Vis

 In de voorlaatste editie van het Liegend konijn vond ik dit gedicht van Joris Miedema, die de bundel 'Oogtheater' (2011) publiceerde. Een gedicht met ook een titel waarmee ik bleef rondlopen, 'Een krap schilderij’: 

 'Om een schilderij wringt de lijst/ als een te krappe kamer/ waar net een tafel in past/ hoe zwijg je daar met z'n vieren/ het mooiste aan

 na een eeuw voelt de stilte gedateerd/ op hoeveel manieren/ kan je niets zeggen tegen elkaar/ ze weten de intentie niet meer samen te vatten in hun blik

 zelfs de verf hangt er futloos bij/ het onbehagen afgebeeld als een vis/ op een bord/ die geen van allen lust/ ongemakken gaan stinken na zo'n lange tijd'

 Een schilderij dat uit zijn lijst barst, na een eeuw, gemaakt dus omstreeks 1916. Ik zag het gezin voor me. Dacht meteen aan Gustave van den Woestijne en begon te zoeken of ik het kon terugvinden. Vergeefs. Ik zou het aan Thom Mercuur moeten vragen die alles wist van vis, geschilderd of klaargemaakt. Maar Thom is in 2016 gestorven

Volgens de bijbel werd er geen vis gegeten bij het laatste avondmaal, maar Da Vinci en veel anderen schilderde hem op tafel, naast het brood, Ichthus indachtig. 

Tags: 

Het slachthuis

 Mensen zijn dieren maar ze kunnen het niet zo goed. Het hertenpaar waar de film On Body and Soul mee begint laat de aanhankelijkheid en toenadering tussen een mannetjes- en vrouwtjeshert toch zo aanstekelijk zien. Maar nee.

 Mensen gaan op vreemde manieren met elkaar om. Inplaats van een voorbeeld aan ze te nemen slachten ze de dieren. In het slachthuis waar de eenzelvige manager Endre en de smetteloze kwaliteitscontroleuse Maria werken neemt het rituele vormen aan, zoals in veel slachtpraktijken.

 De mooie, blonde maar wereldvreemde Maria is heel strikt in de slachtleer.

 Dan neemt het verhaal een surrealistische draai. Een bedrijfspsychologe komt personeelsonderzoek doen. Onder meer naar wat medewerkers dromen. En wat blijkt? Maria en Endre dromen precies het zelfde, over de aanhankelijke herten die we zagen. Tergend traag ontwikkelt zich dan een liefdesgeschiedenis, waarbij Maria eindelijk haar zintuigen ontdekt, van tastzin tot gehoor, de muziek die ze nooit begreep.

 Ze raakt aan de praat met een oudere werkneemster die tijdens het onderzoek openlijk heeft gezegd dat ze alleen van seks droomt en haar uitlegt wat ze verkeerd doet en haar bekijkt alsof ze een dier was. Ze heeft wel een kont maar ze gebruikt hem niet, ze staat niet goed op haar benen, ze laat haar borsten niet goed uitkomen en ze kleedt zich verkeerd.

 Tussen Maria en Endre ontplooit zich iets, maar geen van beiden weet nog raad met wat ze bek­ruipt. Pas wanneer ze in wanhoop haar pols heeft doorgesneden komt ze - heel letterlijk - thuis bij haar lichaam.

De onzichtbare Apollinaire

 Er niet zijn en toch alles doen. Vanmorgen stond ik in het donker op, douchte en kleedde me, at twee boterhammen. Trok mijn jas en handschoenen aan en vond de nog besneeuwde auto.

 Die ik naar de garage bracht voor een grote beurt en winterban­den. Over ijskorsten liep ik terug, ging zitten en nam Apollinaire ter hand omdat ik me deze zinnen herinnerd had uit zijn gedicht '4 U' (vier uur):

 'Niets te zeggen alles wat ik doe wordt gedaan door een onzichtbare

persoon

 Want met mijn jas dichtgeknoopt van top tot teen in het blauw een

met de hemel word ik onzichtbaar'

 Vrijwel zo verging het mij vanmorgen. Met het verschil dat het winter was, mijn jas zwart als de hemel en dat ik om zes uur was opgestaan.

De onzichtbaarheid heeft me niet verlaten. 

Wat ik doe wordt nog steeds gedaan door een onzichtbare persoon.

 ps. Uit ‘Het raam gaat open als een sinaasappel’, gekozen en vertaald dor Kiki Coumans

Schipperszoon

 Van de schrijvende schipperszoon Frank Antonie van Alphen kreeg ik z'n bundel 'Ik droom in rood'. Teksten en gedichtjes rond de dood van zijn vader, die z'n schip de 'Frankie-A' doopte.

 Hij stierf in Nijmegen, aan de Waal, bij Frank thuis. Die beschrijft het zo: 'Ik sta erbij en kijk ernaar, vol ongeloof: daar ligt mijn vader. 'Nou ga ik hoor', zei je, nadat je ons eerst al verteld had van je stokje te gaan. 'Bims' zei je ook nog, vlak ervoor. En je ging, het aftellen begint. 'Nou ga ik hoor', klonk het, voor je in de bank terugzakte.'

 En dan: 'Binnen een minuut lijk je twintig jaar ouder geworden. Kom terug, pa...'.

 Het titelgedicht gaat zo:

 'ik droom in rood/ van het water/ dat langs de romp mompelt/ van een schip/ dat er nog altijd ligt/ met gouden handgrepen/ en wapperende vlaggen/ schipper en matroos lopen met roodbezwete gezichten/ zwijgend door het gangboord/ het lichaam is zuchtend rustig/ in oude dagen'

Moederbrieven

 Mijn moeder schreef in de oorlog, toen ze in Steenwijk woonde, waar ik op 7 november 1943 geboren zou worden, elke dag een brief aan haar moeder, mijn grootmoeder, die uit Den Haag verdreven was naar Leersum.

 Gewone brieven in ongewone omstandigheden. Ze is zwanger en heeft last van misselijkheid en moeite met eten, maar wil dat niet laten merken, zoals in die tijd gewoon was. Er moest wel heel wat gebeuren wilde je de mensen laten merken dat het niet goed met je ging.

 Zo 'stierf ze duizend doden' toen ze misselijk uit een gereformeerde kerkdienst moest vluchten, vooral ook omdat ze in deze oorlogstijd schoenen met houten zolen droeg die oorverdovend klonken tijdens de preek.

 Mijn ouders zijn in de kost bij de bakker in de Woldstraat en eten wat de pot schaft. Haar zwangerschap moet in Steenwijk verborgen blijven, ze heeft 'maaggriep'.

 Nu is het 18 maart 1943 en ze schrijft haar moeder: 'Ik moet steeds denken aan de meisjes of vrouwen die een baby verwachten in vernederende omstandigheden of als de man er niets om geeft'. En: 'Adri (mijn vader) is steeds ontzet over m'n witte gezicht. Dat zijn ze niet gewend van mij. Je voelt je ook zo weggetrokken, vind ik. Als ik verzeker dat het heus beter gaat stuift hij op: 'Eet niets de hele dag, ziet eruit als een vaatdoek en dan 'je lekker voelen!'

 Op 22 maart gaat het iets beter. Ze eet sla en een hele citroen vindt ze verrukkelijk. Maar 'Ik kan geen pap zien en brood ook haast niet, koffie en thee smaken me niet meer en koekjes laat ik ook voorbij gaan.'  

 En in de kantlijn: 'Adri zegt dat hij vreest voor de toekomst, want dat ik nu al de hele dag enkel aan het babytje denk en niet aan hem!'

Sneeuw

 Gisteren zag ik een film van Kaurismäki bij wie sneeuw tot de vaste attribu­ten behoort. En ik dacht aan mijn Finse vriendin Tuula die de wereld omzwierf en nu weer is geland in Fin­land. Finse jon­gens reizen niet, die blijven thuis en drinken.

 Tuula vertelde hoe dat bij haar thuis op het verre platteland ging en liet een foto van haar oude vader zien met een kleine trek­harmonica, in de sneeuw. Voor drank moest je twee uur rijden naar een dorpswinkel. Met als gevolg dat als je terugkwam op de boerderij de gekochte drank alweer op was.

 Het mooiste sneeuwgedicht dat ik ken is van Achterberg en staat in Afvaart (1931):

 Een schuine muur van sneeuwen

komt leunen aan mijn schouder,

geduwd door broeder winter

en zuster stilte, ‑ zou er

nog tijding wezen, ginter

achter het witte scherm, dan vlokken,

sneeuwvlokken, klokken koele kilte

over de wereld en een hart,

elkaar gelijk in den winternacht.

Kaurismäki in Eye

 The essential Kaurismäki, in tien films, vertoont Eye deze kerst. Ik zag vanmiddag de klassieker Calamari Union (1985), gemaakt in de punktijd en doordrenkt van het 'no future, no fun'. Het tegendeel van de fijne avonden en prettige weekenden waarmee je tegenwoordig om de oren wordt geslagen.

 Geen psychodrama, zoals in heel Kaurismäki's werk. Zijn karakters handelen intuïtief en impulsief. Schieten iemand neer omdat z'n gezicht hun niet aanstaat. Zoals het meisje dat een vermoeiende versierpoging beëindigt met een pistoolschot.

 Dat gedrag is absurd genoemd, maar het lucht ontzettend op.

 Het verhaal van Calamari Union is ook idioot. Zeventien jongens van een rockband - die nota bene allemaal 'Frank' heten en waarvan er ook al een paar dood zijn - gaan op weg naar het beloofde land, de luxe wijk Eira. Maar ze komen er nooit aan omdat de wijk nog gebouwd moet worden.

 Wat nu? Een bank beroven? Dat kan. Die impulsiviteit kwam terug in de film waarmee Kaurismäki doorbrak, 'Het meisje van de luciferfabriek' (1990), waarin de onbeweeglijke actrice Kati Outinen de Aki-wereld voorzag van drama.

 De muziek is me bij Aki altijd vertrouwd, van blues, als Elmore James' Sunnyland - de trein naar de zon, maar niet voor jou - tot Chuck Berry en Ben E. King. 

 Ik dacht bij Calamari Union terug aan het moederszoontje dat opeens moed vat, het ouderlijk huis ontvlucht om veertien dagen met z'n vriend de bloemetjes buiten te gaan zetten in Leningrad. Hij sluit zijn bedilzieke moeder op in de kleerkast en steekt de sleutel in z'n zak. Na veertien dagen keren de twee terug en draait hij de kleerkast weer open. De moeder stapt eruit en gaat theeschenken. Einde film.

Mark Smeets schrijft

 In het nieuwe nummer van Piet Schreuders' tijdschrift Furore ontraadselt ornitholoog Lodewijk Wiener de collage op het omslag van Hermans' 'Mandarijnen op zwavelzuur'. Hij had eens een keer ongelijk! 't is een arend, geen meeuw.

 Maar er is meer, zoals een teruggevonden brief van tekenaar Mark Smeets (1942-1999) uit Baarloo, bij Roermond waar hij bij zijn moeder verbleef, aan zijn vriend Evert Geradts in Toulouse. Daarin is sprake van de aardbeving die Roermond trof op 13 april 1992 om 03.20 's nachts met een sterkte van 5.8 op de Schaal van Richter.

 Met als gevolg landv­erschuivingen, oeververzakkingen en zandfonteinen. Hij schrijft: '...vraiment, ein richtiges Erdbeben cher ami (beste vriend) dat mijn slaapkamertje hier midden in de nacht om half vier salvadordaliaans of edvardmunchiaans golfde met staccato geklang-begeleiding uit de verwarmingsradiator. Als er verder niets is, nog niks omgevallen is het wel iets om medegemaakt te hebben. En snappen doe ik het ook niet echt, dat niet het halve huis in elkaar valt van zoiets. Maar snappen is er toch sowieso al heel weinig bij de laatste tijd...' (...)

 Smeets schrijft zoals hij tekent, hinkstapspringend, alsof zijn hersenen altijd meer aandragen dan het papier kwijt kan. Aan Geradts in Frankrijk schrijft hij: '.. mooi he Nederlands. Hoe doe jij dat, met zo'n volledige ontstentenis van het Nederlands praten? Ik zal je bewonderen maar niet benijden. Ik moge dan wel graag mijn dagelijkse spraak larderen met feinscmeckende Leckebissen uit de drie meest voor de hand liggende ons omringende talen, maar omgekeerd, neenee, dat is weer een beetje te veel embarras voor de H.H.Hersenen!'  

 Bij brieven voegde hij vaak tekeningen.

Tags: 

Dorpen en gezichten

 Agnes VArda Is 89 en ze filmt - haar leeftijd vergeet je - Frankrijk, haar Frankrijk in Visages, villages: gezichten, dorpen. Wat in Frankrijk? Plekken waar mensen zijn vergroeid met hun omgeving. Een mijnstreek, een haven, een fabri­ek, een boerderij.

 In de omgev­ing die ze zich eigen hebben gemaakt worden ze door haar assistent gefotogr­afeerd, waarna vergrotingen ervan in het landschap opduiken. Een omarming.

 Varda's compagnon JR draagt een zon­nebril waar ze hem steeds over lastig valt 'net als Jean Luc Godard'. En inderdaad als ze op afspraak bij het huis van Godard aankomen geeft die niet thuis. De assistent - weet ik wel zeker - kreeg opdracht een zonnebril te dragen omdat het gezicht van Agnes Varda met haar uitgegroeide rode haar een doorgaande lijn in de film is. Een tweede gezicht zou afleiden.

 Het Frankrijk van Varda bevat geen steden, we doorkruisen het platteland, van Noord naar Zuid, met een bestelbusje waar een reuzen-fototoestel op staat.

 De foto's zijn - zo anders dan je gewend bent in deze klaagtijd - een eerbewijs aan het land en z'n bewoners. Denk niet dat je mooie plekjes ziet. Boeren, dokwerkers, een zwerver, een mijnwerkersvrouw zijn de personages die Varda aan ons voorstelt.

 En als schitterend signatuur rijden dan haar op kolossale grootte door de assistent uitvergrote tenen, afgebeeld op de tankwagons van een langzaam voorbijrijdende trein voorbij.  

De blik van Jeroen Stumpel

 Je keek,' zei de Marokkaans uitziende jongen dreigend tegen me. Het was in de tram. In zijn ogen was mijn 'kijken' agressie. 'Pas op jij.'

 In het net verschenen boek 'Een kleine geschiedenis van de kunst' wijdt kunsthistoricus Jeroen Stumpel – vaste kracht bij het tijdschrift Kunstschrift – een hoofdstuk aan wat hij noemt ‘De fabricage van de blik’. Hoe kijken wij, en hoe beelden schilders dat af.

 Het zijn de ogen die het hem doen. Jeroen vertelt van ‘het ontzag voor de geheimzinnige macht van geschilderde ogen’ die spreekt uit de ‘oogceremonie’ bij boeddhisten in Sri Lanka. Wanneer de ogen van het beeld worden aangebracht moeten niet-betrokkenen de ruimte verlaten. De schilder kijkt het beeld ook niet recht in het gezicht maar van opzij en wordt na zijn werk geblinddoekt de tempel uit geleid. Het eerste voorwerp waar zijn ogen dan op vallen wordt vernietigd.

 ‘t Is waar, we zien overal ogen. Ze dreigen, maar lokken ook aan, zoals koplampen. Of reclames voor Omo.

 Mooi is Stumpels introd­uctie van de Maestá, de vorstelijke blik recht van voren, die de onderdaan in het gezicht kijkt, waar hij ook is in de ruimte, terwijl men om hem heen de ogen afwendt of neerslaat. Je kunt zo'n blik niet ontlopen.

 En dan komt in dit hoofdstuk de 'blik omhoog' op religieuze schilderijen, die verdween, maar nu weer terug is - voeg ik toe - op het voetbalveld, waar een doelpunt standaard gevolgd wordt door een blik naar het opperwezen, ver boven het stadion.

 Een boek vol vergezichten.  

Pagina's