Paul Delvaux in de Kunsthal

 Niet eerder kwam een grote Delvaux tentoonstelling naar Nederland. Die nu in de Rotterdamse Kunsthal te zien is komt uit Marseille, in samenwerking met Elsene, Brussel.

 Nederland houdt niet van verhalende kunst, niet van surrealisme. Sinds De Stijl, Nul en Cobra is verhalen vertellen taboe. En Paul Delvaux is een dromer. Van meisjes, die rondwaren in een oudheid die uit z'n gymnasiumjaren stamt, tussen leven en dood, op stations, vaak. In een onwezenlijk licht dat soms uit vele bronnen komt, elektrisch, petroleum, gaslicht, kaarsen. En het Brusselse museum Spitzner en de raadselachtige meneer met z'n bril die uit Jules Verne vandaan komt.

 En dan zijn treinen, doodssymbool bij uitstek, geflankeerd door houten palen waar lichtbedrading aan hangt met talloze porseleinen isolatoren. En altijd een dromend meisje dat wacht op het perron.

 Er zijn er die Delvaux kinderlijk noemen. Bij hem is dat het grootste compliment.

 Nog wat. In geen tijden zoveel museummeisjes gezien als vanmiddag bij Delvaux. De Kunsthal rook naar shampoo. 

Tags: 

Opruimen

 De Zweedse Margaretha Magnusson schreef 'Opruimen voor je doodga­at', over het Zweedse gebruik döstädning. Dö is doodgaan, städning betekent opruimen.

 Ik dacht aan het kindergebod dat je wel mag spelen maar alles voor etenstijd weer opgeruimd moet zijn. Eigenlijk moet aan niets te zien zijn dat je er geweest bent.

 Huizen overleven mensen en worden weer betrokken. In het huis uit 1890 waar ik woon hebben glas-in-lood makers gewo­ond en gewerkt die nu dood zijn. Er zijn sporen van een binnenbrandje. Niet alles kun je uitwissen. 'Opgeruimd staat netjes' zegt men als een ongewenste gast z'n hielen heeft gelicht.

 Boeken zijn het moeilijkst. Weggooien doe je niet. Er stijgen stemmen van schrijvers uit ze op. Het is moord. Zoals uit voorwerpen ook die van vorige bezitters.

 Magnusson zegt streng: 'Opruimen voor je zelf doodgaat kan heel moeilijk zijn. Je bent immers nog niet dood... Maar je kunt in elk geval vast beginnen met opruimen.'

 Dan komt het kleiner moeten gaan wonen. Het beslissen wat wegkan. In mijn vorige huis betrok ik een zolder die ontruimd moest voor de verbouwing. Het lag er vol, met sinds de oorlog bewaarde kolenzakjes, afgeknipt mensen­haar in papieren zakken, en restjes gestold vet in een grote glazen pot. Dat werden drie containers. De buurman zei: 'Je weet hoe het is er komt van alles de trap op, maar er gaat niks meer naar beneden.'

 Het woord 'uitmesten' valt bij Magnusson. Ze geeft ook tips. Begin niet met foto's, brieven en persoonlijke documenten, want je verzinkt erin en komt niet verder.   

De maan Europa

 Migranten zijn buitenaardse wezens. Van welke planeet is niet duidelijk. Jupiter heeft vele manen. Een van de grootste heet Europa.

 Onder de Syriërs uit Homs blijkt een keurig als een der onzen uitziende jongeman die aan de grens wordt doodgeschoten toch een alien. Deze Aryan blijkt de zwaartekracht te kunnen opheffen, te kunnen vliegen, is een engel. Hij staat op uit de dood. De eerste keer zie je dat als zijn bloeddruppels als in een ruimteschip rode balletjes vormen die om hem heen zweven.

 Zo ontstaat een variant van het Christus-verhaal. Immers, deze engel weet niet dat hij een engel is, hij begri­jpt niet wat hem overk­omt.

 En hij is net zo bang als iedereen. Hij is geen Superman, al zweeft hij soms boven de stad. Een boodsch­ap heeft hij ook al niet, of het moest zijn dat we 'meer naar boven moeten kijken'. Hij zoekt alleen zijn meegevluchte vader.

 De boodschap is verder dat Hongarije door en door corrupt is en alles inzet om migranten te weren, die natuurlijk criminelen zijn. Maar een en­keling is van goede wil. Dokter Stern, die hem heeft zien vliegen.

 'Jupiters moon' is een rare film, zwevend tussen strip, slapstick, sociale kritiek en religie. 

Ondine en duParc

 De Kapellekensbaan tussen Erembodegem, waar Louis Paul Boon in 1979 stierf en Aalst, waar hij in 1912 geboren werd, heette niet altijd zo. Hij werd hernoemd naar het boek van Boon (1953).

 Het boek over Ondine, die verliefd werd op meneer Achille Derenancourt, direc­teur van de garenfabriek, de fabrique de filature. Ik las het jaren terug en reed langs de kapel en de muur, waarachter de fabrieken lagen en die Boon op de naam Ter-Muren bra­chten. En langs de bouwval van de kousenfabriek 'duParc' van de familie Bosteels. De grootse werkgever voor meisjes en vrouwen in de buurt. Het kon niet anders of dit was het decor waar Boon meneer Achille en Ondine dacht. De mooie Ondine, dochter van cafébaas Vapeur, die zweeft tussen armen en rijken. Ook de duivelskamer der Heren rees op.

' De wereld was een huis, dacht ondine... en in de beste-kamer woonden de heren, en in het achtergebouwtje naast de vuilbak woonde het volk van termuren... of neen, ter-muren zelf was de vuilbak, en haar plaats was daar niet: zij kon zich best in het salon naast meneer achilles zetten - of dan desnoods naast meneer ludovic, want het zag er naar uit of hij bleef recht op haar hebben (...)'

 In 1949, leer ik, werden Cotton‑machines gekocht voor de nieuwe nylongarens. Op deze Cotton‑machines werden nylonkousen met naad vervaardigd van steeds fijner wordend 'denier', de graad van fijnheid van garen of vezels.

 Bonnetterie Bosteels-De Smeth, in breigoed, ooit begonnen met gebreide handschoenen, is niet verdwenen, de modieuze nylons en panty’s worden nu in Roemenië gemaakt. In de jaren '60 werkten er nog ruim 600 mensen en was 'duParc' marktleider in België. 

Tags: 

Dwalen met Van Oudshoorn

 Het leesplezier van dagboeken, echte, die niet bestemd waren uitgegeven te worden, ligt erin dat bijzaken zomaar hoofdzaken kunnen worden en vice versa. Omdat de schrijver, in dit geval J. van Oud­shoorn ook maar uit een vreemde aandrang noteert wat hem opviel. Een manier van bestaan.

 In het uit vijf schriften afkomstige dagboek 1934-1943 dat de Statenhofpers uitbracht is de chronologie onduidelijk. Hij zal er later weer dingen tussen geschreven hebben. Maar dit moet uit 1939 stammen, de oorlog nadert. Steeds staat er een titeltje boven de aantekeningen als:

 Dit leven

  treft dus doodelijk. Dat is ook de algemene opvatting. Zoo is het een doodelijk wapen. En gaat gevaar eerder van het leven uit dan van den dood. En het heet: zich tegen het leven beveiligen = Het niet al te serieus en liever als een begin pas van een begin op te nemen = Zoveel mogelijk aan den ingang ervan te blijven vertoeven om er, als aan de zoom van een woud, de algemeenheid van te savoureren. =

 Luchtbeschermings-

  voorschriften. Wanneer er een bom in bed valt, moet die verwijderd worden. Liefst naar een buurman In geen geval er rustig mee verder slapen =

 Veel dromen ook. Zoals deze:

  Droom.

 als geheel. In droom valt een juffrouw voor een rijdende tram. Bij de omgeving niet de minste consternatie. De menschen weten dat het om een droom gaat; zij zelf slechts droompersonnages zijn = De droomsubstantie een besloten sfeer. Eenheid = 

Rudy en Gerard (3)

 Bij een uitgeverij waar een boek van een weder­zijdse bekende werd gepresenteerd trof ik Rudy Kousbroek op een bankje in de gang. 'Ja,' zei hij, 'ik versta er toch niks van.'

 'Ik ook niet,' zei ik, en liet hem mijn hoorapparaatje zien, dat lang niet genoeg hielp om te volgen wat binnen werd voorgedragen. Het interesseerde hem zeer, want hij wilde zoiets hebben voor zichzelf, maar ook voor zijn stokdove oude moeder. 'Het is erger dan blind,' zei hij. 'Ze denken namelijk dat je gek bent als je iets niet verstaat.'

 'Ja, je kunt maar twee keer vragen "wat zeg je", zei ik. 'En of ze willen articuleren helpt ook niet. Dan gaan ze eerst tegen je loeien en vergeten het weer binnen vijf minuten.'

 Daarna kregen we het over de onhandigheid van hoorapparaten. De luidsprekertjes zitten weliswaar in de oren, maar de microfoon­tjes op idiote plekken, vlak achter het oor. Terwijl, zei ik, je een microfoon juist onder de neus van de spreker moet houden. Nu krijg je allerlei ruis en lawaai van de akoestiek in de ruimte mee. Conclusie: Rudy's moeder zou een klein recordertje moeten krijgen met een Sennheiser microfoon die ze op haar gesprekspartners kon richten. 

 In zijn brieven 'Seks natuurlijk, maar vooral orde' vertelt Rudy aan Gerard Reve hoe hij bij de KNO-arts in 1982 overweegt of er een verband is met 'de 48 oorvijgen die ik op mijn tiende of elfde heb ondergaan', op het Indisch internaat. Bij mij was de vraag of al die popmuziek de schuld was. Ook niet.  Bij allebei was het denkelijk erfelijk.

 Gerard Reve vond het ('klein gebrek geen bezwaar') geen punt. 'Doof is niet erg, Ja, een kale jongen kun je overal krijgen.' Hij ried me aan een ovalen plaatje op het achterspatbord van mijn fiets te laten monteren met 'SH' (slechthorend) erop, wit met rode strepen, zoals vroeger. Maar dat bestond niet meer.

 Rudy besluit een brief zo: 'Binnenkort meer. Nu moet ik mijn oude, dove kop gaan wassen, om er straks niet al te weerzinwekkend uit te zien als Sarah thuiskomt. Treur niet en tot binnenkort.'

 ps. Bij dit alles nooit vergeten dat de term ''Katholieke dieren'' oorspronkelijkbij van Rudy Kousbroek kwam! 

In zwart Nazareth

 Een man komt aan op het station in een kleine stad. In de tijd dat men nog per trein naar een provinciestad reisde 'voor zaken' en daar zijn intrek nam in het eerste het beste logement.

 Dat is wat tekenaar Marcel van Eeden hem laat doen in zijn beeldverhaal Circus Henny, nu te zien in het Stedelijk Museum van Schiedam. En dan eten. In een stad waar een circus in aantocht is.

 Marcel daalt in het verleden af zoals in al zijn werk, als in een onderwereld. Je wilt erin, legt hij op de begeleidende video uit, maar dat kan niet. Al komt hij met zijn tekeningen gebaseerd op oude foto's heel ver, dat verleden, er in kun je nooit. 

 Hij probeert het te ontsluiten met verhalen. Die hij eerst tekent en waar hij dan teksten bij vindt, uit literatuur van toen. Zoals nu uit Marsmans 'Tempel en kruis'. Daaruit stamt de wijzerplaat zonder wijzers, het 'vliegwiel van de tijd'. F.Bordewijk werkte er en noemde Schiedam in zijn roman 'Verbrande erven' zwart Nazareth. Ja, Jenever brand je.

 Marcel van Eeden maakte Schiedam tot hoofdpersoon van een hecht beeldverhaal. De zwartgeblakerde stad met zijn schansmolens als wachters en talloze jeneverstok­eri­jen waar het loon vaak in jenever werd uitbetaald.

 Circus Henny. Ik kan liet nalaten in de reiziger die de stad aandoet een tekenaar te zien. Die waar hij gaat circusvoorstellingen veranstaltet. 

Rudy en Gerard (2)

 Waarom schreven Rudy Kousbroek en Gerard Reve elkaar brieven? Rudy's aandeel is er. Van dat van Gerard nog maar gedeelten. Bijna iedereen, man of vrouw, werd verliefd op Gerard. Het is ook tussen Rudy en hem een liefdesgeschiedenis, anders kan ik het niet verklaren.

 Rudy bewonderde in Gerard vooral de romanschrijver die hij zelf niet was, al deed hij veel pogingen. Hij bekende me eens dat hij over de Japanse bezetting de roman 'The enemy' schreef die door Amerikaanse uitgevers werd geweigerd. Het leek wat op Ballards 'Empire of the sun', waarin een Engels jongetje in Shanghai de Japanse bezetters bewondert, zoals Rudy dat deed op Sumatra.

 Wat Rudy tegenstond was Gerards bekering tot het katholicisme. Hij ziet denk ik niet hoe bij Gerard geloof en literatuur een geheel vormen en gaat er met de traditionele argumenten tegenin. Vroeg of laat zou volgens Rudy het mysterie, het wereldraadsel wel door de wetenschap worden opgelost.

 Toch was Rudy, in Reviaanse termen, wel degelijk 'katholiek'. Zijn irrationele dierenliefde getuigt daarvan en zijn karper die zich liet liefkozen was in Gerards termen zeker een 'katholiek dier'.

 Veelzeggend is dan Rudy's brief van 11 februari 1979, in de tijd dat Reve psychotherapie onderging bij Jan Groothuyse. Waarom? 'Ik zou zo met je willen ruilen, jij mijn gevoelens en ik de jouwe. Zo lijkt het mij tenminste, maar mijn gevoel voor eigenwaarde is op zijn laagst en ik weet eigenlijk niet met wie ik zou willen ruilen.' 

Rudy en Gerard (1)

 De brieven van Rudy Kousbroek aan Gerard Reve zijn er, Gerards aandeel in de briefwisseling is bij Joop en komt nog wel. Rudy was een bewonderaar. Hij vond Bezorgde Ouders Gerards mooiste boek.

 Ik heb veel radioprogr­amma's met ze gemaakt. Rudy deed onder meer mee met Music-Hall en zijn deel­name aan de lange afsluiting van de serie over Phil­ips-Holland Indië was memorabel. Met Gerard nam ik De Avonden op, en een keus uit zijn gedichten met toeli­chting.

 Rudy en ik kregen het over 2CV's, R4's en sloperijen. Toen ik eens moest bekennen dat ik een nieuwe kleine Peugeot had gekocht zei hij 'laten we afspreken dat jij altijd in een 2CV rijdt.

 Ons eerste contact ging over de Zingende Honden. Hij had geschreven over de diepe ontroering die hem beving. Ik kende Don Charles and his Singing Dogs en stuurde hem een kopie van het epeetje. Daarbij moest ik uitleggen hoe Charles een verzameling hondenblafjes op verschillende toonhoogten had vastgelegd op geluidsband en aan elkaar geplakt, waarna hij een orkestje het resultaat had laten begeleiden. Dan hoorde je Oh Susannah gezongen door een hondenkoor. Weer schoten Rudy de tranen in de ogen. Die combinatie van techniek en emotie was hem ten voeten uit. 

 Het zelfde gebeurde toen hij mij zijn katapult, gemaakt van een Bahco, demonstreerde. We schoten ermee op bomen in zijn Leidse tuin. En raak. Goeie katapult.

 Toen Gerard eens tijdens een nachtelijke wandeling in Frankrijk pesterig vroeg 'waarom zingen de vogels zo mooi, denk je?' en Rudy de vogelzang haarfijn uitlegde zei Gerard 'Welnee, om zijn Schepper te loven natuurlijk'. 

 ps. Dit laatste uit het hoofd, waar stond het ook weer? ps2. Het gesprek wordt vermeld in een brief aan Rudy, opgenomen in 'Zondagmorgen, zonder zorgen' en in ''Het boek van Violet en Dood'. 

Na de hurricanes

 Mijn eerste single van Fats Domino was 'Ain't that a shame' (1955, ik was elf­). You made me cry/ when you said goodbye/ ain't that a shame/ my tears fell like rain'. Helemaal geen rock'n roll, geen elektrische gitaarsolo. Wel het eerste liedje dat John Lennon leerde spelen.

De zacht swingende muziek van Fats, zijn zangtiming, verlieten me nooit meer. Pas na jaren ontdekte ik dat het geluid uit Cosmo's Factory kwam, van Cosimo Matassa in New Orleans. Van de huisband, met als producer Dave Bartholomew, New Orleans pop bestond uit een stem, een piano en een blazer­skoor. De ritmiek was die van de second line. Vraag en antwo­ord.

 Behave Fats namen lokale sterren als Lee Dorsey, Ernie K-Doe, Irma Thomas met de band op. Allen Toussaint arrangeerde. Maar Fats, begonnen in 1949, was de eerste en de beste.

 Fats zelf heb ik nooit gesproken. Jan Donkers wel die hem een jingle liet zeggen voor ons radioprogramma 'Hello people, this is Fats Domino, reminding you to always listen to the Joe Blow Show'. Dat was 1970.

 De laatste jaren overleefde hij de hurricanes die over New Orleans kwamen.  Platina platen gingen verloren. Hij ontving George W.Bush, want iedereen kent Fats Domino.. 

 Ik gedenk ook mevrouw Hélène van Liempt-Ackermann, voor­zitster van de Nederlandse fanclub, die hem menigmaal bezocht en een boek over hem schreef. Verscheen er een stukje in Hitweek of Aloha over Fats dan kwam er een brief van haar.

 Het weerkerende gerucht was dat bij al zijn optredens heren van de mafia aan de kassa de opbrengst afwachtten. Fats had veel ringen maar ook speelschulden.

Pagina's