Joods Historisch

 Sunny Bergman had het bij het juiste eind. Het gaat om kleur. Kleur vertaald in geld. Haar prachtige scene met stapjes vooruit en achteruit sprak boekdelen, net als de kinderen met hun voorkeuren voor blanke en gekleurde poppen.

 Al het andere is bijzaak. Wat overblijft is huidskleur en dan nog kroeshaar. Angela Davis werd in de jaren '60 de koningin van het kroeshaar. Blanke meisjes lieten het zelfs zetten. Maar het ging voorbij.

 Erg zijn ook gekleurden onder elkaar. De Brazilië tentoonstelling in de Amersfoortse Kunsthal Kade liet make up zien in wel twintig tinten bruin. Een tintje lichter scheelt daar direct in je inkomen. Het ideaal in gekleurde kring blijft blank.

 En nu zag ik vanmiddag in het Joods Historisch Museum een verwarde en verwarrende expositie. Enerzijds een beeld van het historisch antisemitisme, de karikaturen van vroeger, waarin Joden altijd enorme neuzen hebben en als ook Dagobert op hun geld zitten.

 Marga van Praag vertelt hoe haar familie een hekel had aan de Sam en Moos-grappen, de getto-humor van Max Tailleur. Omdat ze de oude stereotypen bevestigden. Die zijn vrijwel verdwenen. Als er nu over antisemitisme wordt gesproken is de politiek van de staat Israël in het geding.

 De poging van het Joods Historisch om de wereldwijde eigentijdse discriminatie naar kleur te verbinden met Sam en Moos lukt niet. Te moeilijk.

 Ps. En nu komt het bericht over de aanslag op de Kerstmarkt in Berlijn binnen.

Hemellichamen

 'Mijn korte ontmoeting met een hemellichaam,' is de titel van de Vorlesebühne avond komende zaterdag in de Utrechtse molen.

De Kerst nadert. Er blijven nog twee hemellichamen over, die hun vaste banen beschrijven. Man en vrouw. Wat doen ze? Boodschappen. 

 De klassieke Freud-vraag is Was will das Weib? Hij gaf toe dat hij het niet wist. Wat wil de vrouw? Het beste antwoord dat ik ken kwam van een vrouw: Yvonne Kroonen­berg.

 Ze schreef: De vrouw wil een huis. En als ze de deur uit gaat neemt ze haar huis mee. Dat is haar tas.

 Als ik de kans kreeg keek ik van jongsaf in vrouwentassen. Bij mijn moeder lag de poederdoos bovenop, met het ronde donsje.

 'Waarom moet dat allemaal mee? vroeg ik.

 'Daar gaat het niet om,' zei ze. 'Waar wel om?'

 'Voor je weet nooit.'

 Vandaar dat haar tas soms uitpuilde en zwaar was als een goederenwagon.

 'Je wist nooit.'

 Nog even. Wat wil dan de man? De man wil belangrijk zijn, dat is bekend. En daar is publiek voor nodig. Dat lacht en applaudisseert, en als er dan echt he­lemaal niemand is, dan heeft hij altijd nog die vrouw. Daar zijn huwelijken voor.

 Straks zit ie in z'n stoel en leest de krant. Dan heeft de vrouw haar handen vrij.

 'Uit mijn keuken!'

Sol Lewitt

 Vanmiddag in Den Haag de huizenruil van het fotomuseum en het GEM bekeken. Resultaat: veel meer ruimte voor foto's, veel minder voor kunst. Spijtig, dat zie je meteen af aan de spaarzame hommage aan de huisartiest van het Gemeentemuseum Sol Lewitt (1928-2007).

 Wat bleef: Sols 'geometrisch relief' aan de gevel dat altijd weer doet opkijken: 'huh?'. Vijf figuren op een rij, oorspronk­elijk bedacht in drie dimensies, twee midden in de vijvers en drie op een breed, rood betegeld pad voor het naastgelegen Museon.

 Dit op instigatie van Lewitts Haagse vriend Enno Develing (1933-1999). En, let wel, in Berlagiaanse baksteen, in stijl met het hele museum. 

 Dat ging niet door, omdat het personeel van het nieuwe Museon tegen was. Sol Lewitt heeft toen het hele ontwerp veranderd en tweedimensionaal gemaakt. Zoals het nu tegen de gevel van het door Sjoerd Schamhart ontworpen GEM zit. Schamhart, die met Lewitts 'versieringen' overigens helemaal niet blij was en protesteerde.

 Wat had ik graag die oorspronkelijke versie gezien. Maar daarvan is geen tekening te zien op de bescheiden tentoonstelling die gisteren opende.

 Tenslotte belandde ik als altijd in Sol Lewitts meesterlijke 'trompe l'oeil'-trappenhuis in het hoofdgebouw.

 En weer piekerde ik: hoe rijm je dat, een minimalist die de wereld op z'n kop zet? Ik denk, net als bij Jan Schoonhoven: het is muziek, en het swingt. 

Treingeluk

 In het nieuwe nummer van het tijdschrift Extaze schrijft Lieven de Cauter over geluk. Eens sprak ik hem in de Antwerpse stations­restauratie onder de grote klok. En nu loopt hij te ijsberen op het perron in Rotterdam. Trein naar Brussel uitgevallen.

 'Op een gegeven moment denderde er een goederentrein, denderde traag en statig, met die onvergelijkbaar slome dreun, een goederentrein het perron aan de overkant langs. Het duurde minut­enlang. Ik keek en luisterde als betoverd. (...)'

 Dan haalt hij Aristoteles aan bij wie geluk het hoogste goed is. 'Maar helaas weet niemand wat het is. Of tenminste, iedereen weet wat het is of denkt het te weten, maar men wordt het er niet over eens, zegt Aristoteles.'

 En dan vertelt hij: 'Ik woonde als kind aan een spoorweg vlakbij een in onbruik geraakt stationnetje. De statie van De Kortekeer, een piepklein gehuchtje, niet meer dan een paar huizen en twee fabrieken in landelijk gebied, in the middle of nowhere. De spoorlijn omsloot ons huis in een wijde boog Jarenlang heb ik intens genoten van het lome, ritmische gedreun van de treinen, hun geroffel op de dwarsliggers, muziek die over het hele landschap uitdeinde.'

 Mijn Oom Bob die alles van treinen wist - ook de dienstregelingen van het goederenvervoer - wreef bij gesloten spoorbomen in z'n handen, keek op zijn horloge en zei dan als de trein kwam: 'Hij is laat'.

Van Gogh in China

 In het Chinese dorp Dafen worden jaarlijks miljoenen kopieën van Westerse meesters geschilderd, ook Van Goghs. Schilders leven en slapen op de vloeren.

 Wat treft is de zorgvuldigheid in het schilderen naar fotoboeken. Chef Zhao blijkt een fanaat.

 Filmer Yu Haibo en zijn dochter volgen schilder Zhao, die met zijn familie in twintig jaar al 100.000 replica's deed, maar nooit een echte Van Gogh zag, terwijl hij een bewonderaar is die er alles van weet, de brieven las etc.. Tot hij genoeg gespaard heeft. Ze gaan naar Amsterdam.

 Wat Zhao daar overkomt is diep ontroere­nd. Het begint met de ogen. De Chinese kopieën van de portretten hebben nooit de blauwe ogen van het origineel. Alle ogen zijn donker. Het eerste wat Zhao zegt is 'de kleuren zijn anders'.

 Zhao ontdekt ook dat de doeken die hij voor 67 E leverde aan de Amsterdamse handelaar op het Museumplein voor 500 per stuk aan toeristen verkocht worden.

 China komt nabij. De filmers hebben de etende Chinese familie net zo vastgelegd als de aardappeleters. En het Chinese landschap bij Dafen lijkt op dat rond Arles. Stap voor stap volgt de film wat Zhao als diehard bewonderaar overkomt. Hij verzucht op de stoep in de Van Baerlestraat dat twintig jaar naschilderwerk het niet haalt bij een enkele echte Van Gogh.

 Tenslotte komen als wierookstokjes brandende Chinese sigaretten terecht op de grafsteen in Auvers, tussen drie appels gestoken. Een Chinees grafritueel.

 Wat kan Zhao? Aan het slot wil hij in China een museum stichten met daarin alle van Goghs, perfect nageschilderd.

Melusine

 Het boek Het reizende detail, van het tijdschrift Kunstschrift brengt je naar de vijftiende eeuw, tijd van nieuwe vindingen en oude verhalen. Er liepen door de geest nog eenhoorns rond tussen de modernste kanonnen.

 Zo leer ik van Machteld Löwensteyn over Melusine. Jean d ‘Arras schreef in 1392 haar verhaal. Een wezen tussen twee werelden, doordeweeks een gelukkig getrouwde moeder en echtgenote, op zaterdag - als ze zich opsloot in de badkamer - half betoverend mooie vrouw, half draak. Dat moest geheim blijven.  

 Het verhaal van Amor en Psyche maar dan omgekeerd. Psyche mag de god Amor nooit aanschouwen, en als ze hem in z’n slaap toch bekijkt bij een kandelaber en kaarsvet op zijn schouder morst is het afgelopen.

 Melusine trouwt, krijgt kinderen en bouwt kastelen - architectuur was, en is, magie - tot haar jaloerse echtgenoot op een zaterdag de badkamerdeur forceert. En haar slangenstaart ziet, 'zo dik als een harington'. Melusine moet terug naar waar ze vandaan kwam. En vliegt alleen nog terug om haar zoontjes de borst te geven. Met wie het ook slecht afloopt.

 Melusine was heel populair, ook om de illustraties. Geloofde men dit soort verhalen nu? Natuurlijk, vrouwen zijn immers niet te vertrouwen.

Het verloren Europa

 Waar komt het idee Europa vandaan? Het mooiste antwoord is te vinden in Het reizende detail, het boek dat het tijdschrift Kunschrift juist heeft uitgebracht. Hoe kon het dat rijkdom en macht in het Europa der vorsten en pausen hand in hand ging met kunstzinnige verfij­ning?

 De sleutel ligt in het Vlaanderen van de vijftiende eeuw. De eeuw waarin de mooiste meisjes geschilderd zijn. Door Rogier van der Weyden of Hans Memlinc. Gent en Brugge, vanwaar de 'Vlaamse primitieven- later 'ars nova'  genoemd - zich over heel Europa verspreidden, van Portugal tot Polen. Duitse en Italiaanse vorsten namen schild­ers uit de lage landen in dienst. Nieuwe vindingen werden over­genomen. Het detail reisde.

 Zo komt het dat in het Europa van de vorsten een grote Europese picturale eenstemmigheid ontsto­nd. De ingetogen ovale madonna gezichtjes. Met achter zich de open ramen en het uitzicht op een stad. De rust die heerst. Een droom, dwars tegen de troeb­elen in.

 Dit boek vertelt hoe de nieuwe kunst zich raz­endsnel verspreidde, zo moeilijk als reizen was. Een boek om in weg te dromen. Je moet het zien. Verzinken in de uitvergrote details die het fijne vertellen van tapijten, houtsnijwerk, kleding, oogopslag, haardracht en sieraden.

 Hoe het bezit van een wandtapijt of schilderij je status als machthebber bepaalde. Hoe anderen dat navolgden.

 Het verhaal van het verloren Europa.

Goddelijke gevoelingen

 Lodewijk van Deyssel (1864-1952) schreef in zijn laatste aantekeningen soms over wat hij zijn 'Goddelijke gevoelingen' noemde. Gisteren vond ik op de Bijzondere Beurs bij schrijver en uitgever Nico Keuning het gelijknamige boekje, samengesteld door Harry Prick. Van Deyssel op 10 januari 1947:

 'Mijn laatste, zoo niet grootste, ontdekking is geweest, dat wij hier op aarde in de hemel leven.' (...)

 'Ik weet, dat ik, naar de bevinding bij het hoogste reiken der wijsgeerige gedachten, in den hemel ben. Ik ben er eigenlijk echter, pas geheel, of pas waarlijk, in wanneer ik mij, zoo zeer als mógelijk is, bewúst van ben van er in te zijn, dat is: met een geheel van gevoel doortrokken, of uit gevoel bestaand, bewustzijn, zóo, dat alle tot de werking, die men 'leven' noemt, behoorende bewegin­gen, gewaarwordingen van hoogste, van als onovertrefbaar voorkomend, geluk, heerlijkheid, geven. Als ik de oogleden opsla en kijk om mij heen, dan gevoel ik mij geen gro­oter geluk te kúnnen denken dan hier nu aldus in deze mij omgevende kamer te zijn. Wanneer ik mijn hand zie bewegen of deze gevoelt zich zelf bij samendrukking, met haar warme vas­theid, dan voel ik het geluk daarin tintelen.' 

Onbehagen

 Gister in Den Bosch rondgelopen met Lars Weller, bedenker van de tentoonstelling 'Investigations into the uncanny' ofwel onderzoekingen naar het door Freud benoemde 'unheimliche'.

 Het onbehagen van Weller zit hem in Duitsland en zo heeft hij een hele wand ingericht met 'Duitse' beelden, schilderijen. Van een Wehrmacht­sofficier die de kaarsjes van een kerstboom ontsteekt op 'Kerstmis in Dachau', tot mysterieuze Duitse wouden waar alles kan gebeuren.

 'Wald' is nu eenmaal iets anders dan bos, zeker 's nachts. De oneindigheid zit erin. Zoals de Rijn – zie Mulisch - op Duits grondgebied een geheimzinnige stroom wordt, waaraan de Lorelei kan zingen. En gezichten, een engel, een dikke man.

 De vele gezichten van Duitsland, waar het verleden altijd door het heden heen kijkt. De Willem II Fabriek heeft veel van het Gentse SMAK kunnen lenen, waaronder een meisjesportret van Michel Borremans en 'Drain' van Robert Grober.

 En de Hollanders. Een nachtelijks benzinestation van Sandro Setola, kleurhoutsneden van Hanna de Haan en vreemde - brillen gecomponeerd op een schotel - keramiek van Manita Kieft. Het onbehagen links en rechts versterk elkaar. De oude fabrieksterreinen rondom langs de Dieze helpen ook. 

Hans Op de Beeck

 Probeer maar eens het werk van de Vlaming Hans Op de Beeck te omschrijven. Een maquette, die tegelijk een kijkdoos is. Een marionettentheater, maar zonder marionetten, met alleen decors. Een etalage waarin je de handen van de etal­eur bezig ziet. Bezig decorstukken te plaatsen en weg te halen. De belichting te schikken, zodat soms de zon opeens doorbreekt.

 Alle lichtsoorten passeren, van diffuus ochtendlicht tot avondval. Geen acteurs, zodat de handen van de etaleur de enige per­sonages worden. Zullen ze ingrijpen?

 Een hoogtepunt komt als de handen een stad bouwen van suikerkl­ontjes, met wolkenkrabbers en al.

 Als het ochtendlicht op de stad valt besluiten de handen dat het moet gaan regenen. Eerst zie je een enkele douchekop verschijnen, daarna een stuk of drie, waaruit het regent dat het een aard heeft en de stad ineenzijgt tot een hoop gesmolten suiker.

 De regie is volmaakt in z’n spel met licht en attributen en verrast voortdurend. Je wordt een kind dat een zandkasteel bouwt, voor zich heen prevelend 'en nu gaat de zon onder'. En dat doet ie.

 De film duurt een halfuur en heet 'Staging silence (2)' (2013). Ik zag hem vanmiddag in de oude Willem II-fabriek aan het spoor in Den Bosch. Een ideale locatie voor het werk van Op de Beeck.

 Er is daar werk van zo'n vijfentwintig kunstenaars bijeen gebracht, deels uit het SMAK in Gent, onder de kop 'Investigations into the Uncanny’. Waarover morgen meer. 

 

Pagina's