Jezus als ettertje

 Vanmiddag in het Catharijne Convent bij 'Bewogen beweging' de zomerkeus van Herman Pleij gezien uit het depot. Die bewogen beweging slaat niet op de gelijknamige tentoonstelling van Tinguely in 1961 in het Stedelijk, maar op de hedendaagse sleutel op alle sloten: emotie. Nu toegepast op religieuze kunst. Heel het bijbelverhaal is emotie.

 Het meest vertoonde hoofd tussen alle kunst is dat van Herman Pleij, van tal van schermen spreekt hij je toe. Wat hij zegt heeft de toonzetting van een kindervoorstelling. Of beter, televisie. De nadruk in alle vertoonde scenes ligt op emotie. En op de voorstellingen die de kerk en de kunstenaars bedachten om gelovigen te vangen en vast te houden. De bijbel als theater.

 Al het andere, het geloof, de devotie is niet meer dan voorstelling. Een 'toneelstukje'. Schreeuwen van smart bij de kruisiging. De eigentijdse Mattheus Passion ligt er naast.

 Terwijl je toch weet dat wat de schilders en beeldh­ouwers rond 1500 bezielde wel wat anders was dan dit: intens naar gelovige tijdgenoten kijken. Leren hoe je hun houdingen en gezichten weergaf. Denk aan Geertgen tot St. Jansz.

 Maar nee, dit is gericht op het grote publiek - wat dat ook moge zijn - en dat verstaat geen andere taal. Ik ken het Catharijne Convent. Dat grote publiek komt daar niet. Wel zag ik hoofdschudden.

 Terwijl er wel wat anders te vertellen zou zijn. Over gezichtsuitdrukkingen, plooien en details. De betekenis van kostbare kleding gedragen door dorpsmeisjes. Kostbaar is goddelijk. Maar nee, Maria Magdalena komt in deze keuze amper voor.

 Pleij houdt het op huiselijk, herkenbaar. De heilige familie als 'kerngezin'. En dan die woordkeus: Jozef als 'pantoffelheld'. Anna als 'oma'. En Jezus is 'af en toe een ettertje'.

 De bijbel volgens Joop van den Ende. 

De kwaal van Flaubert

Gustave Flaubert wilde meer dan al beroemd worden. Dat leer je uit de brieven van voor hij zijn debuut Bovary publiceerde. Maar tegelijk ook niet. Hij ontweek Parijs, ontweek de literatuur, woonde bij zijn moeder in een dorp bij Rouen. 

 Uitbrengen of niet? Het gebeurde pas toen hij 36 was, in 1857. En ja, er kwam een proces, wegens schending van de goede zeden en belediging van de Katholieke kerk. Aan zijn jonge vriend Maxime du Camp (diens brieven zijn er ook in Privé-domein) schreef hij in 1851, vijf jaar voor het verschijnen van Bovary:

 ''k Zal veel moeten doen dat mij tegen de borst stuit en dat me al bij voorbaat meelijwekkend voorkomt. Welnu, ben ik voor al die dingen geschikt? Als je alle onzichtbare draden van apathie die mijn lichaam gevangenhouden eens kende, en al de mist die in mijn brein hangt! Dikwijls voel ik me, wanneer ik wat dan ook moet doen, doodmoe van verveling, en het lukt me pas na grote inspanning het meest heldere idee te vatten. Mijn jeugd (waarvan jij alleen het einde hebt gezien) heeft me voor de rest van mijn leven in ik weet niet wat voor opium van ver­veling gedr­enkt. Ik haat het leven. Het hoge woord is eruit en het blijve zo! Ja, het leven en alles wat mij eraan herinnert dat ik het moet ondergaan. Ik word kotsmisselijk van te moeten eten, me aankleden enz. Ik heb dat overal, in alles, door alles, in Rouen, in Parijs, en op de Nijl met me meegedragen.' 

 En tegelijk bleef er jarenlang de verleiding van de gedroomde roem. Bestaat er een woord voor deze kwaal?

 Als het boek verschenen is - eerste tijdschrift-aflevering - schrijft  hij aan Feydeau: 'Ik heb met genoegen gemerkt dat de boekdrukkunst je de keel begint uit te hangen. Het is volgens mij een van de smerigste uitvindingen van het mensdom. Mijn weerstand heeft 35 jaar geduurd, en op mijn elfde kladde ik al papier vol. Een boek is bij uitstek iets organisch, het is een deel van onszelf. We hebben een paar darmen uit ons lijf gerukt en die zetten we de burgerij voor.'

Suburra

 Als ik probeer me dit in Nederland voor te stellen strand ik halverwege Willem Holleeder en Jos van Rey. Maar dit is Italie. Politiek en misdaad zijn innig verweven, en ook de kerk speelt mee. Met de film Suburra ‑ wat de naam was van een voorstad van het antieke Rome - kwam ik terecht in de wereld van geweld, wapens, wraak en macht.

 Ik las eens dat met handvuurwapens bijna altijd wordt misgeschoten. Dat zie je hier uitvoerig bij een renpartij door een supermarkt.

 Territoria die bloedig omstreden worden. Door mannen. Vrouwen zijn daar hoeren of moeders van boevenkinderen. Deze Italiaanse variant eindigt met de godfather die zijn moeder bezoekt. Die cake eet. 

 Een mooi klassiek rustig type, die padrone, al wat ouder en bezachtzamer, die het lijkt te winnen van de jeugdige roudouwers. Waarna hij toch nog wordt doodgeschoten door het laatst overgebleven gangstervrie­ndinnetje, het junkmeisje dat haar vriendje wreekt. Vergeet bij afrekeningen nooit iemand. Het regent vrijwel permanent.

 De inzet: Ostia, aan de kust bij Rome zou met politieke hulp een soort Las Vegas moeten worden.

 De typecasting van Stefano Sollima is uit het boekje. Ook doordat de plot werkelijk sluit als een bus. En door de parodistische overdrijving. Is dat leuk? Nee. Is het spannend? Nee. Maar ik bleef wel plaatjeskijken, tot het laatste revolverschot.

Poëzie

 Aan het eind van zijn boekje 'The hatred of poetry' waarin wordt uitgelegd wat mensen tegenstaat in poëzie en waarom - omdat je nooit onder woorden zult kunnen brengen wat je voor de geest zweeft - komt de Amerikaanse dichter en romancier Ben Lerner op de woorden die je als kind oppikt en meeneemt zonder te weten wat ze betekenen.

 Je hebt maar een vaag, intuïtief idee, En juist dat maakt ze spannend. Lerner vertelt hoe hij als vijfjarige zo'n woord door zijn mond liet rollen en probeerde het in te passen in een zin. Hij herin­nert zich hoe het aanvoelde om maar een gedeelte van de betekenis te bezitten.

 Ik herken dit. Mijn woord als vijfjarige was 'ingewikkeld'. Ik lag op m'n buik op een tapijt bij een wat ouder vriendje thuis. We bouwden met zijn bouwblokken een garage, die volgens hem 'ingewikkeld' zou worden. Dat onbekende woord bleef hij maar prevelen.

 In dit stadium is betekenis volgens Lerner nog maar 'iets voorlopigs'. En zo, zegt hij, ontstaat poëzie. Onze garage werd een bijzonder bouwwerk.

 Maar een paar keer heb ik gedichten proberen te schrijven. Het best bevielen me de ready mades die rond 1968 in de mode kwamen door het 'tijdschrift voor teksten' Barbarber. Gevonden woorden. Voorlopige woorden. Zoals in 'Hoorde Peter op de politieradio:'

 14.1. Er staat een mevrouw

zonder geheugen op de

Westermarkt.

Wil even gaan kijken.

 

uit: Propria Cures, de bloemlezing Citroen, citroen; 'Loof de Heer' is kampioen. 

Tags: 

Ma Loute

 Wat slapstick vermag! Net zag ik Ma Loute, de uitzinnige film van Bruno Dumont, waarin Hergé Fellini ontmoet, terwijl zich tegelijk gruwelen afspelen. Aan zee, de kust bij Calais. Waar rond 1900 nouveaux riches villa's bouwen en straatarme vissers proberen in leven te blijven.

 Het toerisme is nieuw in die jaren. Men zwijmelt om het natuur­schoon, de geneeskrachtige zeelucht. Maar o die rauwe visserslui. Er verdwijnen toeristen. Het politieduo dat ze moet opsporen blijkt een uitvergroting van Jansen en Jansens. De slapstick ontaardt, de idioot dikke commissaris blijft vallen. Als zo iemand vaak genoeg valt wordt het weer leuk. Op de goeie manier over the top.

 In Nederlandse kritieken werd gezeurd over de 'typetjes' die de film bevolken. Ik ben zo vrij dat anders te zien. De rijke familie Van Peteghem uit Tourcoing die de 'Egyptische' villa aan zee liet bouwen is zeer Belgisch en bestaat uit uitgekiende stripfiguren. Dumont is kennelijk een stripkenner.  De zomerkledij is geheel in stijl.

 De vissersfamilie komt dan weer uit Haagse school schilderijen van Mesdag. En als ze kannibalen blijken verbaast je dat niet, waar zouden die toeristen anders blijven. En dan is het niet grappig meer.

 Dumont is een kenner van het vroege toerisme, de vrijetijdsbesteding van de stadse rijken rond 1900 en ook de levensstijl van de kustbevolking sinds overoude tijden. Die twee botsen. in Ma Loute - de naam van de vissersjongen die het drama draagt. Noem het gruwelslapstick.

Tags: 

Wim Brands en Kabakov

 Als Wim Brands iets af had stuurde hij het vaak naar mij. Stukjes voor de vpro‑gids, grotere stukken voor bladen, gedichten soms. De op den duur stilzwijgende afspraak was dat ik ze nakeek en aanvulde of verbeterde waar ik nodig vond. Kleinigheden, meer niet.

 Vaak wist ik waar hij het over had. We hadden plaatsen gemeen. Ik groeide op in Zutphen, waar hij schoolging en woonde drie jaar in Eerbeek, Hij kwam uit Voorstonden.

 De papierfabriek van Schut kenden we allebei. Ik door m'n schoolvriendje Evert Schut. Hij omdat zijn ouders er gewerkt hadden.

 Het beste antwoord blijft: 'Ach, dat weet je toch wel.'

 In 2014 werden zijn '50 beste gedichten' gebundeld bij de kleine uitgever Compaan in Maassluis. Nu zijn ze herdrukt door de net iets grotere Contrabas. Chrétien Breukers schrijft in z'n nawoord een paar keer: 'De poëzie van Wim Brands bevindt zich ergens op de grens tussen zeggen en zwijgen...'.

 Een enkele keer vroeg Wim me om een compliment: 'Goed stukje he?' Dan schreef ik in een zin terug wat ik er goed aan vond. Over dit toen nog titelloze gedicht in aanbouw zei ik 't is een gebed. Toen werd het 'Gebed van een zoon' (2010):

 Ik kijk naar Kabakovs man. Staand

op een ladder, zijn armen ten hemel.

 

En ik denk: dat ben ik.

Reikend naar mijn verre vader.

 

Laat dit dan mijn gebed zijn

 

If equal affection cannot be,

let the more loving one be me.

Tags: 

China gezien rond 1910

Niets fascinerender dan lang dode mensen die je aankijken uit een verleden, in een ver land. Zonder zelfs maar te weten dat ze je aankijken. Zoals vanmiddag op de foto’s van China in het Museum van Volkenkunde in Leiden. Van Japan naar China .

 Om precies te zijn de zeldzame vroege Chinese films en foto's, rond 1910 door Westerlingen gemaakt. Die niet alleen de Chinezen laten zien, die nieuwsgierig of angstig wegduikend naar de vreemdeling met zijn onbekende apparaat blijven staren, maar tegelijk ook de blik van de Westerse fotografen. Die je niet ziet. Er is een enkele Westerse diplomaat die in vol ornaat in een draagkoets stapt.

 Dat zie je op een verzameling van de allereerste filmopnamen van China in 1903-1904 gemaakt door de Fransman Auguste Francois, consul in China.

 Een reeks films waar ik niet kon ophouden naar te kijken. Ieder detail is bezienswaardig: houdingen, bezigheden, gezichtsuitdrukkingen, attributen...

 De Chinezen in deze film, meest op drukke stadspleinen straten zijn opgewekt en druk in de weer met hun dagelijks leven. Draagkoetsen torsen. Zware manden dragen met een juk. Er is veel volk op straat. De kinderen worden vrijgelaten en zijn wel verlegen maar ook zeer nieuwsgierig.

 De standaard haardracht voor mannen is de gevlochten staart. Verder geschoren tot achter de oren. Je ziet een kapperssessie. Tussendoor wordt opium geschoven en gedanst.

 Vergeet niet dat dit de tijd kort na de Boksersopstand (1900) is, de opstand tegen de Westerse inmenging in China, waarover ik al jong las bij Paul d'Ivoi in zijn jongensboek 'Krekel bij de boksers in China'. Keizerin-regentes Tsu Hsi (Cixi) komt er ook in voor, die de opstand steunde. In het boek stonden prenten van zendelingen die gruwelijk gemarteld werden met p­ikhaken.

 Met Hergé, die het boek ook kende en gebruikte voor zijn Kuifje en de Blauwe Lotus heb ik er nog over gepraat.

 De Boksersopstand wekte onrust in het Westen. Er kwamen fotografen en journalisten. Diplomaten fotografeerden. Daar hebben we deze beelden aan te danken.

Tags: 

De Japanse identiteit

 De moderne, stedelijke wereld die in Japan na 1900 ontstond is prachtig gedocumenteerd in de prenten in het Rijks. Een verbazende navolging van stedelijkheid van de Europese steden van toen. Japanse vrouwen volgden razendsnel de Parijse modes. Van korte rokken en hakken tot het 'bob' kapsel, de 'Bubi-kopf'.

 Er werd gedanst op jazz, de tango kwam. In nieuwe synthetische stoffen zag iedereen er piekfijn Westers uit. Kapsels - ook van mannen - zijn kunstwerkjes. Honkbal, golf en ski werden populair.

 Japanners stonden bekend om hun imiteren. En, hun overdrijven. Bij de tentoonstelling schiet je soms in de lach.

 Veel vrouwenportretten natuurlijk, en badmode. De Vogue op z'n Japans. Het naakt uit de Europese kunst werd gretig geadopteerd. Natuurlijk waren er al heel lang erotische prenten (shunga), maar die werden toch onder de toonbank verhandeld.

 En toen dook de vrees voor identiteitsverlies op. Een verschijnsel dat je in onze eigen tijd in het hele Westen, van de VS tot Groot Brittannië terugziet, terwijl er in Japan toch geen stromen vreemdelingen binnenkwamen.

 De Japanse identiteit keerde met kracht terug in de oorlogen die volgden, in China, en daarna de rest van Zuidoost Azië.

Wegkijken

 Een thema van nu, maar in Roemenië net zo goed van toen, de tijd van de Ceaucescu-generatie en de Securitate. Daarover gaat het in 'One floor below'.

 Wat de hoofdfiguur, ambtenaar bij de autobelasting Patrascu zo goed maakt is hoe hij een wordt met z'n omgeving. Kennelijk van jongsaf geleerd.

 Niet opvallen, nooit aanstootgeven. Hij en z'n vrouw en zoon dragen uit: 'wij zijn er niet'. Ze ver­zinken in hun inter­ieur met 'klassieke' meubelen, hun tegels en pannen met versleten fanta­siemotieven, hun flatje.

 Tot er in de flat beneden waar een jong stel woont iets ge­beurt wat op moord lijkt. De dader, een jongen die zijn vriendin vermoordde, dringt huize Patrascu binnen als vriend van het zoon­tje om ook daar het verzwijgen af te dwingen.

 Dat lukt, lijkt het, in een land met een wegkijkcultuur die in generaties groeide.

 Eigenlijk gebeurt er in 'One floor below' van Radu Muntean helemaal niets. En dat is precies het onderwerp van de film. 

Japan Modern en verder

 Binnen veertig, vijftig jaar (1870-1910) van de Middeleeuwen naar de moderne tijd. Hoe dat eruitzag zie je aan de houtsneden op Japan Modern in het Rijkmuseum. Heel lang, tot rond 1900, was de houtgesneden prent geen erkende kunstvorm in Japan. Ze waren reclames voor de sterren van theater, voor courtisanes, souvenirs. Een industrie. De ontwerpers en drukkers waren eeuwenlang weer anderen dan de houtsnijders. Tot in 1904 Yamamoto Kanae het allemaal zelf ging doen en als zelfstandig kunstenaar werd erkend.

 Wat in het Rijks, bij Japan Modern boeit zijn de mengvormen van traditie en Westerse invloed.

 Japan stond sinds 1870 open voor buitenlanders, en het Japonisme was omgekeerd een grote mode in het Westen. Ik dacht aan de affichekunst zoals die in Parijs bloeide. Oorspronkelijke blikpunten als vogelperspectief, mensen gezien in zijaanzicht of driekwart. Filmisch. Daarbij blijf je de houtsneden - opeens de steden van Frans Masereel - er doorheen zien.

 In de architectuur zijn de ramen vaak zeer horizontaal of zeer verticaal. Er bestaat zoiets als 'Japanse ramen' in vroege betonbouw.

 Vaak kijk je in vogelvlucht. Meesterlijk blijft de meeuw van Kawabata Ryusi (1916) als repoussoir.

 Veel 'moderne' vrouwen in het Rijks. Een rug kan opeens niet meer geblanket zijn maar blozend en aanraakbaar.   

 En dan de interieurs! Hout en papier, de kunst van het wonen. Met tot vandaag schoenen uit.

 Hoe het verder ging zie je hier niet. Er bestaan prachtige nieuwsprenten van de zeeslagen in Russisch-Japanse oorlog. De eerste keer dat een niet-Westers land een Westerse natie versloeg. 

Tags: 

Pagina's