De tantes

 Ze waren de dochters van de bakker op Wolfaartsdijk in Zeeland en wat men toen noemde 'overgeschoten'. De beide zusters van mijn grootvader kwamen terecht in het Westland. Honselersdijk, tegenover de veiling, tussen de kassen.

 Tante Bella gaf daar les aan de huishoudschool, tante Dien, die eigenlijk Dingena heette glimlachte stilletjes maar zei zelden wat. Ze deed het huishouden, las boeken en stierf al vlug. Dien was een mooi meisje geweest maar verlegen. De mannen die gekomen waren zinden haar niet.

 De tantes adopteerden een weesmeisje, Jannie, die ook op foto staat. Jannie zorgde voor ze, tot Loek kwam, een robuuste Westlander op een Kreidler bromfiets.

 Bij tante Bella ben ik nog tegelmatig op bezoek geweest. Ik kreeg dan thee met een chocolaatje en een Peter Stuyvesant. De asbak had de vorm van een vis. Later moest mijn moeder vaak met haar - met de WSM-bus - naar Den Haag om kleren. Ze konden maar niet ‘slagen’.

 Nog huizen in mijn neus de tante-geuren, opgedaan tijdens welkom en afscheid.

Tante Helen

 Paul Claes heeft nu ook 'Prufrock', het debuut van T.S.Eliot (1917) vertaald, zó dat de geestige, lichte toets bewaard blijft. Prufrock was de naam van een meubelfabriek in z'n geboortestad Saint Louis. Het personage J.Alfred Prufrock dankt er ook zijn naam aan. Zo relativeert Eliot - lijkt me - zijn bestaan en het dichten.

 Van tantes, over wie ik niet genoeg kan horen, wist hij ook. Dit schreef hij over de dood van tante Helen:

 'Mijn tante Helen Slingsby is nooit getrouwd,/ Ze woonde in een klein huis bij een chic plein/ Onder de hoede van een viertal knechten./ Toen zij stierf was het stil in de hemel/ En stil aan haar einde van de straat./ De blinden gingen dicht en de lijkb­ezorger veegde zijn voeten -/ Hij had zoiets al eerder meegemaak­t./ Er werd naar behoren gezorgd voor de honden,/ Maar kort daarop stierf ook de papegaai./ De Saksische klok op de schouw tikte door/ En de huisknecht zat op de eettafel/ Met op zijn knieën het tweede dienstmeisje -/ Die zo oppassend was geweest toen haar meesteres nog leefde.’ 

Tags: 

Mirakelen in Dordt

 Wat Stedelijke musea zoal bewaren laat Peter Hecht in Dordrecht zien. De ‘Schatten uit Deventer, Leiden en Dordrecht’. Hecht neemt afscheid als hoogleraar en koos voor de combinatie schilderijen en voorwerpen.

 Uit Leiden komt dit 'Mirakelbrood'. Dat tegenwoordig bewa­ard wordt in Ons' Lieve Heer op Solder, de schuilkerk in Amsterdam.

 Tijdens een hongersnood in 1315 in Leiden had een vrouw een brood bemachtigd. Haar buurvrouw die om een stukje vroeg poeierde ze af. Het brood was al op zei ze. Maar toen ze er zelf weer wat van wilde eten bleek het versteend. Die steen werd in de Leidse Pieterskerk bewaard. En kwam later in het museum De Lakenhal terecht.

 Een mooie variant op het verhaal van Koning Midas uit ons katholieke voorland. Zou de steen bij de jaarlijkse Stille Omgang worden meegedragen? Hecht vermeldt het niet.

 Meer Leiden: Deze Leidse dames van Bakker Korff bidden voor het eten. Het is 3 oktober, de dag van Leidens ontzet, en dus eten ze hutspot met klapstuk. Het hondje krijgt straks ook wat. Een exemplaar van de zelfde pan staat op de tentoonstelling.

 PS. Nog steeds is er jaarlijks in maart in Amsterdam de nachtelijke Stille Omgang, waarin een ander mirakel wordt herdacht: dat van de zieke die in 1345 een hostie het vuur in braakt, die geen vlam wil vatten. 

Meer aardappelen

 Aardappelen Piet staat niet meer op de markt. Te oud. Zijn zoon Peter nog wel. Piet, die ik altijd onthouden zal om dat ene antwoord. Er kwamen steeds meer deftige dames op de markt die aardappelen aanwezen. De aardappel was niet meer zomaar wat, met een Opperdoes kon je aankomen als je mensen te eten kreeg. En dan vroegen de dames: 'Waar komen deze vandaan?' Waarop Piet - ik zag het aankomen - antwoordde: 'Uit de grond mevrouw.' Aan Piet dacht ik bij de brief die Karel van den Woestijne in 1901 schreef aan z'n vriend Adolf Herkenrath. En waarin twee boeren - vader en zoon, die zijn land bewerken in Sint‑Martens‑Latem worden aan­gehaald. Het regent:

 "- Van dat labbers-weer is eerste klasse voor de pataters in droog land,' zegt verstandig de oude boer die in mijn veld delft; hij heft zijn hooft op, en zijn ogen gaan van aarde naar hemel en dan naar mij; en hij knikt met wijs voorhoofd; 'Gij zult hier een goede vrucht winnen.'

 Ik sta, en zie ze in de aarde gaan, vlijtig spitten. Zij gaan onder den hemel van den avond en krommen hun rug. En, met een flits der spa ploft de aarde, omgekeerd, snee voor snee, in dikke sneden. De eene boer is oud, met jong lijf, en de vader van den ander, die ros haar heeft en lachende tanden. De oude is klein, schraal tegen 't geluchte, in den grond, zo een met de grond; hij vertelt met zoete stem en als at hij een sappige peer: "t Ligt hier hooge en drooge; maar peins niet dat het straatland is: gij wint hier een goede vrucht, en toekomend jaar zal het koren er brieschen.'

 En zo door. 'Gij moet het land zijn gerief geven: een patater barrevoets planten is niets weerd, als ge hem geen courage geeft met hem wat beer te geven, of een snuifken guano.'

 Ja, beer is uit de beerput en guano is Chileense mest.

 En kijk: de oude boer die hier spreekt werd door Karels broer Gustaaf geschilderd in 1911.

Geluk en aardappelen

 Sint-Martens-Latem, nabij Gent aan de Leie, was rond 1900 het schildersdorp waar het Vlaamse expressionisme bloeide, Met nog altijd geëxposeerde schilders als Permeke, Gustave De Smet, Frits van den Berghe en Gustaaf van de Woestijne. Van wiens broer Karel ik een boekje bezit met brieven, geschreven in 1901 aan een vriend. Hij was toen 23 jaar oud.

 De 'Laethemse brieven' van Karel, die ook groenten verbouwde, zijn levendig met af en toe wat scheutjes Tachtigers-proza. Maar vooral een ode aan het oud-Vlaamse dorpsleven. Op 15 april schrijft hij:

 'Het druilen van dijzige dage voorbij, en het mopperen in gesloten kamers.

 Thans ben ik weer te huis, en adem; gij loopt met mooien das door steedsche straten. Ik echter ben weer een lands-man en voel teeder mijn woning zacht leven om mij, met de platen en 't open klavier en, in vazen, de sleutelbloemen.

 Ik ben weer thuis, en in de lente van mijn land; na de ziekte; en al dat verdriet ge kent het; - en die dorre liefde: als mooie veeren in najaarswind Ge weet hoe ik ben heen-gegaan. - Deed ik goed, deed ik slecht? Ik weet het niet. Ik wil geluk­kig zijn. God moog' me helpen...

 - Jonge viooltjes zijn onder mijn venster; zij geuren.

 Ik hoorde van avond den eersten koekoek; en de merels, die voor twee dagen verhaalden en floten, hebben gezwegen; dan blijft het mooi weer. - Ik ga zien wat ze met mijne aardappels willen doen. Vaarwel.’ 

 ps. Johan Velter vult aan: 'Er waren in werkelijkheid twee ‘latemse groepen’: de eerste groep rond 1900 bestond uit figuren als gustave van de woestijne, georges minne, albijn van den abeele. de expressionisten vormden later de tweede groep, met o.a. permeke, frits van den berghe en gustave de smet. karel van  de woestijne heeft ook over die 2de groep geschreven maar was toch eigenlijk meer verbonden met de eerste, de symbolisten.' Dank!  

Neon Bull

 Brazilie van een andere kant. Een afgelegen streek. Een klein rondreizend circus, tegelijk een onschuldige rodeo, de vaquejada. Met alleen jonge stiertjes, paarden en artiesten.

 Waaronder Iremar, de ontwerper die de vrouw die danst met een paardenhoofd op, in goud aankleedt.

 Alles is daar anders. Het is een ongewoon lieftallig circus, waar mensen en dieren lijf aan lijf leven. Bij het spel met de stieren gaat het er alleen maar om welke cowboy ze het eerst bij hun staart kan grijpen en om­kieperen. Aan die staartkwasten wordt veel aandacht besteed, ze worden gepoederd om goed grijpbaar zijn.

 De artiesten zijn door regisseur Gabriel Mascaro heel zachtmoedig uitgebeeld. Ze moeten een beetje ogen, gebruiken parfum om de strontlucht te bestrijden, en de mooiste jongen wast eindeloos z'n haar. Zelfs de stieren fluoresceren bij avond en krijgen gouden staarten. Wat surrealistisch uitwerkt in het sprookjesachtige landschap. 

 Mens en dier. Met als mooiste plaatje een lange, nachtelijke seksscene met een zwangere parfumverkoopster.

Im Lauf der Zeit

 Een verhuiswagen rijdt langs de Elbe, de grens met de DDR. Er blijkt filmapparatuur en gereedschap in te worden vervoerd. De bestuurder repareert projectoren in plaatselijke bioscoop­jes. Daarmee is de film, het onderwerp samengevat.

 Het is hoogzomer. Eerst is er alleen de chauffeur, dan komt er een Volkswagen kever aan die zo de rivier in rijdt.

 Een kalme opening. De inzittende hijst zich eruit. Heeft een koffer bij zich. Komt naar de kant. Dan blijkt dat hij eigen­lijk zelfm­oord wilde plegen na een mislukt huwelijk, maar terecht kwam op een zandbank. Vanaf dat moment is er een duo, waarin ik veel terug denk te zien van Wim Wenders en cameraman Robby Muller.

 Die avond aan avond piekerden over hoe de volgende dag verder. Robby Muller: "Het is me ook overkomen dat ik na een hele dag draaien, gezegd heb: 'Ik red het niet meer.' En dat Wim toen zei: 'Ja, ik ook niet.' En dan gingen we verder."

 Er is geïmproviseerd, dag in dag uit. Zodat je als kijker na een tijdje doelloos blijft staren naar de twee zwijgzame mannen en hun verhuis­wagen.

 Eigenlijk wordt de film gemaakt door het landschap, de gehuchten, de apparatuur, van projectoren tot een jukebox, een stokoude autoradio. Waartussen de camera van Robbie Muller, als een hond rondsnuffelt. En alles kan met licht. Binnen, buiten, met spiegelingen in autoruiten, in het donker, zonder dat je andere lampen ziet dan soms een tl-buis. De film staat buiten de tijd, tijdens deze eindeloze reis. Langzaamaan, overal kijken, de ritmiek van elektriciteitsmasten, het zondoorschenen geboomte boven de wagen.

 En het blijft altijd 1976. Het Michelinmannetje in het front van de wagen wordt 's avonds verlicht. Slapen doen ze in de cabine.

 In de Robby Muller tentoonstelling in EYE is een schitterende, gerestaureerde versie te zien.

 

 

De Mitford-wereld

 Waarom voelt Nancy Mitford lezen als luieren, nietsdoen? Het zou kunnen omdat de meisjes, heren en dames uit de Engelse upperclass in de jaren '20, '30 en '40 in haar boeken ook nietsdoen. Al zouden ze dat ten stelligste ontkennen.

 Ze hebben het immers erg druk met mogelijke huwelijken, kleren en vooral eten. Ernstige zaken als de jacht en bruidsmeisjes. Overwegingen betre­ffende gastenlijsten. Wie nodig je uit, wie niet.

 Ik geniet van de manier waarop gesproken wordt over wie er niet bij is als 'poor', wat niets met armoede te maken heeft want op de twee landgoederen in de boeken is iedereen rijk - maar met 'beklagenswaardig'. Ieder ander dan spreekster is beklagenswaardig, dat is de toon.

 Het waren zes zusjes. Een meisje Mitford dronk thee met Hitler. Nancy was de schrijfster. Haar familiegeschiedenissen zijn weer te krijgen in Penguin en ik lees ze. 

 Die upper class leeft voort in televisieseries zonder eind. 

 Het is alles een kwestie van stijl, van de juiste woordkeus.

 In Downton Abbey gebeurt dat trouwens heel verkeerd, zoals Sarah Hart pas nog tegen me ver­zucht­te onder een kopje thee. Daar vallen dingen voor die absoluut niet kunnen. Zoals eigentijds gepraat over gevoelens.

 IK lees nu Nancy Mitford's in 'Love in a Cold Climate'. Het commentaar op Linda Alconleighs voorgenomen huwelij­k met een bankierszoon:

 'Poor Alconleighs, 'she went on, in tones of deep satisfaction. 'No wonder they don't like it! What a silly girl, well, she always has been in my opinion. No place. Rich, of course  but banker's money (...).'

 In mijn hoofd begin ik mee te praten. 

Jacques Perk

 Het is gebeurd aan het Amsterdamse Haarlemmerplein, waar Jacques Perk (1859-1881) in het souterrain van het ouder­lijk huis woonde tot hij er 21 jaar oud stierf aan tbc. Hij liet de 'son­nettenkrans' Mathilde na. Honderden sonnetten aan een on­bereikbare gelie­fde.

 Perk is een van de reisdoelen in Nico Keunings opmerkelijke bundel litera­ire ontmoetingen 'Een vreemde bestemming'. Hij vindt Perk aan de Ourthe, in de Ardennen, waar Perk met z'n vriend Willem Kloos was.

 Op een gedenksteen in Laroche, staat zijn ode aan de Ourthe gebeiteld: 'die mij schaterend van pleizier opvangt in haar molligen schoot en mij de betraande lokken met natte kussen overdekt'.

 Een snelstromende bergstroom als minnares. De dandy, de voorloper van de Tachtigers, meende het. Uit een brief: 'Dagelijks doe ik 2 of 3 tochten, in het lichtgrijs gekleed, mijn roode kamermuts op, blauwe das en gele tabakszak bungelende tegen mijn buik.'

 Op de veranda van een café geniet hij van de 'gonzende eenzaam­heid', terwijl de 'blauwe wolkjes' van zijn sigaar 'weg­dartelen in den zonneschijn'.

 In september 1881 wordt hij weer ziek. Tegen zijn vader, de dominee, zegt de agnosticus Perk: 'Ik ga met volle bewustheid de eeuwigheid in; morgen zijn haar mysteriën, waarvoor gij nu nog staat, mij onthuld.' 

Reiskoorts?

 De Haarlemse Hallen brengen 'Reiskoorts', werk van Nederlandse kunstenaars die de afgelopen 150 jaar de grens over gingen. 'Om elders inspiratie zoeken,' zegt de toelich­ting.

 Reizen blijkt voor schilders gevaarlijk terrein. Wat voor een reizende buitenlander bijzonder is kan ter plaatse doodgewoon zijn. En dan zijn er helaas de erkende bezienswaardigheden. Zo zie je het San Marcoplein, de Place de l'Opera en San Gimigniano.

 En dan de vorm. Rudy Fuchs gaf eens op tv een memorabele uitleg van de ansichtkaart. Ze lijken allemaal op elkaar, die schöne Ausblicke. Het doorkijkje, de baai, het repoussoir (de boomtak boven het landschap of stadsgezicht).

 Maar de echte uitblinkers ontkomen, ook hier. Isaac Israels ontsnapt met zijn groentestalletje in Bern en vooral de in drie streken neergezette voorbijgangsters bij de Engelenburcht in Rome, Jan Sluijters ziet uit op Montreux bij avond, Willem van Genk kent zijn treinen - prachtig Kiev station - en als Joost Conijn in z'n film de grens over gaat met z'n auto op houtgasgenerator komen er onverwachte reacties.

 Een gewoon mens gaat met vakantie, een kunstenaar reist. Met schetsboek of aantekenboekje op zak. En liefst vervuld van Fernweh.

 Volgend jaar zou ik eens de vroegste Hollandse bezoekers van Rome willen zien, vanaf Van Scorel. Want 't is waar, ze kwamen er al vroeg, velen werkten aan Duitse vorstenhoven en waar niet. 

Tags: 

Pagina's