The Land of the Enlightened

 Nasrallah de Afghaan stond helemaal achteraan in de rij toen God de landen uitdeelde. Er was geen land meer over. God zei dat het hem speet en gaf tenslotte zijn eigen tuintje aan de Afghaan. En we zien dat dit paradijs de plaats is waar de papav­ers groe­ie­n.

 Een diepe ironie. Het paradijs als opiumdroom. Het land van de verlichten die in Gods tuin wonen. Zo maakt de Belg Pieter­‑Jan De Pue Af­ghanistan tot een verhaal.

 De eeuwigdurende stammenoorlog op dit kruispunt tussen de routes van Noord naar Zuid en Oost naar West, de Khyber pas. Altijd was er bovendien bemoeienis van Russen, Engel­sen en Amerik­a­nen. En de opium. De rest van de film gaat over de strijd om dat paradijs.

 De strijd als droom. Running gag: de Amerikanen gaan weg, nu komt alles goed onder de Afghaanse sterrenhemel. Iedere gesneuvelde soldaat wordt een ster. Dan zal het 's nachts licht zijn. En ooit zal de hemel het licht aan de dag teruggeven. The land of the enlightened.

 De Pue laat verleden en heden van Afghanistan zien door de ogen van een jongetjesbende die handelt in lapis lazuli, het eeuwenoude blauw, koperen patroonhulzen, opium, onontplofte tankmijnen.

 En meer verhalen, een georganiseerd kattengevecht. Als de witte wint is Afghanistan van de jongens.

 Tenslotte bereiken ze het paleis waar de jonge strijder zijn prinses heen wil brengen. Het blijkt het verwoeste Koninklijk paleis in Kaboel.

 Af en toe zwenkt een roofvogel over het landschap: de camera der eeuwen.

Queensize

 Nooit geweten maar het blijkt een heel grote maat bed te zijn. Waarom die zo heet vermeldt de catalogus bij de Arnhemse tentoonstelling niet. Heeft een vrouw meer ruimte nodig in bed?

 Wat je te zien krijgt is vrouwenkunst, of kunst van vrouwen, maar dat zonder veel nadruk. Zou de lindenhouten Vrouw in bed (2003) van Paloma Varga Weisz niet ook door een man gesneden kunnen zijn? Een wonder van vakmanschap, want verkeerde sneden zijn irreparabel, en het hele beeld is uit een stuk, inclusief boomstam.

 En ook het dromende meisje in spijkerbroek met het Australische dier de Wallaby op haar rug, gemaakt uit oa. siliconen en glasvezel, van Patricia Piccinini (2009) zou van een man kunnen zijn.

 Er is genoeg dat aan elke thematiek ontsnapt. Zoals ook het raadselachtige rugschilderij van Ellen Altfest (2009) waar je met je neus op moet gaan staan om te zien dat de rug op onverwachte plaatsen begroeid is met kleine donkere kriebelhaartjes.

 Vergeet dus ook de driedeling in levensfasen, en de bijbehorende wijsgeerde die curator Nicola Graef op de kunst uit de Olbricht-verzameling heeft losgelaten - de rol van de vrouw in onze samenleving etc. - maar kijk, er is genoeg.

 Zoals de verveelde sushi eetsters van Almut Heise (2005) of filmster Julia Roberts als vampier van Dawn Mellor (2010) of haar Mia Farrow beklad met dialoogregels.

Apeldoorns kanaal

 Wim was een boerenjongen, dat zag je aan de manier waarop hij liep. Een beetje schuins. Hij werd geboren in Voorstonden, gemeente Brummen. Er staat een klein kasteeltje waarheen mijn moeder met mij achterop wel  fietste. Ik woonde in mijn vroegste jaren iets verderop, in Zutphen en later in het dorp Eerbeek, waar zijn ouders in de papier werkten. Het  Apeldoorns kanaal scheidde ons.

 Eerbeek, een paar kilometer voorbij Voorstonden telde zeven papierfabrieken. Toen hij geboren werd woonde ik al in Den Haag. We scheelden veertien jaar. Maar deelden de IJsselbrug en woorden als 'spoorsloot'. En hij kon me altijd nurks op z'n Veluws aanspreken: 'Zo Noordhoek..'.

 Met niemand heb ik ooit schreeuwende ruzie gemaakt behalve met hem. We stonden te schreeuwen midden tussen de mensen in het VPRO--beton. Rood waas voor m'n ogen.

 Tegelijk vond hij me ‘de beste redacteur’ en liet hij me z'n stukjes en zelfs gedichten nakijken. Dat ging zo: ik veranderde wat ik niet goed vond - een enkel woord, een zin hooguit -en stuurde het terug, met korte toelichting. Hij antwoordde nooit. Meestal ging de kopij dan zo door naar het blad waar het voor was.

 We waren het gloeiend eens over wat we met radio en televisie wilden. Maar de omgang met collega's viel hem vaak zwaar. En omgekeerd.

 Eens, het was bij een gesprek met Nop Maas in het Haagse Pulchri prees een dame hem om zijn 'empatische' manier van interviewen. Waarop Wim luidop komisch verzuchtte: 'Ja, eigenlijk zou ik altijd op de televisie moeten zijn.'

 Een van m'n mooiste complimenten was zijn opmerking dat het toch een mirakel was dat ik de vriendschap zoveel jaren had volgehouden.

Tags: 

Terug naar Greonterp

 Vanmorgen deze mail van Teiger en Woelrat aangaande de tiende sterfdag van Gerard Reve:

 'Vorige week zaterdag, vroeg in de avond, rijden we naar Greonterp, kijken naar binnen door het nieuwe keukenraam van Huize 'Het Gras' en zien we dat de deur naar de Grote Salon met de deurdranger nog hetzelfde is als vroeger. We horen de deur weer kraken en Gerard roepen: 'Á table! Á tabl­e!'

 Het prunusboompje dat wij geplant hadden staat op het punt te gaan bloeien. En de typische geur van het land daar roept herin­neringen aan vroeger op. Op het kerkhofje bloeien nu trompetnarcissen. Het dorpje lijkt uitgestorven.

 Maar Trees Galema, die met haar man Hans de enig overgebleven inwoners uit onze tijd zijn, heeft ons opgemerkt en komt naar buiten om ons te begroeten.

 Op de terugweg rijden we nog wat rond door Blauwhuis en eten een uitsmijter in café 'de Freonskip', waar eens in de feestzaal boven de 'Schone en Meedogenloze Jongen' uit Gerards boek Nader Tot U zich vertoond had. Er heerst een luidruchtige, uitgelaten steming. Dan schieten ons de woorden te binnen die Gerard bijna dagelijks uitsprak: 'Onze enige zekerheid is de dood.' Deze woorden besluiten we te gebruiken in de sjaal ter gelegenheid van Gerard zijn tiende sterfdag. De kleuren vann de Peruaanse primakatoen van de sjaal zijn blauwgrjs en antraciet. De prijs E 75,-. '

  Op bijgaande foto ligt dit ontwerp bij de tweede gevelsteen van Huize Het Gras 'Pati et Contemni', 'lijden en veracht worden', die in het jaar van Gerard zijn sterven spontaan van de muur is gevallen en door ons in brokken mee naar huis is genomen.

 Vanavond herdenken we Gerard Kornelis van het Reve in de galerie van Anita van Os, 'Galerie de Roos van Tudor', Eewal 47/49 Leeuwarden.’

Op de schop

 Zodra de schoppen de grond in gaan ontstaat midden in een stad iets wat tegelijk een werkplaats en een tentoonstelling is. Meestal haastig afgeschermd met tentzeilen. ‘Wat aarde bewaarde’ heette het ooit.

 Kunstencentrum de Appel is tijdelijk een site voor archeologische opgraving geworden. Een ‘vindplaats’. Tenminste zover het aan Saskia Noor van Imhoff lag. Haar inspiratie: de Amsterdamse Noord-Zuidlijn, op het tracé waarvan duizenden voorwerpen bovenkwamen. Van Middeleeuwse kruiken tot shampooflesjes van vorig jaar. Elk met hun verhaal.

 Zodat een curieuze mengvorm ontstaat van kunst en bodemonderzoek. Een potscherf of een tube is betekenisrijk en mooi tegelijk. Een lapje stof net zo. Of het gips dat om een gebroken arm zat en door Van Imhoff in brons werd gegoten. Wegwerpmateriaal als het komisch werkende doosje anti-aging creme. Van gevonden voorwerp tot museumstuk.

 En de omgeving van de vindplaats spreekt altijd mee, zoals een schilderij in het Mauritshuis altijd wordt meebepaald door de Hofvijver en het torentje buiten.  

 En dan de constructies die zo’n bouw annex opgraving met zich meebrengt. Van Imhoff fantaseert ze. En als toeschouwer krijg je nu de kans naar beneden in de gaten te kijken. Vaak geen idee wat daar gebouwd wordt en waarom.

 Soms is het gaaf, zoals het met veel moeite bovengehaalde Rijnschip in het Utrechts Centraal Museum. Maar net zo vaak haal je onbegrijpelijkheden omhoog.

 Het zou, dacht ik, wel goed zijn als alle kunst eerst ergens moest worden opgegraven. En daarna onderzocht op zijn merites. 

Klimt en Judith

 Zag in het Haags Gemeentemuseum de kleine tentoonstelling over de Judith en Edith van Klimt en Schiele. Opgebouwd rond het hoofd, van de legeraanvoerder Holofernes, afgehouwen door de Bij­belse verleidster Judith. Die in de schilderku­nst een symbool van eman­cipatie werd. 

 Wenen, daar gebeurde het rond 1900. Nette jongens gingen er naar de hoeren, nette meisjes werden opgesloten gehoud­en, maar soms braken ze los. Stefan Zweig somt in De wereld van gisteren op wat ze hielp: de Freudiaanse analyse, de lichaamscultuur en de sport. Opeens ging het anders tussen de geslachten.

 Daar komt Klimts Judith vandaan. Felix Salten, schrijver van erotische romans als Bambi (1923) beschrijft het. Het gouden 'collier de chien' raakte in de mode, Klimt zat in z'n gouden perio­de:

 'Men stelt zich deze Judith voor in een paillettenjapon van een atelier aan de Weense Ringstrasse en het is een schone Joodse dame, die in haar onder­gewaad premières binnenstuift en de blikken van de mannen aantrekt [...] vaak als men zulke slanke, pronkende Joodse vrouwen tegenkomt, wenst men dat deze opgesmukte stoeiende, speelse wezens door een vlug en heftig noodlot worden getroffen, waarbij alle brandstof die uit hun ogen spuit, vlamvat, omdat die nu slechts genoodzaakt is om burgerlijk als een nachtkaars uit te gaan.'

 Ziedaar, Klimts Bijbelse femme fatale. Dit uit de mooie catalogustekst van Frouke van Dijke. Als contrapunt staat Egon Schieles brave Edith tegenover Judith.

 

Wim en hond

 We rijden al vele jaren bij het begin van de zomervakantie naar een kleine plaats in Overijssel, achter Goor, waar de hond van Wim in een dieren­pension logeert als zijn baas en bazin naar het Zuiden gaan. Het wordt lang tevoren besproken. Monique weet het, ik weet het, en het meest van allen, weet de hond het. Dat merk ik als ik 's ochtends vroeg de kade kom opgereden.

 Daar staat Wim, met de hond en zijn lijn, en zijn dekentje.

Eén keer piepte de hond toen ie me zag, want ik ben verbonden met deze jaarlijkse reis en hij zag de bui hangen. Maar na een berisping van zijn baas zweeg hij. En berustte. Waar ik bij was heeft de hond nooit geblaft.

 Deze reis is uitgestippeld. Wim heeft een print gemaakt van een ANWB routebeschrijving en zal me, zoals ieder jaar onderweg vertellen waar ik moet afslaan. We volgen de A1 in de richting Apeldoorn/Hengelo en bespreken de literatuur, de wereld en de mensen. Bij afslag 28 wordt het menens. Van de snelweg af. En nu? Of het aan mij ligt of aan de ANWB, maar ieder jaar weer verdwalen we, ergens tussen de afslag 28 en de stad Goor.

 Wim heeft geen rijbewijs. De routebeschrijving is hem heilig. Maar die zegt nu weer - zoals elk jaar: ga na 450 meter rech­tsaf en volg Provin­ciale weg (N347) richting Goor.

 Was dit nu 450 meter? vraagt Wim. Nergens een afslag te bekennen. De hond zit muisstil achterin. Het wordt nu tijd Monique te bellen. Alles gaat immers goed. Alleen geen afslag. En zo rijden we - net als ieder jaar ‑ het centrum van Goor binnen, belanden op een erfje en moeten terug. Maar waarheen? Het hondenpension wordt gebeld dat we iets later komen, of ze dan nog open zijn?

 Ga na 8,4 kilometer linksaf de Haaksbergerweg (N347) op richting Haaksbergen. Heb jij een bord Haaksbergen gezien? Nee. Maar daar is het kanaal. En het ligt toch aan de andere kant van het kanaal. Ik rij naar de brug over het Twentekanaal. Wim bestudeert de routebeschrijving. Tweede afslag op de rotonde richting Haaksbergen. Dan moeten we nu op N 740 zitten, richting Neede. Wacht even. Nog een keer om die rotonde heen en jahoor, Neede.

 Als we eindelijk het terrein van het pension oprijden piept de hond zacht.

 Stil.

 En laat zich geduldig afvoeren. 

Tags: 

Zwaaien

 Soms is een enkel beeld genoeg. Sinds ik 'Schaduwgrens' las, het gedicht van Hans van de Waarsenburg, zal ik geen sluierstaartige vis in een aquarium voorbij zien zwemmen zonder te denken 'Ze zwaait naar me'. Want 't is een vrouw, vast. Ze heeft zich erop gekleed. En zie, ze komt weerom, en zwaait opnieuw:

 'Heuvels die glooien zie ik en soms zwemmen er

Vissen doorheen. Mooie vissen die naar me zwaaien.

 

Sluiers van gordijnen als het raam openstaat en de

Wind naar binnen waait. En hemels de geur van verre

 

Egyptische tabak, verpakt in platte sigaretten. Mijn lief,

Ik wil niets meer dan dit uitzicht vol mooie, naar mij

 

Zwaaiende vissen. De sluier van je haren en heuvels

Die glooien. Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt.'

 

Van de Waarsenburg (1943-2015) stierf vorig jaar en kon nog een bundel samen­stellen uit wat hij wilde nalaten: 'Een rijbroek uit Canada'. 

Mark Smeets komt

 Dit voorjaar - wanneer? - verschijnt bij Scratch Books 'De triomf van het tekenen', het overzichtswerk van meer dan 300 pagina's van het werk van tekenaar Mark Smeets (1942 -1999), samengesteld door Fake Booij, Piet Schreuders, Luuk Smeets en René Windig.

 'Hij lijkt er alles aan gedaan te hebben om zijn geniale werk geheim te houden en om na zijn dood zo snel mogelijk te worden vergeten', schrijft Piet Schreuders in de Str­ipgids.

 Hergé, zette hem aan het tekenen: 'Het zou me niet kunnen schelen als ik voor de rest niet deugde, als ik maar de prins‑bisschop onder de striptekenaars was.' Zijn werk verscheen aanvankelijk in underground bladen als Tante Leny presenteert! en daarna ook in NRC-Handelsblad. Maar de kern waren zijn schetsboeken. Tegelijk met 'De triomf van het tekenen' verschijnt bij Scratch ook 'Schetsboek 1993' van Smeets.

 Het stuk van Piet Schreuders en een portfolio met werk van Smeets staat in Stripgids 44.

 Mark Smeets was uniek, overtreft zelfs Robert Crumb als het gaat om een oplossing voor het probleem van generaties tekenaars: het stripverhaal, de literatuur, maar hoe dan verder? De graphic novel bleek een dood spoor.

 Het schetsboek, liefst onaf, fragmentarisch, met vlekken soms, zoals het in de literatuur allang bestaat opende een wereld voor hem. Landschappen ruïnes, onaffe bouwsels, personages weggelopen uit een onbekend Kuifje album. Tekstballonnen en kaders moesten het laten lijken op een stipverhaal, maar dat was het niet. 'Het moet niet te plaatsen zijn, abstract, absurd, uit de lucht gegrepen,' zei hij. Iets afmaken was iets wat wat ouders of opdrachtgevers wilden.

 Een door Piet Schreuders aangehaalde vriendin: 'Mark was niet sociaal en voelde zich niet in de wereld thuis. De buitenwereld kwam wel bij hem binnen, via kranten en radio, maar hij maakte er geen deel van uit.'

 Vanaf 1960 bezocht hij de kunstacademie Maastricht, waar ze geen raad wisten met striptekenaars. Wel was er contact en kwam bemoediging van Hergé en Franquin.

 In 1998 bleek hij aan leukemie te lijden. In 1999 is hij overleden.

Tags: 

Jan Toorop en het zweven

 Hoe Haags, denk ik, rondlopend door de Jan Toorop-zalen in het Gemeentemuseum, hoe Indisch ook. Al van jongsaf doe ik aan wegkijken als het om onze beroemdste symbolist (1858-1928), vader van Charley, gaat.

 Maar vanmiddag moest ik eraan. Kijken naar 'De zielen om de Sphinx' (1897) en raden naar de beweegredenen van een zweefkees. Die in het zelfde jaar (1893) beroemd werd met zijn Delftse slaolie-reclame - waaruit de Hollandse term slaoliestijl geboren werd voor Jugendstil - en zo'n draak als 'Fatalisme'.

 Dat je daar niks anders uit zou kunnen schilderen dan treurkoppies met een suggestie van diepzinnigheid drong niet tot hem door. Erg snugger was Jan niet.

 Hij heeft in vele stijlen gewerkt, van tachtigers en impressionisme tot pointillisme, wat de tentoonstelling tot een uitstalkast maakt van schildermodes. Maar schilderen wat hij zag was hem niet genoeg, hij wilde het hogere, het diepere.

 Het hogere en het diepere, de schuilplaats voor al die het hoog in z'n bol heeft en graag met geheven kin ongrijpbaar blijft.

 'Ja, dat begrijp jij toch niet'. De great escape, die ook door theosofen, soefi's en antroposofen wordt toegepast.

 Wees vooral onbegrijpelijk en suggereer veel. Doornen, rozen, geuren, golvende haren, geloken ogen. Mystiek, een scheutje Christendom. Kortom net wat dezer dagen zo gevraagd wordt: spiritualiteit. En ja, hij werd katholiek.

Pagina's