Bai Hua

 'Tussen de dingen dichten of schrijven.' Zo noem ik het. Een zeldzaamheid. Ik vond het weer bij Bai Hua, in 1990 vertaald door Maghiel van Crevel voor het tijdschrift Raster, waaruit het moois beetje bij beetje gedigitaliseerd terugkeert. Dit is 'Namiddag'.

 'een bezorgde stilte is al voelbaar

in een openliggend prozaboek

in een nog naklinkend lied

het is zo; ik heb het opgemerkt

en er is nog iets van meer belang:

iemand loopt naar binnen en weer naar buiten

voor je inslaapt verzink je in gepeins

waar staart de vruchteloze spiegel naar

aanstonds aan te snijden fruit

of een ondiepe bruine droom

‘s middags slaap je uiterst vast

en je humeur wordt wijn

het is zo; ik heb het opgemerkt: al deze dingen

ja zelfs de gordijnen bezitten een zekere schoonheid

je droom bevindt zich in een overgang

dit is de beste tijd

maar pas op, zelfs al heb je niets om handen

want gevaar is geen prater

als een gebeurtenis

als iemands schaduw zo zachtaardig

loopt het naar binnen en weer naar buiten'

 

 Bai Hua, geboren in 1930 in Xinyang, maakt - als hij nog leeft - toneel, films en gedichten. Altijd op gespannen voet met de autoriteten. Het laatste vindbare bericht is dat hij in stilte met zijn vrouw in Sjanghai woont. 

Wat Picasso zag

 In de zomer van 1905 was de toen 23-jarige Pablo Picasso in Alkmaar, Schoorldam, Schoorl. Op uitnodiging van een Hollandse vriend. Hij tekende en schilderde. Maar wat? Van­middag zag ik het in het Alkmaars museum.

 Vrouwen en meisjes vooral. Jaloers schrijft zijn vriendin Fernande Olivier, die in Parijs achterbleef wat Picasso haar vertelde van hun aanhankelijkheid. In de catalogus schrijft Gerrit Valk dat hij zich vrolijk maakte over hun lengte. Zelf was ie 1 meter 63..

 In 1960 werd hij door Bibeb geïnterviewd voor Vrij Nederland. En vertelde dat hij in Schoorldam een Nederlandse had gekend die van de duinen rolde. Wat geweest zou kunnen zijn op de traditionele 'Meidenmarkt', waarbij meisjes zich op tweede pinksterdag verzamelden op het klimduin en zich naar beneden stortten in de armen van de jongens. In 1905 viel dat op 12 juni.

 Van de drie gouaches die hij maakte zijn er twee bewaard. Van de derde, een naakt met een hoedje is alleen een foto. Beroemd is La Belle Hollandaise die uit Australië overkwam. Ze draagt het traditionele 'hulletje' zoals het mutsje heette.

 De catalogus ontraadselt bijna haar identiteit.

 De andere gouache laat drie vrouwen zien, gekleed in het rood-wit-blauw van de vlag. Met erachter een in zijn ogen 'kubistische' stolpboerderij.

 Picasso zag wel wat in Noord-Holland.  

Tags: 

J.C. Bloem aan de IJssel

 Vanmiddag in de voormalige wasserij de IJsselstroom, in De Hoven tegenover Zutphen aan de IJssel. Er werden vijftig Bloem-gedichten voorgedragen door evenzovele stemmen. Omdat Bloem in 1966 stierf. En wat het meest opviel waren de lachjes in het publiek. Die heel geleidelijk doorbraken.

 Waarom? Bloems zich almaar her­halende ironische mistroostigheid begon komisch te werken. Alsof de dichter zichzelf in zijn gedichten te grazen nam.

 Was dit de ware ironie? Had ik Bloem altijd verkeerd begrepen?

 Bij de Dapperstraat werd het helemaal erg. Meende hij dit nou? Het leek onwaarschijnlijk dat Bloem zelf ooit domweg gelukkig was geweest in zoiets als een 19de-eeuwse Ams­ter­damse volksbuurt. Of zich dat zelfs maar had kunnen voor­stel­len. 

 Het leek me dwaasheid. Bloem was een getourmenteerde aristocraat, verwend tot en met.

 Ik dacht aan Randy Newman die ik eens vroeg of zijn liedjes ooit weleens autobiografisch waren.

 'Nee, nooit.' Hij legde het me uit.

 En zo zag ik vanmiddag het personage voor me dat JC Bloem zich had ingebeeld toen hij De Dapperstraat schreef. Een zeurende intellectueel, die niks met natuur had. Natuur was voor ‘tevredenen of legen’. Maar graag klaagde over de teloorgang van het Nederlandse landschap. Terwijl Bloem zelf toch zo graag over duin en zee schreef, na zijn Kijkduinse tijd. Wonderen die je bij je draagt, waar je ook gaat.

 En dan komt de stem van de dichter: 'Alles is veel voor wie niet veel verwacht.'

 Bloem verrees vanmiddag uit de IJssel.

Tags: 

Bloemdag

 Morgen is het in Zutphen ‘Bloemdag’. Vijftig gedichten worden voorgelezen en meer. Ik bracht er mijn eerste zes jaren door en kijk terug naar het eerste naoorlogse jaar, toen Bloem (1887-1966) aan de Deventerweg woonde en ik als driejarige aan de overkant in de Heeckerenlaan. Beide huizen waren half verwoest tijdens de bevrijding door de Canadezen.

 Mijn moeder kende mevrouw Bloem, Clara Eggink, ze deelden een werkster. Ik ben wel mee geweest en zat dan op de knie van Bloem, vertelde mijn moeder.

 Niet dat ik me die knie herinner. Niet dat mijn moeder gedic­hten las. Om met Szymborska te spreken 'Mijn moeder las geen gedichten.’

 Bloem werkte in het gerechtsgebouw aan de Martinetsingel. Tegenover het huis waar mijn fluwelen tante, tante Karin Waardenburg woonde, onder de Drogenapstoren. Ik heb vaak bij haar gelogeerd. Ze leerde me tekenen, ze tekende mij.

 De verwoestingen van de oorlog waren overal en gewoon. Mijn Zutphen was net als dat van Bloem, puin. Geen ruit meer heel. Het glas in erker en de spiegelruit provisorisch vervangen door keukendeurtjes waar nog raampjes in zaten.

 Ik verkende als vierjarige de straat. Er stond een verlaten spoorwagon op het landje achter het Oranjeplein, waar wij in speelden. Vol drollen.

 Een jaar later liepen de weilanden tussen het spoor en de achterkant van de huizen aan de Deventerweg onder. Er lag daar een roeibootje. Ik stapte erin en de boot dreef weg. Het volgende was dat mijn moeder tot mijn verbazing door het water aan kwam waden en de boot achterhaalde. Terwijl ik net plezier kreeg in het varen.

 Morgen meer. Om twee uur begint in de Oude Wasserij De Ijsselstroom, Vliegendijk 16 te Zutphen de ‘Bloemlezing’ met een inleiding door Aad Meinderts. Hij is bezig een boekuitgave te maken van de 90 brieven die Bloem vanuit  Zutphen en Warnsveld aan zijn geliefde Irene Vorrink schreef.

Dingheid

 Verder neuzend in het net verschenen grote boek 'hoe de dingen ons bewegen' kom ik bij Anneke Brassinga die als kind al de waarneming en benaming van voorwerpen - zoals die haar door vol­wassenen werd voor­gedaan - wantrouwde.

'...uit die twijfel groeide de vraag of de mensen om mij heen niet in een volstrekt andere wereld van gewaarwordingen verbleven dan ik...'. Omdat ze nog te klein was om door het raam naar buiten te kijken moest ze maar vertrouwen op andermans waarneming.

 Bij mij sloeg de twijfel toe toen het buurjongetje met wie ik opliep zei: 'Je verliest wat...'. Toen ik de stoep achter me afspeurde en hem vragend aankeek zei hij giechelend: 'Je voetstap.' En bracht me in een verwarring die tot vandaag voortduurt. De voetstap die ik net nog had neergezet op de stoeptegels was onnaspeurbaar verdwenen.

 Een voetstap was geen ding. Wat wel? Zo betrad ik de wereld van de onzekerheden. Zoals mijn schoenmaat, die steeds groeide. Mijn lengte, die met streepjes op de deurpost werd bijgehouden en steeds veranderde. Van niets was je zeker. Erger werd het toen ik vreemde talen hoorde. En de dingen zich losmaakten van hun namen.

 Anneke Brassinga redde zich door zich te hechten aan wat ze noemt 'De dingheid der dingen': 'Alsof zelfs datgene wat door mensen en machines gemaakt is, los daarvan, en los van hun bruikbaarheid een individualiteit bezit, zoals ook de woorden, los van hun gebruik, naar mijn gevoel een eigen leven leiden.'

 

Elle

 De film begint met een bedachtzame Isabelle Huppert, maar krijgt al snel een razende haast waardoor je geen kans krijgt personages en situaties beter te leren kennen. Het interesseert je dan niet meer wat hun motieven zijn, wat ze overkomt. Blijft over psychoslapstick.

 Een ingewikkelde Hitchcock-achtige plot waarin Isabelle Huppert als Michelle een jeugdtrauma verwerkt in herhalingen van sm-motieven. Een bevroren vrouw.

 Al blijft Verhoeven goed in het oproepen van seksuele spanning, Huppert krijgt te weinig kans om haar scenes uit te spelen. Ze wil maar geen personage worden.

 En het begint zo mooi. Er breekt opmerkelijk veel. Na de eerste verkrachtingsscene gaat Huppert de scherven opvegen. Haar kat staat duidelijk voor het kwaad, is net niet zwart maar grijs. Ook het sluiten van de luiken bij naderende storm samen met wat later de boosdoener blijkt is mooi omineus.

 Maar dan blijft het verhaal hangen in een herhaling van zetten. Seks en geweld zijn niet spannend meer. De herhaalde gewelddadige verkrachtingen door de man in het gemaskerd verkleedpak worden een beetje komisch.

 De boodschap blijkt aan het eind: er schuilt ziekigheid in de mensen en we zullen nooit weten wat bij wie. Zeker de natuurlijk domme politieman niet. Zodat we naar huis gestuurd worden met de dooddoener 'dat hadden we toch nooit achter hem of haar gezocht'. 

Lies van Gasse

 De dichter-schilderes Lies van Gasse heeft een meesterlijk boek getekend en geschilderd. Haar hoofdfiguur in 'Nel, een zot geweld' is de vrouw, de muze, het model, van de schilder en beeldhouwer Rik Wouters (1882-1918). 'Een zot geweld', naar het bekende beeld van Wouters, is een biografie in beeld, lijkend, pakkend. Lies heeft zich al schilderend met Nel - en Rik - vereenzelvigd.

 Dat werkt. Nel had van Wouters al iconische trekjes meegekregen. Zelf had ze daar van harte aan meegewerkt met haar ponyhaar, de roodwit gestreepte rokken en jurken. Bij Wouters was Nel al een verhaal geworden. In haar eigen memoires heeft ze dat later nog verder aangezet. Nel ontwierp zichzelf, maakte haar eigen kleren. Bij Lies van Gasse krijgt ze nu een geschilderd heiligenleven.

 Eric Min, de Wouters-biograaf geeft zich in zijn inleiding gewonnen: 'Noem het verbeelding,' zegt hij, 'noem het waarachtigheid,'

 Lies van Gasse tekent en schildert in de schoenen van Rik Wouters. Ziet Nel opnieuw, brengt haar tot leven, in luttele verfstreken, in al haar houdingen en bewegingen.

 Drama genoeg. Kort na hun gelukkige jaren op de Bezemhoek, randje Bosvoorde in Brussel, moet Rik in dienst. De Eerste Wereldoorlog drijft soldaat Wouters op de vlucht naar Nederland. Nel volgt hem. Als hij dan kanker krijgt belandt hij in het Amsterdamse Prinsengrachtziekenhuis. Ze wonen op de Derde Kostverlorenkade. Tegelijk exposeert het Stedelijk zijn werk. Hij wil het per se zien, maar laat een bloedspoor achter op de Stedelijk-trap. Dan sterft hij en wordt tijdelijk begraven op de Katholieke kerkhof tegenover waar nu de Rietveld Academie is.

 En later bijgezet in een verzamelgraf voor oorlogsslachtoffers in Bosvoorde, waar hij zijn gelukkige jaren beleefde met Nel.

Tags: 

De dingen

 Nu kan ik m'n vingers laten gaan langs het omslag van het net verschenen grote boek 'hoe de dingen ons bewegen'. Ik schreef hoe huizen mij bewogen, drieëntwintig anderen vertelden van hun omgekeerde werelden. Een van hen, K.Michel, over de schakels tussen ons en de dingen: knoppen en toetsen.

 'Vroeger was een knop een teken van macht. De regeringsleider had een rode knop, de generaal had een rode knop.' (...) 'Nu beginnen de knoppen door het oprukken van de toetsen steeds meer terrein ter verliezen...'.

 Michel schetst de overgang van bevelen naar 'toegang vragen', met een code, zodat het wantrouwige apparaat weet dat jij jij bent. En daar sta je met de pet in de hand.

 De volgende stap is het verbond van apparaten. "Je loopt bijvoorbeeld door een groot warenhuis en jouw aanwezigheid zorgt ervoor dat er diverse netwerken worden geactiveerd die op jou reageren, oa. door boodschappen naar je telefoon te sturen en gegevens over je winkelgedrag naar 'dataonderzoekers' te zenden. Geen opdracht of verzoek meer nodig."

 Daar heb je het. De vraag lijkt weer 'wie is hier de baas'. Of beter, wie is hier lui.

 Sinds de zelfdenkende lantaarnpaal die een kapot peertje bij de centrale meldt is de vraag of de dingen van assistenten tot managers worden en het van ons zullen overnemen. Het is een kwestie van tijd voor een computer voorgoed wereldkampioen schaken wordt, zegt men. Maar een computer die zelfstandig de straat kan oversteken zonder te worden aangereden zal nog even duren.

Ton van Bergeijk

 Mensen hebben tien vingers, ook gitaristen. Maar de uitvinding van het plectrum maakt dat ze er doorgaans maar zeven gebruiken. Alleen de zogeheten fingerpickers gebruiken ze alle tien. Ze spelen met hun nagels, of met fingerclips. Nog hoor ik Ry Cooder in onze studio geschrokken prevelen 'shit I broke a nail'. Nailpolish, versterkende olie werd aangerukt.

 Rond 1970 belandde ik in de wereld van de Fingerpickers. In Nederland een handvol, Leo Wijnkamp - over wie later meer - was er, Frank Sutherland, en via Frank maakte ik kennis met Ton van Bergeijk. Ook al een Haagse jongen, die met Philip Kroonenberg een duo was geweest.

 Ik nam zijn fingerpicking stukken op en Stephan Grossman maakte er in Rome een plaat van die met een instructieboek de wereld rondreisde. Ton kreeg brieven uit Japan.

 Geld was er niet, de radio bood uitkomst, hij speelde bij de Gangbusters, de Izzies en de Dutch Swing College. Met plectrum, dat wel. Maar het fingerpicken heeft hem nooit verlaten. Deze week kreeg ik de gloednieuwe CD 'Pic­kin' again' met een briefje waarin hij schrijft 'jij was de enige in Nederland die in de jaren '70 aandacht aan mijn fingerpick-gedoe heeft besteed. Amigos de Musica was dat.'

 Ik luister en hoor favorieten als Jerry Reed voorbij komen,  James Booker, Chet Atkins en meer. Adembenemend. Later het Van Bergeijk verhaal. Geen klein verhaal..

Aan zee

 Vandaag de laatste dag van Poetry International. Voor mij onbereikbaar. Wie ik onder meer miste was Anneke Brassinga, met wie ik eens haar bossen van herkomst opzocht, Schaarsber­gen. Nu zie ik haar op de site van Poetry met zee. Twee keer zee van een bosvrouw. Eerst 'Aan zee':

 De wind weegt de woorden/ bevindt ze te licht/ de wind huilt, veegt de woorden/ van tafel, uit het zicht

 het stormvogeltje dat ze opslikt/ zal stijgen tot de hoogten/ van de reuzenalbatros/ of alleen nog willen krijsen/ zoals ik, bestoven aap op stok.

 En dan 'Elementa':

 Als ieder ogenblik een ongekend begin is/ van nasleep die pas over eeuwen/ licht zal werpen op dit nu -

 zijn de bekende woorden sterrenschijnsel,/ amechtig arriverend, veel te laat./ Waar kunnen we dan nog over praten? 

 Alleen de lokstem van het water zwatelt/ in strikt hedendaagse taal, geen touw/ aan vast te knopen; zeker niet

 op het razende tijdstip van je verschuimen/ in een onophoudelijk liggen gaande/ onophoudelijk weer opstekende storm.

Allebei uit: Wachtwoorden (2005) 

Pagina's