Gedicht

 De gedichtendag. Waaruit de vrees spreekt vergeten te worden. Zoals je vaders, moeders en dieren for granted neemt, tot stof ze on­zichtbaar maakt en iemand op een dag zegt hee, wat was dit ook weer? Zo kom ik deze tekst van Breyten Breytenbach tegen. Waarvan de titel - en daarmee de hele tekst - tussen haakjes staat. Zelden waren haakjes zo veelbetekenend.

 (waar geen schaduwen zijn)

  als de nacht stil is en overal aanwezig

onbevraagtekend wat beslist over elke kromming

elke nok en elke stam in deze totaliteit

waar geen schaduwen zijn,

als de nacht naar zout en zachte beweging ruikt

als alles oud is

buiten pissen in het park -

de maan daarboven te zien met haar dienstmaagd,

die ene met haar zilveren rok,

die ene die het duister vasthoudt als een sleep:

als het niet smeulend voor haar was die ruikt

naar zachte bewegingen en zout

dan zou de maan op haar donder kunnen krijgen

 uit: De zingende hand, keuze en vert. Laurens van Krevelen

Tags: 

De spiegel van Arp

 Van jongsaf leer je dat het gezicht dat je in de spiegel ziet dat jij dat bent. Geen twijfel mogelijk. Of toch? Immers, wie zegt dat jij dat bent en niet heel iemand anders.

 Zo werd Hans Arp bekropen door een niet te stuiten twijfel aan zijn spiegelbeeld. Zoals beschreven in het gedicht 'Het kind van een stip', uit zijn Logbuch eines Traumkapitäns (1965), te vinden in de bloem­lezing 'Zingend blauw', gekozen en vertaald door Antje Lohse en Ria van Hengel:

 "Hij weet niet hoe hij eruit ziet./ Voor de duizendste keer/ gaat hij voor zijn spiegel staan/ maar hij ziet zichzelf niet in de spiegel./ Hij heeft zichzelf nog nooit gezien./ Maar hij wil weten hoe hij eruitziet./ 'Hoe zie ik eruit./ Zie ik eruit/ als een grijze spin die een ommetje maakt/ die af en toe ten afscheid zwaait/ omdat hij met zijn lange tenen/ aan een kleverige luchtstrook/ blijft plakken./ Zie ik eruit als een stropdas/ die aan iets hangt./ Zie ik eruit als een krankzinnige wandelaar/ die aan één stuk door wandelt en meandert/ zodat zelfs de vrolijke beekjes/ zich voor hem uit de voeten maken/ ver ver weg/ naar de godsakker van de beken van zand en vloeib­laadjes.'/ Telkens weer gaat hij voor de spiegel staan/ in zijn spiegelzaal/ verbrijzelt spiegels zonder zichzelf te zien./ Hij huilt wanhopig:/ 'Zie ik er helemaal niet uit./ Ben ik onzichtbaar./ Ben ik een stip./ Ben ik minder dan een stip./ Misschien ben ik het kind van een stip/ dat voorgoed kind blijft./ Ja daarom zie ik mezelf niet in de spiegel.'/ Hij gaat weer voor zijn spiegel staan/ ademt erop en neemt hem af met een zeem./ Het helpt niets./ Hij kan zichzelf niet zien./ Hij begint luid te snikken./ Desperaat van hopeloosheid/ rent hij naar buiten./ Niemand ziet hem."  

Tags: 

Fatigues

 Je kunt de 'Vermoeidheden' van Tacita Dean, in 2012 gemaakt voor de Documenta, nu nergens meer zien. Het gaat over vluch­tigheid en ze was moe toen ze het maakte. Het bestaat uit zeven schoolborden, maar ja wat er op stond werd niet gefixeerd.

 Zoals de borden op mijn scholen elke dag meermalen werden schoongeveegd met de bordewisser, een handgreep met dik vilt eraan en een rode streep in het midden, verzadigd van krijt.

 Toch, er bleef in de haast altijd wel iets staan van een eerder opschrift.

 En als het echt niet meer ging kwam de spons. Prachtige momen­ten volgden, waarop het oppervlak ineens glimmend zwart werd.

 Een zwart dat na opdrogen toch de sponsbewegingen nog ver­raadde als een soort golven van de zee. Een zwart waarop het handschrift van de leraar in krijt prach­tig uitkwam. Een nieuw pijpje krijt uit de kast met leermid­delen liefst.

 Die sponsafdrukken brachten Tacita Dean op de zee, die ook elk moment verandert, zichzelf steeds weer schoonveegt.

 Op haar vijf schoolborden maakte ze aantekeningen met krijt over dit alles. Aantekeningen die nu weg zijn. Uitgewist door de tijd. 'Heel mijn werk gaat over de tijd,' zegt ze. Er resten wat foto's, bijeengebracht in een boekje van Museum Voorlinden.  

Tags: 

Call me by your name

 De voelbare landerigheid van een te lange vakantie met al­tijd mooi weer. Een buitenhuis van Amerikanen in Toscane, jaren '80. Een vader die archeoloog is, een zoon die componeert aan de rand van het zwembad. En dan diens ontluikende  homoseksualiteit. Bijna alsof die voortkomt uit het landschap.

 Te mooi, te idyllisch dat is de voornaamste handicap van de vlekkeloze film van Luca Giudagnino. En daarmee ook van de liefde tussen zoon des huizes Elio en bezoeker Oliver.

 De 17-jarige Elio noemt Oliver Elio en omgekeerd. Vandaar de titel 'Call me by your name'. Dat spelletje suggereert een intimiteit die verder in de film ontbreekt. Broeierigheid is eerder het woord. Wat de twee voor elkaar voelen meer dan vakantiegeilheid wordt ni­et duidelijk.

 De beste scene is die waarin Oliver op bed liggend een grote pruim open peutert, en zijn geslacht erin duwt. Hij komt klaar. Dan komt Oliver binnen en ontdekt het.

 Verder komt het niet. Het regent niet ene keer. Men stoeit, dartelt, wandelt en verbergt. Vader, die het wel door heeft, spreekt wijze woorden. En dat is het.

Van Oudshoorn droomt

 'J.van Oudshoorn en het mysterie van voorbij’ is de ondertitel bij de dagboeken uit 1934-1943, uitgebracht bij de Statenhof­pers. Met aantekeningen over zowat alles.

 Het raadsel van de tijd - zijn obsessie - keert weer in de herinnering aan de Leidse logeerpartij, waarbij hij steeds weer gelukzalig ontwaakt boven de winkeldeur van de familiebakkerij waar hij logeert. Wat meer is, zegt hij, dan een herinnering en waarin het verleden zich 'in een thans opwerkt'.

 En nu, een droom uit april 1940: 

 'Op een nacht in de stille mansarde met een schok ontwa­akt, meende hij dat het een dwingende roepstem geweest moest zijn, die hem zoo ruw had opgeschrikt en waarvan hij de echo ergens nog vernam. "Hij, die meende zich tegen het leven te kunnen beveiligen door tusschen zich en dat leven angstvallig een behoorlijke afstand te bewaren. Hij zie toe, wie hier thans overwinnaar, wie overwonnene heet". Onmiskenbaar was het dezelfde vreemde macht, die hem op die kade, vanuit een hinderlaag, had trachten aan te zetten om van de wallekant in het daar meters diepe water te springen. En wat nu?... "Hij die hier met verwilderde blik in het duister zit te luisteren, hij is het, die thans zich zelf enkel het allerergste te vreezen heeft!" Nog voor hij wist, wat hem gebeurde, was het tot een stomme knieval gekomen.'  

 Dan komt hij tot bezinning en schaamt zich. Hij, die sinds zijn kindertijd nooit meer gebeden had. Wat me eraan herinnert dat ik zelf eens in wanhoop heb gebeden. Tot een God, die ik ter plekke, op mijn zolderkamer uit de grond stampte. 

Tags: 

Spelen

 Nu het voetballen weer begint even dit: Nederland-België is afgelopen. De jongens hebben thuis geluisterd - televisie is er nog niet. Na afloop stormen ze allemaal tegelijk de straat op. Er is een bal. En dan volgt de rolverdeling.

 Japie roept meteen 'Ik ben Abe Lenstra.' En ik: 'Ik ben Cor van der Hart.' En zo door, tot heel het Nederlands elftal op straat staat en het wonder geschiedt: even zijn we die spelers echt, en spelen in oranje shirts voor denkbeeldige, juichende tribunes. 

 Acteren wordt niet voor niks spelen genoemd. Waarom, dat legt film- en theaterkenner Eric de Kuyper uit in zijn instructieve boek 'Het samenspel tussen Dr.Jekyll en Mr.Hyde'.

 Waarin hij zich keert tegen manierisme. Het doen alsof. En pleit voor het opgaan van acteurs in een fictieve wereld.

 De Kuyper beschrijft hoe zijn tante Jeannot hem voordeed hoe je naar het theater ging: het in een fauteuil in de zaal verzinken, de weg erheen door de straten van Brussel en de weg terug naar huis, heel het 'uitgaan' in al zijn facetten en lagen hoorde erbij.

 Mij overkomt het nog regelmatig. Na de eerste keer 'The remains of the day' was ik de butler geworden, bewoog als Anthony Hopkins en kon alleen nog denken in termen als 'als het mevrouw niet ongelegen komt'. 

Electra

 De griep woedt voort, en rukt me weg van het Flakkee van Maarten van der Graaf naar de Kettinghoeve van Oom Kees op Tholen. Die sinds de dood van zijn zoon de kerk voor gezien hield.

 'Winters schoot hij hazen achter de kool vandaan, en zo kwam tegen de kerst in Zutphen altijd een bloederig postpakket, waar een poot uit stak.

 Kees was rechtlijnig. Toen het electra Tholen bereikte weigerde hij als enige. De Kettinghoeve (1649) was de laatste aan de dijk, aan een hoek in de Oosterschelde. Gebouwd toen de stad Reimerswaal er nog stond. Daar bleven hij en tante Mien zelfvoorzienend. Alles ging er op accu's, stofzuiger en al, je sliep in bij een petroleumlampje. Het plan was dat hij op z'n tachtigste het bedrijf zou overdragen aan meesterknecht Maris.

 Dat mislukte Kees kwam zich elke dag bemoeien. Maris gaf het op. Pas op z'n 84-ste slipte hij met z'n brommer in de rails van de RTM. Hij heeft nog veertien dagen liggen vloeken in het ziekenhuis. En stierf als multimiljonair. Eens wees hij me over de polder en zei 'Da's allemaol van mie-e.'

 Een zomerdag. Boter kwam in een emmertje, aardbeien en frambozen net zo. Als een ei ouder was dan een dag kon Kees dat proeven. Hij wilde mij en mijn vader spreken. Mijn vader had groot ontzag voor hem. De vrouwen werden naar de opkamer gedirigeerd. En daar zaten we gedrie, ik net veertien. 'Moet je 'n sigaar?'

 Ik bedankte. Het kelkje jenever werd zonder vragen voor me ingeschonken.

 'En wat wil je worden? Toch geen schoolmeester zoals je vader? Daar zit geen verdienste in.' Nee, dat nooit, dacht ik toen al.

 'Architect,' zei ik. Het viel niet slecht. 

 ps. de RTM reed niet op Tholen, wel op 'Flipsland'. Onduidelijk is over welke de rails Kees nu slipte. Bietenspoor?

Eilanden

 Eindelijk verzonken in 'Wormen en engelen' van Maarten van der Graaf. En ontdekt dat hij van Goeree-Overflakkee komt. Of 'Flakkee' zoals ze in de Zeeuwse tak van mijn familie zeiden. Geen Zeeland, geen Zuid-Holland, er tussenin.

 Ik herken het geloof dat ik daar leerde kennen. Nadat Willem, de enige zoon van mijn verre oom Kees op het eiland van Dordrecht was doodgeschoten door de Duitsers is dijkgraaf Kees nooit meer naar de kerk in Tholen geweest. Onze Lieve Heer had zich niet aan de afspraak gehouden, zei hij tegen de dominee.

 Ook bij Maarten van der Graaf veel over dijken. Ik hoor Oom Kees zeggen 'd'n diek'. Oom Kees, die scheef liep, zoals ze zeiden 'als 'n krabbe'.

 De hoofdpersoon fietst naar het dorp dat Stad aan 't Haringvliet' heet. 'Dan zal ik ons huis binnenlopen, waarna de ontvangst volgt; de bewegingen de dingen die we zullen zeggen, omdat we dat zo doen. Met mijn moeder praat ik Flakkees. Al ik bij mijn vader ben schakelen we over naar Nederlands. Ik weet niet waarom we dat doen, maar we kunnen het dialect allebei zo goed verbergen. Dit huis van mijn moeder maakt een motoriek en een manier van praten in me wakker die ik nergens anders bezit, het gaat om hoe de woorden proeven, welk gewicht ze hebben.'

 En dan gaat het verder over de: 'Mensen die op 'het witte eiland' wonen, de bijnaam die drugsgebruik en -handel Flakkee  bezorgde. Mensen die Jezus afzweren en harddrugs vinden. Mensen die harddrugs afzweren en Jezus vinden. Mensen die Jezus en harddrugs combineren.' 

 God is nooit ver weg. Ik lees voort.

Colette

 De geluiden van een stille zomerdag, in een villawijk in Parijs: Passy, Auteuil. En dan voetstappen, 'Passen die haast als een lied klinken.' Beschreven in de bedachtzame precieze stijl van Colette (1873-1954). 'Kwieke, kordate en dansende passen.' En de vraag. 'Wie danst er zo vrolijk tijdens een wandeling?' 

 In de tekstenbundel 'De eerste keer dat ik mijn hoed verloor', het 'zelfportret in verhalen' dat Kiki Coumans van haar samenstelde en vertaalde leer je Colette kennen als waarneemster, schrijfster, maar ook journaliste - ze was tijdens de grote oorlog meermalen in Verdun en schreef erover - maar oog voor detail blijft haar gids en maakt dat je haar blijft volgen op al haar schreden. Wie komt daar aangelopen in Passy? 'Een jongeman? Nee, de hak draagt nauwelijks gewicht.'

 'Ik bereikte tegelijk met de opgewonden passen de hoek van de straat, en daar zag ik ineens een jonge weduwe voor me, een donkerharige schone met een haarband van witte crêpe om haar voorhoofd en wangen. De rouwkleding die ze droeg - een lange zwarte, naar achteren geslagen voile, een kasjmieren jurk en suède handschoenen - was gloednieuw en nog stijf, met de onpersoonlijke vouwen van een pasgekocht kledingstuk. Onder dit zwart, dat in de felle zon blauwig werd, liep de jonge vrouw als een in draperieën gehulde overwinning, en met een driftige hoofdbeweging schudde ze haar voile als een rasmerrie met wapperende linten. Er straalde zo'n onmiskenbaar geluk van haar af dat ze even haar pas inhield toen ze de weerschijn daarvan op mijn gezicht zag...(,..)

 (uit: 'Stille getuigen', 1923)

Tags: 

Broek

 Waar de spijkerbroek vandaan komt weet iedereen, van de goudzoekers die hun broekzakken vol goud verstevigden met ijzeren nagels. Maar waar komt de nauwsluitende variant vandaan die nu het straatbeeld beheerst.

 'Stretch is het woord'. Ik lees over de Franse revolutie, toen heel de Franse modescene naar Engeland vluchtte, ook trendsettende tijdsch­riften als de The gallery of fashion van Nicol­aus Wilhelm von Heideloff (vanaf 1794).

  De revolutie vaagde de korsetten weg, De empirestijl bracht mousseline - uit Engelse koloniën geïmporteerd. Het lijf was -  sinds de oudheid - terug.

  Maar wat toen bijna ongemerkt verdween was de mannenmode uit de Lodewijken-tijd. Weg de pruiken, borduursels en maillots.

  Wat overbleef in Engeland was de - aan de jacht ontleende - nauwsluitende bukskin - kalfslederen - broek a la Beau Brummell. Waarbij je nu blijft denken waar lieten ze hun geslacht, links- of rechtsdragend?

  De uitvinding van de gulp liet op zich wachten. Niet echt een verbetering. Welke man opent zijn gulp om te pissen? Onhandig blijft het.

Pagina's