Singer verbouwd

Het Singer Museum in Laren is klaar. Vanmiddag gezien. De verbouwing van het complex is anders dan bij bv. het rampzalige Amster­damse Stedelijk een ver­betering.

 De tentoonstelling van nu geeft zonder veel ophef een beeld van de wederopstanding van de Nederlandse schilderkunst in de jaren 1870-1940. Met verrassende bruiklenen uit particulier bezit van Breitner, Isaac Israëls, Leo Gestel, Elsa Berg en Jan Sluijters. Die je laten zien dat in Nederland niet klakkeloos werd nagevolgd wat in Parijs gebeurde.

 De 'Amsterdamse impressionisten' genoemde Breitner en Isaac Israëls gingen hun eigen weg. Ze zochten het niet in kleur, waren veel meer tekenaars dan menige Parijse grootheid. En tegelijk lieten ze de verf het werk doen, zodat je soms een halve zaal achteruit moet lopen om de werking te zien.

 Ook Leo Gestel blijft een ongedurig geval apart. Hij heeft zowat in alle stijlen gewerkt, maar een Parijzenaar werd hij niet.

 Er ontstond in die jaren na de Haagse School iets eigens, het echtpaar Singer zag dat en kocht het.

 Het museum is gebleven wat het was, een huis waar je op visite komt.

Lange broek

 Mijn eerste lange broek was een groene corduroy plusfours, die ik kreeg in Eerbeek op de Veluwe, waar jongetjes overalls droegen, ik tot dan toe ook.

 Het drama openbaarde zich na de verhuizing naar Den Haag waar ik de enige was in plusfours, die daar drollen­vanger heetten. Ik was net zo belachelijk als de broertjes Joop en Henk in Het taaie ongerief van Theo Thijssen - nu terug te vinden in de dundruk uitgave van Van Oorschot 'De zwembadpas'. Ook hun eerste lange broeken zijn gekocht door een moeder die niet begrijpt hoe een jongen er bij moet lopen.

 Ze staan als volgt beschreven uit de mond van tante Daatje, tijdens de nieuwjaarsvisite: "'t Zijn volslagen diamantslijpersbroeken, nauw aan de knie, wijd van onderen. Ze had uit d'r ogen moeten kijken. Dat ziet toch iedereen, dat zijn geen broeken voor die jongens. U hoorde toch wat Hein direct zei? 't Is bespottelijk.'

 Nu zou je zeggen bell-bottom. Er is een 'griezlig gewapper om je benen.' De jongens weigeren ze te dragen. En Moeder? Die laat ze verdwijnen.

 Mijn broer en ik durfden dat niet, we lieten onze plusfours zakken tot het elastiek op de schoenen hing en zie, er kwamen winkelhaken, na een klimpartij over prikkeldraad. Het terlenka tijdperk was aangebroken. 

Huizen

 Ik ben geen junk geweest, nochtans lees ik Jotie 't Hooft (1956-1977). De verzameling Junkieverdriet werd opnieuw herdrukt. En de vraag rijst, al lezend, of ik dat wel kan lezen. Immers, hooguit weet ik iets van de omstandigheden waaronder. Zijn werk stamt uit de vuile tijd.

 Dat de huizen vuil waren, de huizenrijen vol gaten en autowrakken. Niets geschilderd sinds de bouw, alles zwart van fabrieksrook en afgeschilferd. Zeker in Gent. Hoe wie zijn shots krijgt daarbij zijn verstand bewaren kan en heel precies de woorden vindt voor wat hij is en ziet, dat bevreemdt het meest. Dit is Huizen uit het vroege 'Oogsttijd':

 'Huizen, lange aaneengesloten rij/ Huizen van verleden, ver en nabij/ Maar allen gevuld met duister/ Aan ramen klevend waar ik luister:

 Aan een huis langs water, langs riet/ Waar ratten zitten, waar wij samen/ Waren, waar wij hoopten op verschiet./ Huis vol schaduw nu, vol namen.

 Verdieping in een grootstad, vol/ Van een enkele geur: mijn pijn./ Huizenzwam van mijn jeugd/ Vol roddel en woordenloos venijn

 Tot stad aaneengekleefd./ Een klein huis aan de rand ervan/ Waar ik wisselvallig heb geleefd/ En dat ik altijd vinden kan

 Ook nu elk ander pad verdwenen is./ Klein huis, wanneer ik terug kom/ - Dat is: misschien, en dan te laat,/ Beschaamd, berooid, met stille trom 

 Zal, doorheen dodenmist en as,/ in de lage kamers iets nog/ Mij herinneren aan wat was?'

Tags: 

Het middagdenken van Sasja Janssen

 Het wintert, de insecten komen binnen schuilen. Wie wil weten waar het leven zich werkelijk afspeelt moet bij Sasja Janssen zijn, in haar nieuwe bundel 'Happy'. Bij de Amsterdamse Sloterplas bijvoorbeeld. Volg de dagen van de Alfahulp:

 'In de eerste keuken van die dag schuur ik het gele vet/ van de tegels, wat geheid het hele zomerrantsoen van twee/ uur kost, maar de vrouw stoot me steeds aan zodat ik tussen/ haar lamellen gluur, ik zie mijn fiets alleen staan. Binnen schemeren de rode lachjes op elke stoel en/ vensterbank, sommige poppen ongekleed, hun romp van stro/ een distel in een porseleinen babyhoofd, geen enkele/ hulp wil vast bij haar, wij hopen op jou.' En zo door.

 Samengevat in de Ballade van de Eendagvlieg, waaruit: 

 'En daar, met het middagdenken de kamers uit/ dat kiert tussen meisjes met Vikinghuid/ de vlieg, ze zwemt de lucht vol stroop./ Kijk toch, die benen omhoog, handen in hun zij/ ze ziet een page onder zich, maar vooral haar als kransen/ zandvoeten en onderbroekjes bloot/

 best zacht, maar nee haar bolle ogen weg/ van dat gekooide gras, van bloemen die geen bloemen/ ooit ajuin ooit prei, maar vandaag prinsessenbollen vol lila brein./ Wij verwelken niet, zoemen om meisjes die eeuwig/ kirren, heimwee maken naar wat komen moet. Ineens valt het stil, er loert iets, de uren sterven te/ rap het middagdenken uit de enige middag kwijt.'

(...)

The Square

 Kunst en werkelijkheid. Altijd weer moet er iets 'onderzocht' worden, vaak wat die twee met elkaar te maken hebben. En dan - hou je vast - moet het 'schuren'.

 Anders is het niet relevant. En dus probeert een curator performances al la Abramovic of Sophie Calle uit op het publiek in Stockholm.

 Het begint onschuldig. Gruwelijke hoopjes symmetrische rotzooi a la herman de vries - onder een semi-diepzinnige, Stedelijk-achtige lichtreclametekst - worden opgezogen door de schoonmaker. Dat is op te vangen. Maar het moet wel binnen The Square blijven, waar het, zegt men, toeg­aat als in het leven, behalve dat het kunst is. En daarmee on­gevaarlijk.

 Helaas, het ontspoort. In de film The Square van Ruben Östlund stulpt het leven van alle kanten de kunst binnen zonder dat het de bedoeling is. Vooral langs de scheidslijn rijke snobs versus arme zwervers.

 Een ingehuurde Hulk moet tijdens het galadiner van verkrachting van een deftige dame worden weerhouden. En de werkelijkheid komt pas echt binnen in de vorm van een arm jongetje dat van diefstal is beschuldigd na een performance in de openlucht. En aan wie de curator niet kan uitleggen dat het 'maar kunst was'. Een mooie paradox. 

 Een film overladen met bedoelingen. 

Robots op hol

 Computers over onze schermen, wij wonen in Babylonië en de spraakverwarring is alom. Lees een gebruiksaanwijzing of een bijsluiter. De eerste computerdeskundige die ik bezig zag was Roger Ruskin Spear van de Bonzo Dog Band. Hij maakte robots stond tussen de groep op podia in een witte jas om falende computers te repareren.

 Zoals in het nummer Noises for the leg, waarin een gipsbeen  vreemde geluiden maakte tot het weigerde, waarna Roger met z’n soldeerbout ingreep. In 1971 was ik bij hem thuis in Londen en maakten we een filmpje voor de vpro. Roger had de kern te pakken. Het zal nog lang duren voor een computer een drukke straat  kan oversteken en tegelijk een gesprek voeren over pizzabereiding en bekende voorbijgangers groeten.

 Vanmorgen kwam dit bericht in het Koreaans van mijn Koreaanse vriendin, de dichteres en beeldend kunstenaar Yuri An. Volgens vertaalcomputer Bing zei ze:

 ‘Dan was het gewoon deze tijd van het jaar. Ik slaap al een tijdje, maar iemand heeft het raam gehouden.  Mijn kamer is 4e verdieping, en het is niet makkelijk om het raam te verlaten. Als een blanke naar het touw komt, zullen ze snel de bouw beginnen en het raam eraf scheuren, en dan is hij weer verdwenen. Het is een paar dagen geleden dat het raam niet in de kamer kon blijven met zo ’n plotselinge constructie.  Maar vandaag is het raam uit elkaar gescheurd. Die is gebroken en spoorloos verdwenen. De drie uur van de ontdekking zijn nu in het verleden. Ik ben altijd bang om een kort en frustrerend ding te zijn. Soms ben ik het zat om mezelf moe te zijn, maar ik denk dat het een lange tijd is om alles op het einde van het jaar op te lossen. Er is altijd iets te vinden zonder een bericht. Wat ik ga doen is het weer te noemen.’

 Wij moeten berusten. Dit is ‘Won in translation’.

Visioenen

 Het tijdschrift Extaze bracht in 2016 een nummer over vrouwen 'die met de pen in de hand een kentering teweeg hebben gebracht', een bewaarnummer met schrijvende vrouwen uit alle eeuwen. Van Betje Wolff en Aagje Deken tot Annie Schmidt.

 Tijdloos. Ik kwam door een stuk van de Vlaamse Charlotte d'Eer bij de dertiende-eeuwse Antwerpse begijn en mystica Hadewijch. Wat die schrijft is niet voor misverstand vatbaar, al hulde men haar graag in nevelen. Had ze visioenen? Zo kun je het noemen. Veiligheidshalve, denk ik, ze werd soms voor ketter aangezien.

 Neem haar zevende visioen, over haar eenwording met Christus. Nadat ze beschreven heeft hoe ze schok­t en beeft van verlangen naar Hem, komt hij tot haar:

 'Daarna quam Hi selve te mi, ende nam mi altemale in sine arme ende dwanc mi ane Hem; ende alle die lede die ic hadde gevoelden der siere in alle hare genoegen na miere herten begerten na miere menscheit. Doen werdic genoeget van buten in allen vollen sade. (...), maar saan in corter uren verlosic dien schonen man van buten in siene in vormen, ende ic sachen (...) al smelten in een, sodat icken buten mi niet en conste bekinnen noch vernemen, ende binnen mi niet bescheden. Mi was op die ure ochte wi een waren sonder differencie.'

Literair Zutphen

 Dat ik de laatste tijd vaker in Zutphen rondkijk, de stad waar ik tot m'n zesde opgroeide, komt door verhalen die ik schrijf, waarin ik huizen, straten, vrouwen en de dood al vroeg ontmoet.

 De meest exotische straat van Zutphen was de Rozenhoflaan. Een smal, dichtbegroeid laantje met chique 19de-eeuwse huizen waar mijn artistieke tante Karin Waardenburg woonde, voor ze naar de Martinet­singel ver­huis­de - ook een schrijver.

 Op de site Literair Zutphen van Hans Heesen, die vorige week plechtig in de Broederenkerk werd geopend vind ik nu dat niet alleen mijn tante daar woonde, ook Paul Rodenko, de dichter en bewerker van de 'vrijmoedige' 1001-nacht bewerkingen die door scholieren werden stukgelezen woonde er.

 En even verderop aan de Coehoornsingel 58 de sinoloog en door Rudy Kousbroek bewonderde schrijver van de rechter Tie verhalen Robert van Gulik, uit wiens werk Umberto Eco putte voor zijn Naam van de Roos.

 Een ontdekking is ook dat D.A.M. Binnendijk, bevriend met Ter Braak en aan het Vossius­ gymnasium de veelgeprezen leraar Neder­lands van de broers Van het Reve, op wie Hanny Michaelis in haar school- en onderduiktijd zo ver­liefd was, de zoon van een deftige Zutphense hoteleigenaar was - Grand Hotel du Soleil aan de Zaadmarkt.

 Voor Jacques Bloem en Clara Eggink moet je wat verderop zijn, aan de Deventerweg 143, vlak achter de Heeckerenlaan 49 waar ik woonde. Mijn moeder kende ze en ook zij staan op Literair Zutphen.

Happy End

 Zolang ik Franse films zie speelt Jean-Louis Trintignant erin. Onopvallend. De minst opvallende acteur ooit. En daarin almaar beter geworden.

 De laatste Haneke-film met de snijdend ironische titel 'Happy End' is zo Frans als het maar kan. Waar hem dat in zit? Allereerst in de tirannie van de familie, waarvan Trintignant als 85-jarige, levensmoede industriële magnaat de pater familias speelt en zelfs zijn erfgename Isabelle Huppert onzichtbaar maakt. Het nageslacht verpulvert voor zijn ogen. En hij kan niets meer te doen dan toekijken.

 Zelfmoord- en vluchtpog­ingen volgen elkaar op. Menselijk contact lijkt in deze familie uitgesloten.

 Het speelt zich af in het gebied van het spaarzame kustvertier dat nog over is in het industriële Calais, waar de ver­jaardag wordt in grootse stijl wordt gevierd. Heel klassiek wordt de feestvreugde onderbroken door de gedood­verfde troonopvolger van de dynastie die een groep asiel­zoekers binnenbrengt.

 De oude Trintignant heeft intussen vriendschap gesloten met zijn jonge kleindochter die ook een zelfmoordpoging probeerde. Zij helpt hem aan een waardig einde. 'Mort a la famille.'

De Amsterdamse Herberg

 Nog zie ik de beroemde fotograaf het café uitgegooid worden nadat hij echt onhoudbaar was geworden. 'We zijn gesloten,' riep de eigenaar en met man en macht werd hij de straat op gesmeten.

 Even later vloog er een vuilnisbak door de spiegelruit, waarna de fotograaf door het gat naar binnen klom. 'Het café is weer open,' verklaarde hij, en bestelde bier.

 Er is een zeer gedetailleerd boek verschenen over de Amsterdamse herberg tussen 1450-1800. Was Amsterdam een 'suypstad' zo­als de Engelsen het afbeeldden, met tonronde, stomdronken, kettingrokende bierbuiken? Volgens Maarten Hell viel het mee. Een café per 200 inwoners, in 1613 waarbij je moet bedenken dat het water ondrinkbaar was.

Toch moet iedereen wel permanent onder de olie geweest zijn. En had de schout veel te stellen met vechtpartijen. Er is niets veranderd. Met de politie vechten en Heineken tapt.

 Wat Midas Dekkers ook voor zoete broodjes bakt, dat echt alcoholisme een gruwelijke kwaal is heeft de alcoholist Simon Carmiggelt ons voor altijd ingewreven met zijn refusal-verhalen - 'heb je de pil in' - en vooral ook met zijn historische kersenbonbon. Voor wie het vergeten was: voor een echte alcoholist is een bonbon met een klein beetje kersenlikeur erin al genoeg om de smaak te pakken te krijgen en aan het drinken te slaan. En dan is er geen houden meer aan.

 Maar het boek van Maarten Hell gaat om drank als smeerolie van het sociale leven. In zaken zo goed als in seks, vertier of in de politiek. Waarbij de overheid als accijnzenheffer fors meespeelt.

Pagina's