Donker

 De donkere dagen voor Kerstmis vangen aan. Het gevolg is dat ik elke dag in het duister wakker word met een doorzeurend lied van vroeger, dat de hele dag niet uit mijn kop te jagen is. Vanmorgen was dat 'De witte vlokken zweven dooreen in veld en gaard, 't is of ze 'n sneeuwkleed weven, een lijkwa voor deez' aard'.

 Vooral die lijkwa en dat deez' aard' hebben me altijd gehinderd. Het gedicht leerde ik van de ene van de twee leraren Neder­lands op het deftige gymnasium, Dr. B.C. Damsteegt, een groot spellings­her­vormer, die in commissies zat en een bewonderaar van Werumeus Buning was - 'En de boer hij ploegde voort' - en die in de oorlog toetrad tot de Kultuurkamer.

 De andere Neerlandicus was zijn tegendeel. De Zuiderling A.B.M. Brans was dirigent van het schoolorkest en fan van Godfried Bomans. Inplaats van les te geven las hij de klas grote stukken voor uit Bomans' feuilleton Pa Pinkel­man en tante Pollewop. Zijn lievelingsverhaal was dat waarin het voetbal belachelijk werd gemaakt en de trainer voortdurend de zelfde spelers wisselde: 'Waarin hij aanleiding zag Siemkes wederom met Piemkes te verwisselen.'

 Van Lucebert of Remco Campert is door geen van beiden ooit met een woord gerept. Het was 1960. 

Tags: 

Leven? Of theater?

 In de titel zit het. Charlotte Salomon ‑ nu in het Joods Historisch ‑ stelde zich tegen het leven teweer met een eigen tragikomis­che versie van haar lot.

 Een familie met veel zelfmoorden ‑ oa. haar moeder ‑ een grootvader die haar misbruikte en een verhouding met de zangpedagoog Daberlohn die tegelijk de minnaar van haar stiefmoeder is. Hoe red je je hieruit? Charlotte Salomon sloeg aan het maken van gouaches, in Zuid‑Frankrijk waarheen ze gevlucht was voor de Nazi's. Zo ontstond haar getekende en geschreven levensgeschiedenis. Met de muziek die ze al werkend neuriede en die je erbij moet denken.

 De toon in de meer dan 1000 pagina's tekeningen en tekst blijft merkwaardig licht. Maar de feiten liegen er niet om. Het wonderlijke van 'Leven? Of theater?' is dat het gisteren getekend had kunnen zijn. Afgezien dan van de ‑ schaarse ‑  verwijzingen naar het Derde Rijk.

 De teken- of schilderstijl van de gouaches heeft veel van Matisse, maar doet daarbij in de combinatie met tekst soms denken aan nazaten als Jules Feiffer of Claire Bretécher. De dialoogteksten blijven droog.

 Charlotte heeft een klavertje vier geplukt voor Daberlohn en zegt: 'Dit heb ik voor hem geplukt. Men zegt dat het geluk brengt.' Dan mag hij een tekening uitkiezen. Hij kiest er twee, maar krijgt alleen 'De wei met de gele boterbloemen.' Hij wil ook de andere. Charlotte zegt: 'Nee, ik geef u alleen deze.'

 Daberlohn: 'Ik zou ook graag 'De dood en het meisje' willen hebben. Dat zijn wij met z'n tweeën.'

Charlotte Salomon

 Hoe vertel je je levensverhaal in tekst en tekeningen op - onhoorbare - muziek? In haar 'Leven? of Theater' doet Charlotte Salomon (1917-1943, Auschwitz) het, zo zwaar als het was, luchtig, langs de neus weg.

 In het Joods Historisch hangt het uitgestald, in boekvorm is het te krijgen. Verbazingwekkend zijn haar manieren om tekst en beeld tot een geheel te smeden, zoals in Middeleeuwse prenten met tekstlinten al gebeurt en daarna bleef gebeuren tot in de strips met balloons van nu.

 Salomon kan tekenen, ze kan ook schrijven. En dat op een heel filmische manier. Waarbij haar bizarre levensgeschiedenis - zelfmoorden in de familie - het scenario wordt van een verhaal waar alles in zit, van een gecompliceerde liefdesgeschiedenis tot slapstick, geschiedschrijving en literatuur. Leven wordt bij haar theater.

 'Leven of Theater?'. bestaande uit het Programmaboekje, het Voorspel, het Hoofddeel en de Epiloog krijgt de vorm van een complete voorstelling. 

 'Verstripte literatuur' zinkt erbij in het niet. Vorm en inhoud zijn een. 'Aus einem Guss' ontstaan. 

Op zoek

 De ouderwetse koffer die niet kan rollen bestaat nauwelijks meer maar in de Argentijnse film La novia del desierto (De bruid van de woestijn) speelt hij een hoofdrol. Eigenlijk is het een groot model reistas waarmee Teresa, die haar leven lang huishoudster was bij een familie vanuit Buenos Aires dwars door de woestijn op weg gaat naar een nieuwe baan.

 Die koffer, met al haar spullen, dat is ze zelf. Dat merk je als ze hem onderweg door het woestijngebied waar de hele film zich afspeelt, kwijtraakt.

 Op zoek naar haar koffer komt ze in onbekende werelden en ontmoet de marktkoopman in wiens camper ze hem liet staan. En die een oogje op haar heeft.

 De charme van de film zit in zijn traagheid, de vergeetachtigheid van de plattelandsbewoners. De levens waarin men meent zich iets te herinneren.

 Ergens halverwege geven de debuterende regisseurs Cecilia Aten en Valeria Pivato heel terloops weg hoe de vork in de steel zit door de grijze reistas van Teresa te laten zien op een bovenplank in de camper.

 Maar waar de film werkelijk om draait is het gezicht van Pauline Garcia dat laat zien hoe ze overvallen wordt door het nieuwe, onbekende, na een leven van dienst­baarheid. Zoals haar opeens kokette blik in de zijspiegel van de camper als ze een leven als vrouw van de marktkoopman overweegt.

 Maar nee, het loopt anders met de vrouw en haar koffer. 

Liegen

 Mijn eerste leugen weet ik nog goed. Ik zat, in Zutphen, met twee buurjongens op de stoep van het ouderlijke huis in de zon en had wat mijn vader afkeurend genoemd zou hebben 'het hoogste woord'. Het verhaal waarin ik me verstrikt had was dat ik een bootje had.

 Een bootje dat in het Twentekanaal lag. Ik zag het duidelijk liggen, aan de diepe oever. Met dat bootje zouden we gaan varen, zei ik. Henkie van Griethuizen onderbrak me ruw. 'Je liegt,' zei hij, 'je hebt helemaal geen bootje.'

 Nog voel ik hoe mijn hoofd warm werd toen ik uit mijn verhaal viel. Het was waar. Er was geen bootje. De jongens stapten maar weer eens op.

 Het nieuwe nummer van de Revisor gaat over liegen. Verzwijgen, fictie, zelfbedrog zoals het mijne. Mischa Andriessen haalt Baudelaire aan met: 'De grootste truc van de duivel was te doen geloven dat hij niet bestaat.'

 Schrijven is zoals men zegt 'de waarheid liegen'. Maar Andriessen schrijft: 'Doen geloven, daar draait het om voor mij en de boeken die ik het hardste afval falen daarin.'

 Zoals ik met mijn verzonnen bootje.

 En hij besluit: 'Zijnde niet gelovig opgevoed, moest ik opzoeken welke plaats de leugen tussen de zeven hoofdzonden heeft. Toen bleek dat traag zijn uit den boze, maar liegen niet zo'n dwaling is.' 

Apollinaire

 Guillaume Apollinaire (1880-1918) lezen is kijken naar de plaatjes die hij je voor ogen tovert. Geen toeval, hij had in de vroegmoderne tijd schilderende vrienden als Matisse en Delaunay. Zijn gedicht 'Verloving' droeg hij op aan Picasso. En dit, 'Oceaan van aarde', aan Chirico:

 'Midden in de oceaan heb ik een huis gebouwd/ De ramen zijn rivieren die uit mijn ogen stromen/ Overal over de muren krioelen inktvissen/ Hoor hun drie harten slaan hoor hun monden op ramen kloppen/ Vloeibaar huis/ Gloeiend huis/ Gezwind seizoen/ Zingend seizoen/ Vliegtuigen leggen eieren/ Opgepast we gaan het anker uitwerpen/ Opgepast we gaan inkt spuiten/ Het zou mooi zijn als u uit de hemel kwam/ De hemelse kamperfoelie klimt/ De aardse inktvissen pulseren/ En zovelen van ons zijn hun eigen doodgraver/ Bleke inktvissen in de krijtkleurige golven o bleekmondige/ inktvissen/ Rondom het huis is deze oceaan die je kent/ En die nooit stil is.'

 Apollinaire nam dienst in 1914 en kreeg een granaatscherf in zijn hoofd. Terug in Parijs bedacht hij het woord sur-realisme. Hij stierf aan de Spaanse griep.

 Kiki Coumans vertaalde een keus uit zijn 'moderne gedichten' onder de veelzeggende titel 'Het raam gaat open als een sinaasappel'.

 Ze behield zijn typografische experimenten, die Paul van Ostaijen later voortzette in zijn Bezette Stad.

Het Parijs van Sarah Hart

 Hoe zou je het best een stad kunnen beschrijven die je goed kent? Het antwoord vind ik in het boekje 'De straten van Parijs' van Sarah Hart, die in Ierland en Engeland opgroeide en op haar twintigste, zoals ze zegt, Parijs cadeau kreeg.

 Een geschenk dat ze 'twintig jaar mocht houden'. Ze beschrijft haar Parijs alsof ze er wandelt, van blikpunt naar blikpunt.

 Haar eerste keer was toen ze met familie, komend uit de Pyreneeën als het ware 'Parijs werd ingezogen'. In Frankrijk en ver daarbuiten leidden toen immers alle wegen naar Parijs.

 Ze woonde in de Rue des ecoles, samen met Rudy Kousbroek. En  schrijft nu over haar plekken daar. Zoals geschilderd door Caillebotte in 'Sur le pont de l'Europe': 'Met de man met de hoge hoed die is blijven stilstaan om door de enorme kruiselingse metalen steunbalken te kijken.' Je kijkt daar naar de treinen.

 Hoe begon haar wonen in Parijs? Alles goed, als het maar in het centrum was. Haar eerste kamer 'was oorspronkelijk misschien een kast geweest, maar toch eerder een toilet, halverwege de trap tussen de voordeur en de rest van de flat. De eigenaar van de flat had de meubels gemaakt, die allemaal tegen de muren konden worden opgeklapt als ze niet gebruikt werden (...). De kamer was net zo groot als het bed, plus net genoeg ruimte om deur open te doen: was je eenmaal binnen, dan moest je op het bed klimmen om de deur weer dicht te doen.'

 Er zijn 230 exemplaren van De straten van Parijs nu te koop  bij liefhebberswinkels. En, dit moet een begin zijn, ik wacht geduldig op het vervolg bij uitgeverij Fragment. 

Foto‘s

 Het laatste nummer van het tijdschrift Extaze gaat over foto's. Ine Boermans beschrijft erin hoe ze de levens van anderen binnendrong. Ze wilde weten welke foto's te intiem of mislukt waren om in een album te worden opgenomen.

 Ze pikte ze. koos een veel voorkomende achternaam en zei bij de fotowinkel dat ze het bonnetje van de familie De Boer of De Vries kwijt was. Liet ze elders afdrukken en bracht het rolletje en de afdrukken keurig terug. 

 En daar zat ze met andermans vastgelegde blikken. Zoals Sophie Calle hotelkamers van vreemden binnendrong, zo kwam ze in ongeposeerde, voor geen vreemde ogen bestemde werelden.

 Immers zodra er een camera in de buurt is begint het verschikken van haren, het trekken van zakkammetjes, het glimlachen. Daarom zijn foto's onwaarachtig. Denk aan het verhaal van Marilyn Monroe, die met een vriendin over straat liep en door niemand herkend werd. Waarover de vriendin zich verbaasde. 'Oh,' zei Marilyn, 'zal ik haar even doen?'

 Waarop ze haar loop en houding razendsnel omschikte naar de bekende poses. En onmiddellijk herkend werd.

 Mijn mooiste verwisseling had ik toen ik als vakantieklus de 8mm-filmpjes van kennissen moest kitten met mijn plakpers. Daar waren er vijf bij van een bezoek aan de bollenvelden en de Keukenhof.

 Helaas, verkeerde filmpjes gekocht, ze waren in zwartwit. Onvergetelijk werden de projecties waarbij de maker bij elk beeld geduldig uitlegde welke kleuren je zag. 

Bij de Bonzo ‘s thuis

 Het filmpje is er nog, Nienke Feis vond het. Het onderwerp dat ik met cameraman Hans van Genderen maakte voor vpro's Pik in 't is winter, in 1971 in een Londense buitenwijk bij robotbouwer Roger Ruskin Spear. Roger was bekend van z'n optredens met de Bonzo Dog Band, die ooit begonnen als de Bonzo Dog Dada Band, want ze kwamen van Arts School.

 Roger rende bij optredens met een schroevendraaier op de podia heen en weer tussen zijn altijd weigerende robots. Maar nu filmden we bij hem thuis en in de straat en er werkte veel.

 We zien stukjes van zijn Giant Kinetic Wardrobe, het Electric Leg komt voorbij en ook de Trouser Press, de broekenpers waar de Bonzos een hilarisch lied over maakten op tekst van Roger met muziek van Neil Innes. Neil, de muzikale leider, de man ook die me zo ernstig omhelsde toen mijn moeder gestorven was.

 Het laboratorium van Roger Spear laat zien hoe het in het voor-digitale tijdperk toeging: plakken, knippen en solderen, en alle letters met de hand schilderen. Geluid kwam uit cassettes. Een hoogtepunt tijdens optredens was de ellenlange oranje tuinslang met aan de ene kant een trompetmondstuk en aan de andere de beker, die Spear boven zijn hoofd rondzwaaide.

 De Bonzo's staakten de strijd een jaar later, van pure uitputting.  

 ps. Voor het filmpje zie Facebook of Vimeo..

Tags: 

Waar gebeurd

 Wanneer een verhaal zo dwingend wordt verteld dat je er helemaal in opgaat moet het wel waar gebeurd zijn. En zo gebeurt het omgekeerde. Eerst verzint een schrijver een imaginair land en daarna gaan de lezers zoeken waar zich dat bevindt.

 Ik lees erover bij Umberto Eco in zijn 'Geschiedenis van imagin­aire landen en plaatsen' (2013).

 Homerus vertelde van de reis van Odysseus, vast naar aanleiding van oude verhalen, en in 1976 kwam ik aan de Calabrische kust bij Tropea. Een bijna Engelse, steile kliffenkust. Het enige weggetje omlaag bracht me naar een smalle, kale keienvlak­te langs de waterlijn. En daar ontdekte ik waarom ze het daar de Sirenenkust noemen. Immers het geluid van de golfslag op keien wordt weerkaatst door de rotswand en daar ontstond het vreemde zangerige geluid, waaraan de kust zijn naam dankt. Ik denk dat geluidskundigen het een 'staande golf' zouden noemen.

 Homerus was blind, als verhalenverteller moet hij gevoelig geweest zijn voor geluid.

 Was het hier? Verkeerde vraag. Eco geeft een prachtig overzicht van de talloze gissingen naar de ligging van de plaatsen in de Odyssee. In het hoofdstuk over de Graal en het eiland waar hij te vinden moest zijn staat het antwoord van de Griekse dichter Pindarus: 'In de Chinese traditie kan het eiland, dat gelegen is aan het uiteinde van de Noordelijke landen, alleen bereikt worden door een vlucht van de geest.'

 Ook de graal is en blijft onzichtbaar en onbereikbaar. 

Pagina's