm op een onbewoond eiland verzeild raakte.'

En dan beschrijft Fallada zijn martelgang om aan vuur te komen. Aan roken is hij ook verslaafd: 'Op een avond zat ik bijna wanhopig in mijn cel naar tabak te snakken, terwijl er vier of vijf sigaretten voor me lagen en het me slechts aan een vuurtje ontbrak. Plots sprong ik op. Mijn voorganger moest in de zelfde situatie verkeerd hebben als ik.'

 Hij doorzoekt de cel en vind op de plafondlamp een vijl, een stuk vuurst­een en een blikje met verschroeid linnen. Een tondeldoos! De hele nacht probeert hij vuur te slaan. Het lukt niet. Dan ontdekt hij dat je tabak ook kunt pruimen. Pas dagen later slaat hij vuur.

 In de duinen hadden Adriaan en ik de zelfde ervaring. We wisten van de vuursteen, kregen er zelfs een te pakken. Maar wat we ook sloegen, niks. Robinson Crusoë was een genie, en hij rookte niet.

Paradijs

 Op het gymnasium zat ik in de klas met een kleinzoon van Frederik van Eeden, Matthijs. Die zich onderscheidde door klassiek gitaar te spelen bij een schoolavond in de gymnastiekzaal en een spotvers van zijn grootvader voor te dragen, geschreven onder het pseudoniem Cornelis Paradijs:

 De Tachtigers rekenden namelijk af met de generatie dichter-dominees voor hen. Dichter-dominee J.J.L.ten Kate werd onsterfelijk door Van Eedens 'Grassprietjes of Liederen op het gebied van Deugd, Godsvrucht en Vaderland' (1885). Waarin deze passage:

'Maar Goddank! zingt nu cantaten...

Daar komt J.J.L. ten Kate!

Dankt den Heer met snarenspel

Voor Ten Kate J.J.L.'

 Wat Matthijs de bijnaam Thijsje Paradijs opleverde.

Met Mathijs liep het niet goed af. Er was een verjaarspartijtje bij hem thuis waar eerst de vriend van zijn moeder aanzat en daarna zijn vader, de zoon van Frederik, die nieuwslezer was bij de radio. Hij verdween weer vlug.

Ze waren arm. De moeder van Matthijs had bij gebrek aan geld voor flesjes limonade een rij oude melkflessen gevuld met aangemaakte Ranja en Rojo limonadesiroop. Daar trokken de gymnasiasten hun neus voor op. 

Later bezocht ik hem in Amsterdam in de Burgemeester Tellegenstraat en nog later in een inrichting bij Amersfoort, waar we moeizaam door een parkje wandelden. Niet lang daarna had hij zelfmoord gepleegd.

Busje komt zo

 'Busje komt zo' was een tijdlang de lievelings liedtekst van Wim Brands. Het is een antwoord op vele, zo niet alle vragen. Wat er ook gebeurt, dat busje komt.

 En 'zo' is taal uit het onuitputtelijke arsenaal van uitstel en geduld, waar nooit genoeg van is. Het 'even', het 'ogenblikje'. Inmiddels uitgebreid met 'dank voor uw geduld' en 'excuses voor het ongemak' (waar ook een liedje in zit).

 Ik vond het busje in de bundel 'En ieder zong zijn eigen lied' van Ton den Boon. Het busje is van het Sallandse duo Höllenboer en werd nummer een nummer 1 hit in 1996. Gerard Oosterlaar (die in de verslavingszorg werkt) schrijft de teksten.

 Ook van het liedje over twee verslaafden die op de methadonbus wachten die maar niet komt opdagen en dan tegen elkaar zeggen 'Het busje komt zo' en als de bus uiteindelijk wel komt opdagen ze er door onoplettendheid door doodgereden worden.

Gifbeker

 Pasen nadert en ik gedenk m'n vriend Jan Pieter Guépin, die in 2006 stierf na het voltooien van zijn roman 'De drie bedriegers, Mozes, Jezus en Mohammed'. Een verhaal tegen het monotheïsme, de godsdiensten van het ene, ware gelijk. Het gelijk waarvoor Jezus binnenkort weer onder luid applaus sterft in de Mattheus Passion.

 Dat had niet gehoeven, maar hij wilde het zo. De classicus en dichter Jan Pieter leerde me dat er in de oudheid twee invloedri­jke mensen leefden die stierven voor hun gelijk. Martelaren die hij zag als inspiratoren van het monotheïsme, de gesel waar wij nog steeds onder zuchten. Hun namen: Chris­tus en Socrates.

 Plato‑vertaler Gerard Koolschijn schreef: 'Plato's Socrates was niet het symbool van vrijheid van denken en spreken tegenover een onverdraagzame massa, maar de hooghartige belichaming van het beter weten.'

Socrates was de martelaar van Plato's gelijk, iemand die liever de gifbeker dronk dan te erkennen dat voor het standpunt van een ander soms ook iets te zeggen valt. Plato, die heel zijn leven besteedde aan het bestrijden van de democratie. Een groot kwaad!

 En dan Christus. Hij had het best op een akkoordje kunnen gooien met Pilatus, zegt Guépin, maar een compromis was voor hem ondenkbaar.

 En daar komt moord en doodslag van, leerde ons Jan Pieter, wiens hoofdfiguur keizer Frederik II na 1200 bevriend was met zowel Christenen als Mohammedanen, dit tot ergernis van de pausen

In opdracht

 Afgelopen winter schreef Wiel Kusters in Maastricht achtenveer­tig kwatrijnen. Naar zijn gevoel 'In opdracht'. Maar van wie? Ze gaan over verlies, over gemis 'dat bij vlagen missch­ien een beetje gecom­penseerd kan worden door de "ander"  in je zelf en in je taal te herkennen.' Je draagt de doden - want over hen gaat het - met je mee, praat met ze over wat onopgelost bleef. Korte ontmoetingen, genummerd in romeinse cijfers. Zoals deze:

 XLII

Zo'n dag dat alles ouder wordt maar deze

zin nog niet, hij is zo ongeschreven

dat je hem pas kunt lezen als ik hem

niet voltooi. Je moet wel blijven leven.

 

 XLIII

De wind heeft met die bladeren niets van doen,

ze vallen ook wel zonder hem naar toen,

gehoorzaam aan hun boom. Want kijk ze zijn

in hun afvalligheid nog dodelijk groen.

 

uitgave Leon van Dorp info leon@leonvandorp.nl

Pagina's