Daniel Kehlmann rijdt auto

 In ‘Du hättest gehen sollen', de nieuwe Daniel Kehlmann, waarover hij met Jeroen van Kan kwam praten - gelukkig in het Duits - blinkt Kehlmann weer uit in terzijdes. Een ervan is autorijden. Iets dat voor hem helemaal niet van zelf spreekt.

 Zou hij wel een rijbewijs hebben? Of het pas op latere leeftijd hebben geleerd? Sinds ik zelf gisteren mijn linker buitenspiegel mis, waardoor ik steeds een gat zie waar wat achter me ligt zou moeten zijn, spreekt rijden ook voor mij niet van zelf. Het hecht zich aan andere fouten, een nietgeziene fietser. Routine verbergt angst. Tot er iets tussenkomt. Ik vertaal:

 'Bijna iedereen houdt zich voor een goede chauffeur. Maar ik niet. Ik ben onhandig en afwezig en heb langzame reflexen. Zelfs onder de gunstigste omstandigheden heb ik bij iedere rit het gevoel me in iets waaghalzigs te storten. Het is dus niet verbazend als me op een smalle haarspeldenweg paniek overvalt.'

 'Het zit toch zo: Je moet compleet fantasieloos zijn om onbevreesd in een met brandstof gevulde capsule te gaan zitten Net sta je nog stevig in het gewone dagelijks leven en denkt aan het avondeten en je belastingaangifte, een moment daarna zit je ingeklemd in vervormd metaal, terwijl de vlammen je aanvreten, en tussen de ene en de andere toestand ligt maar een verkeerde draai aan het stuur, een halve seconde ontbrekend opletten.' 

Wat Hanny las

 Bij Hanny Michaelis thuis zaten vader, moeder en zij avonden lang te lezen, soms te praten over het gelezene. Zij schreef ook brieven aan schrijvers, als Vestdijk. En sprak over lezen en schrijven met haar beminde leraar D.A.M.Binnendijk

 Haar dagboek in december 1941: 'Als ik eerlijk ben, zou ik mezelf moeten bekennen dat ik zowel met Vestdijk als met alle anderen, die ik zo hartstochtelijk aanhang, vertrouwelijk zou willen omgaan. Als ze niet bijna allemaal dood waren, zou ik ze stuk voor stuk willen leren kennen. Ik zou vertrouwelijke gespre­kken met ze willen hebben, ik zou willen, dat ze me hun aandacht waard achtten. Maar als ik Marsmans gedichten lees, zou ik in zijn armen willen slapen. Zulke verlangens zijn nu weer typisch meisjesachtig en bijna 'halfzacht' maar ik heb ze nu eenmaal en waarom zou ik ze dan voor mezélf verbloemen? Het is bovendien een goede zelfkastijding: als ik zulke dingen overlees bloos ik van schaamte.'

 ‘Ik weet eigenlijk niet goed hoe ik mijn bezoek aan Binnendijk moet beginnen, ik kwam helemaal 'beurs' van indrukken naar huis en ben het nú nog.' 

 'Gedurende ons hele gesprek keek Marsmans portret op me neer, ik moest er aldoor naar kijken.'

Tags: 

Joke van Leeuwen

 'Het moet nog ergens liggen' is een zin die zich tussen alles nestelt. Met een zeker welbehagen. Zoals mijn moeder zei als er iets zoek was, 'het kan niet weg zijn'.

 Er zijn er weinig die de kunst verstaan van het schrijven tussen de dingen, de gedachten, de omstandigheden. De rijke wereld betreden van 'Het moet nog ergens liggen'. Zoals Joke van Leeuwen het kan in haar nieuwe, gelijknamige bundel. Niets erger dan alles dichtmetselen. Zodat er voor mij, lezer geen plaats meer is. De bundel begint met 'Binnenkomst', dat voortzet wat in de titel begon:

 'Een gast die voor het eerst jouw te/ bekende kamer ziet en jij moet/ wennen aan haar ogen, ziet zelf/ als nieuw dat wezen­loze werkje aan de wand, de ingedrongen/ vegen op de vloer, dat rommelbakje/ ooit gekregen, zonde om het weg/ te doen, de foto van een ooit nog/ pasgeborene, die op z'n kop begon'

 'en blindelings hier buiten beeld twee/ tepels op kon sporen, nog geen/ bezit dan dat en zijn aanwezigheid./ Haast alles kreeg een vaste plek om/ niet meer over na te denken en van/ nog niet blijft het besef dat het wel/ ergens is. De gast vraagt of het past/ gaat zitten op een stoel alsof zo'n ding/ dat stoel heet net is uitgevonden.' 

Onnozele hals

 Als er iets mis gaat is dat door m'n eigen schuld. Zo heb ik het geleerd. Eigenlijk zou ik ook nooit, zoals gistermiddag, het autoraampje moeten opendoen als twee keurig geklede donkere vrouwen erop klopten. Die me vervolgens een rolletje Euro's lieten zien. Met een, Engels gespr­oken, onbegrijpelijk ver­zoek.

 Wilden ze het wisselen voor munten in de parkeerautomaat? Dit was een nette buurt in Amsterdam-Zuid. Een hotel aan de overkant. In m'n zakken geen munten. Klein geld? Ik keek in m'n portefeuille, nee, stopte hem weer in m'n binnenzak. Het werd niet duidelijk.

 I can't help you, zei ik. De keurige dames liepen de straat uit. Ik reed naar huis. 

 Pas vanmiddag bij de benzinepomp bleek dat de twee creditcards uit m'n portefeuille weg waren.

 Na het uitputtend nagaan van mijn bewegingen in een etmaal, kwam ik bij de dames terecht. Terug thuis keek ik op m'n bankrekening. Afschrijvingen van luxe zaken in Amsterdam, en later Keulen. En opgenomen geld. Nogal veel.

 Nu de instanties. Blokkeren. En de vraag of bij de beide pasjes de pincodes waren geweest. Nee. Maar, hoe hadden de dames zonder mijn pincode geld kunnen opnemen? 't Is waar de parkeerautomaat vraagt ook al niet meer om een pin. OK is genoeg. En zo gaat het vaker.

 Maandag belt de schademeneer. En nu ben ik moe.   

Hanny's oorlogsdagboek

 Het is mei 1941, ze is 18. Voor het Joodse gezin Michaelis is er - getuige het dagboek van dochter Hanny - nog weinig veranderd. Ze gaat naar het Vossiusgymnasium en is altijd verliefd, nu op haar leraar Nederlands D.A.M.Binnendijk.

 Om tien uur 's avonds schrijft ze: 'Vanavond is de maan nog mooier dan gisteren. Heel laag achter het zwarte netwerk van de gashouder, hangt een grote, oranje lampion in de diepblauwe avondhemel. Het is doodstil buiten. Ik voel al de hele avond dweepzieke fantasieën over Binnendijk op komst...',

 Heel direct schrijft ze gedachten en gesprekken neer. Zoals met haar ouders over 'sex-appeal'. Gevolg: 'gl­oei­ende wangen' en 'een opgewonden gevoel'. Zou zij zelf sex-appeal hebben? Ze durft het niet te vragen.

 'Als ik bij mezelf naga welke factoren voor sex-appeal in aanmerking komen stuit ik al direct op mijn mond. Ik kan me niet voorstellen, dat iemand me een zoen zou willen geven. Ik heb een veel te grote mond, hoewel geen hanglip, ook geen biefstuklip en zelfs vrij goed gevormd. Maar te groot en te zwellend. Het is zo gek, soms heb ik het gevoel, dat niet mijn ogen maar mijn mond verraadt welke verlangens er in me leven.' En daarna volgt een kritische beschrijving van haar fysiek. Ze heeft 'goddank een behoorlijk figuur'. Alleen zit ze erg in 'met wat ik mijn Oosterse boezem noem, die is idioot sterk ontwikkeld tot mijn grote woede'.

 De volgende dag komt via de BBC het nieuws door dat Hitlers plaatsvervanger Hess met een vliegtuig naar Schotland is gevlucht. Euforie!

 Al lezend denk ik soms, ongerijmd: 'Alsof Anne Frank ís blijven leven.'  

Ken Loach en de mensen

 Naar mensen kijken als in de trein of op een halte. Of in een ziekenhuisgang met kuipstoeltjes. Dat is wat Ken Loach doet in I, Daniel Blake. Het verhaal van een gezicht.

 Dat van timmerman Daniel Blake vertelt zijn verhaal stapje bij beetje. Zijn vrouw stierf, hij heeft een hartkwaal en komt terecht in de carrousel van de instanties, met ambtenaren, regels, digitale formulieren en wachtenden voor u. Waar je doldraait als je niet met Internet uit de weg kunt.

 Hij komt van een andere planeet.

 Heeft een heel sprekende mimiek, vertraagde reacties die zelden tot een explosie komen. Totdat tenslotte toch. Alsof hij steeds weer niet kan geloven dat de wereld echt zo harteloos in elkaar zit.

 Toen Loach en scenarist Paul Laverty zich verdiepten in de werkelijke honger, werkloosheid, falende gezondheidszorg en repressieve arbeidsbemiddeling moesten ze deze film maken.

 Daniel doet alles wat zo’n aardige, geestige, handige man kan. Maar hij staat machteloos en krijgt aan het slot een nieuwe hartaanval.

 En sterft in de toiletten van het arbeidsbureau.

 Toen het licht in de zaal aan ging dacht ik even echt in een aula te zijn. Iederen bleef zitten en zweeg.

Tags: 

Brakman en het vorstelijke

 Bij de begrafenis van Helga Ruebsamen dook een brief op waarin ze zoon Steven vertelt van haar ontmoeting met zijn vader Willem Brakman in de Haagse Paleistuin in 2004. Op weg naar de toekenning door Hare Majesteit van een prijs aan Hella Haasse  Een brief die herinnert aan wat beschreven staat in Brakmans ‘Van de in hogere kringen verliefde’ (1990).

 Namelijk de dwaaltocht  als hij over het hek klimt bij  De Ruyghe Hoeck, de koninklijke villa in de duinen, vlak achter waar Helga woonde, bij het Zwarte Pad.  Daar ontdekt hij voetsporen. Op de villa staat de koninklijke standaard, die aangeeft dat Hare Majesteit thuis is, zoals koninklijke vaantjes op een hofauto zeggen dat de majesteit er in zit. Dan vindt hij sporen in het duin van een groep.

 ‘Spoedig zag ik tekenen dat ik op het onvoorstelbare mocht hopen: een stuk banaan, de zo decoratieve sinaasappelschil, een zakdoekje met lipstick. Terwijl ik deze relikwieën met uiterste reverentie inzamelde hoorde ik nu ook gestamp en een rukken en kraken in de struiken maar daarbij, en daarin vergis ik mij niet, een warm, van binnen rozerood en innig snuiven. Opeens zag ik haar en het was of alle geluiden zich tot het uiterste op mij stortten: vogels gilden het uit, bijen en vette strontvliegen huilden en jankten als wedstrijdmotoren en vlinders klapwiekten voorbij met vorstelijke pluim die zachtkens wuifde in de zomerwind, in de duinen, aan zee…. Het afschuwlijke geluid van kranten die alsmaar worden opengevouwen.’

 ‘Onhoudbaar majesteitelijk stond zij daar, nog wel met de rug, breed en stevig als een ton, naar mij toegekeerd, maar daarna was het zich naar mij toewenden als de zuivere genade zelf. Machtig was de trom van haar buik, naar onder toe verglijdend naar zachtroze en eindigend in een waarlijk vorstelijke pluim die zachtkens wuifde in de zomerwind, in de duinen, aan zee…’. (…)

 ‘Er was iets met mijn adem, herinner ik mij nog, die stokte of hield er helemaal mee op. Nog kon ik een laatste rest onderbrengen in een agonaal "leve de koningin hoezee", daarna verloor ik het bewustzijn.'

Van de in hogere kringen verliefde  keert terug in een  niet eerder gepubliceerde lezing over 'De romantische obsessie',  die Brakman hield in De Balie in Amsterdam 1 oktober 1989, aldus de nieuwe Brakman-biograaf Nico Keuning. 

Jacob's Bijbel

 Hoe je in een boek terecht kunt komen. Aangelokt door het donker. Ik lees. En Jacob Groot vertelt in zijn nieuwe boek 'Geloof in mij'. En zoals niem­and het zelfde boek leest, ook al ziet het er van buiten eender uit, leest en schrijft hij het zijne.

 En daar heb je Kaïn en Abel. Wat gebeurde er met Kaïn na zijn broedermoord op Abel? God zorgt voor hem. Maar hoe!

 Hij wordt verstoten, een vreemdeling, een zwerver, een vluchteling, levenslang. Hij krijgt het Kaïnsteken op z'n voorhoofd, dat hem onaantastbaar maakt. Hij wordt niet anders gestraft dan dat hij moet blijven leven om zijn misdaad nooit meer te kunnen vergeten.

 Dat Kaïnsteken kun je niet zien, alleen voelen.

 'We hebben daar jammer genoeg geen plaatje van.'

 En Jacob vervolgt: 'Halleluja!. Lieve kinderen! Nu een kleine pauze. En dan gaan we zingen. Maar eerst chocolademelk! Met een rondo? Of een taailap? Of een kano? Of een kletskop?'

 Mijn eigen God woonde in de Walburgkerk in Zutphen. Een spelonk waarin met Kerst alle zon­dagsschoolkinderen van Zutphen werden samengedreven voor een man­darijn en een boekje van W.G.van de Hulst: 'Het klompje dat op het water dreef'. De titel vertelt heel het verhaal. Dat ene klompje zei genoeg. Dan wist je het wel.

 Niet storen, ik lees Jacob Groot. 

Tags: 

Europa en Europa

 Dwars door het Europa van nu zie je al te vaak dat van de jaren '30, '40. Grenzen worden weer grenzen. Vluchtelingen lopen 's nachts over de spoorbanen.

 Het boek 'Onder den vrijen hemel' van tekenaar Diederik Gerlach en schrijver Casper Postmaa kijkt door tijd en grenzen, aan de hand van wat Diederiks vader Henk naliet aan foto's, tekst en documenten over de zwerftocht van hem en zijn vrienden door het Europa in oorlogstijd van de jaren '40. Doel: zich aanslui­ten bij de geal­lieerde troepen.

 Diederik en Casper reisden het overmoedige stel na, tot in Zwitserland, en tenslotte Berlijn. Casper beschrijft wat ze terugvonden in het nu, Diederik maakte impressies van hun tijdreis.

 Niet vaak grijpen tekst en beeld zo in elkaar.

 Wat vindt Diederik terug van de voetsporen van zijn vader, daar in Morez in de Jura? Met Casper loopt hij over de spoorbaan. Casper schrijft:

 'Op het spoor is hij aan het inhalen, de tijd en zijn vader. Nu weet hij wat hij zijn vader had moeten vragen, in de jaren dat andere dingen zoveel belangrijker leken.

 Maar nu rust eindelijk zijn voet op die van hem, kilometers lang kan hij met hem oplopen, en hij weet dat alles, de hemel, de bergen, het gras, de angst voor een plotseling naderende trein, net zo is als toen.'

 Het boek is uitgekomen bij Eindeloos, uitgevers in Den Haag.

Prik

 Het is zondag. Straks kijk ik naar Tom Egbers. En weer is daar het flesje priklimonade na de wedstrijd in de kantine. Merk vergeten. Ik schreef er Arjen Duinker over, die speelde bij Concordia Delft. Hij dacht Trio.

 Voetbal. Je bent een man of een sukkel. Dat wordt op het voetbalveld uitgemaakt. En dat ben je dan, levensla­ng. Nog pik ik ze er zo uit.

 Geheu­gen, ontembaar. Het wringt zich overal tussen, onvoorspelbaar. Opsluiten is het beste. Ontsnapt het dan is het eind zoek. Waar wil het me nu weer hebben? Naar het Valken­boschplein om op de lijsten te kijken welke velden in West II zijn afgekeurd?

 Arjen schrijft een stuk over de clubs, de velden voor Hard Gras. Met monumentale club­namen erin als NOAD (Nooit Ophouden Altijd Doorgaan). De ruigste in Den Haag was bij mijn weten Texas. Had ie daar ooit tegen gespeeld? Ja!

 Dit verhaal eindigt bij de Proustiaanse flesjes prik in de kantine. Een enkele slurp aan het rietje zou werelden oproepen. Een voorloper van Exota. Je had ze in vier kleuren. Ik denk dat ze 15 cent kostten.

 Trio, wieweet. De fabriek stond in Loosduinen, zei men. Dat klopt. De populairste kleur was bruinig en werd 'peer' genoemd. Waarom? Alle kleuren smaakten eender. Als het maar prikte.

Tags: 

Pagina's