Soft Power. Arte Brasil

 Vanmiddag In de Amersfoortse Kunsthal Kade 'Soft power. Arte Brasil.' Botsingen van oud en nieuw. Van straatarm en corrupt rijk.

 Sprekend is de race voor boeren paardenwagens dwars door het centrum van de miljoenenstad Recife. Waarom daar? Het gaat om een ernstig pro­test tegen het verbod van paardenwagens in die stad. Zie ze vakkundig manoeuvreren, al zijn er ook botsingen geweest met auto's. 

 Ronduit mooi is het muzikaal protest tegen het regelmatig watertekort in Sao Paolo: een grote tafel vol plastic emmers vol of halfleeg met water, met elk op de bodem een luidspreker, die nog werkt ook. Het muziekstuk bevat losse noten die het membraam van de speakers stuk voor stuk laat trillen, zodat het water rimpelt, terwijl je onderwatergeluid hoort. Water is kostbaar in Brazilië.

 En dan zoiets als de kleurencirkel met alle denkbare huidskleuren van de Braziliaanse smeltkroes. Er zijn zelfs tubetjes met crème in die talloze tinten, die natuurlijk ook sociale gelaagdheid betekenen.

 Soms op mooie dagen denk ik weleens Amsterdam wordt een klein Brazilië. Maar wat weet ik?

 En een blik op de herkomst van Braziliaanse beroemdheden spreekt: Dilma Rousseff is deels Bulgaars, en Eusebio diep Afrikaans en?

 Maar het Petrobras schandaal grijpt diep in. Protesten tegen het grootkapitaal zijn ook in de kunst alledaags, al blijft het bij 'Soft power.' Maar de utopistische droom van Oscar Niemeyers hoofdstad Brasilia wankelt.

 Wat nog niet lukt kun je schilderen. De muurschilderingen en graffiti in de favela's zijn dromen.

 Olympische spelen in dit land worden straks in augustus vanzelf tot surrealisme.

Antjie Krog bij de Meir

 Antjie Krog was in Antwerpen, in 2008. Het gedicht geeft plaats en jaartal erbij. Wie ontmoette ze daar? Uit de bundel 'Medeweten' (2015) 'bemind worden door een dichter':

 vlak bij de Meir loop ik Veerle tegen het lijf/ bruin haar/ scheve baret/ laarzen/ jas

 hoe gaat het? ze vertrekt haar mondhoek/ even maar alsof het er niet toe doet

 haalt haar schouders op knikt we groeten/ en lopen ieder een andere kant op

 ik kijk nog eens om maar ze is al verdwenen/ gewoon tussen de anderen als de anderen

 en niemand weet dat zij ooit is besnuffeld/ door goddelijke hersenen dat zij gerafeld

 van passie uit haar lakens is getuimeld dat/ zoveel geilheid in haar holtes is gedroomd

 zoveel landschappen tussen haar benen open/ gesnorkeld zijn dat elke dag elke kant op kon kantelen

 gestuwd werd zij door/ een begaafde onder de goden

 nu is hij dood/ ze heeft hem tot het einde toe bijgestaan/ en loopt gewoon als gewoon mens tussen anderen

ps. vertaald uit het Zuid-Afrikaans door Robert Dorsman en Jan van der Haar,  zie ook Avondlog van 4 februari 2015 over een CD-opname met A­ntjie.

ps. 2 Johan Velter schrijft me: ''dit kan toch niet anders dan veerle de wit, de vrouw van hugo claus zijn? beiden moeten/kunnen elkaar kennen (o.a.) via tom lanoye. denk ik.''

 

 

 

 

Tags: 

Goud morsen

 Goud morsen. Groter tegenstrijdigheid valt in twee woorden moeilijk te verzinnen. Wat solide moet zijn tot in der eeuwigheid wordt huishoudelijk.

 Morsen met goud. Goed denkbaar, je kunt metalen smelten en dus ook morsen. En wat dan? Het goud opdweilen?

 Van jongsaf leefde ik met morsen, de vlekken, de plotselinge vormen die konden ontstaan. Zoals de inktvlek, de bloedvlek. En bovenal het sublieme moment van de overkokende melk.

 Ik zag het aankomen, mijn moeder had me opgedragen op de kokende melk te letten. Het tantaliserende wachten. Tot toch nog plotseling de melkspiegel rees en niet meer te stoppen was.

 De melk kookte over.

 Soms had ik geluk en kwam een plas stroop op de vloer terecht. En nam daar prachtige vormen aan. Geologie op de vierkante centimeter.

 Ik kom hierop door de tentoonstelling 'Translating the standard gold bar' van Sarah van Sonsbeeck in de Nederlandse Bank. Waarin je ook een gesmolten goudstaaf een rol speelt.

 Veel goud daar, in allerlei vormen, maar ook worden mijn vragen beantwoord.

 Kun je goud morsen? Ja.

 Kan goud overkoken? Zeker.

 Waardoor goud iets anders wordt. Onze nationale reserve is opeens vloeibaar. Huishoudelijk geworden.

 Mijn moeder droeg een gouden kettinkje, dat eens in de afvoer verdween.

Robert Delaunay

 Mijn reis met de vleeswagen naar het Museé d'Art Moderne in 1960 bracht duizelingwekkend veel manieren om de wereld te zien. Mijn eerste kampioen was Delaunay. De man die talloze Eiffeltorens schilderde.

 Makkelijker gezegd dan gedaan. Zo'n stalen ding dat iedereen kent. Een verzonnen vorm die de constructeur de wereld voor altijd heeft ingepeperd.

 Wat? Een toren. Ja, van staal. Waarom? Om te laten zien dat dat kon, op de Wereldtentoonstelling van 1889, En dan een schilder die bezeten raakt van die toren. Die hem naar zijn hand wil zetten, zich toe wil eigenen. In vorm en kleur.

 Nog steeds sta ik stil bij de Eifeltoren van Delaunay. Je moet maar durven. Wat hij ook durfde was wielrenners en voetballers. Hun shirts werden bij hem een onderwerp voor schilderkunst. In Singer is een hardloopwedstrijd te zien.

 Kunst moet zich de wereld toe-eigenen, dat je het maar weet.

 Ik verliet het museum en keek uit over de stad, naar de echte Eiffel­toren aan de overkant van de Seine.

 Daalde af en ging naar wat over was van het Gare d'Orsay, nu museum, toen een onttakeld station dat als parkeerruimte werd gebruikt. Waar Orson Welles scenes voor zijn Kafka-film met Anthony Perkins had opgenomen.

 De Eiffeltoren en sportshirts zijn uit de kunst verdwenen. 

Achter Evenepoel

 'Een schilder in Parijs' heeft Eric Min zijn levensbeschrijving van Henri Evenepoel (1872-1899) genoemd. Goeie titel want het boek gaat minstens zo veel over de jong gestorven schilder als over de stad Parijs - rond 1900 kunsthoofdstad van de wereld - waar hij werkte.

 Hij verkeerde in de kringen. Zelfs Proust komt voorbij. Maar wat het boek daarbij zo aantrekkelijk maakt is de ver­borgen liefdesgeschiedenis, die je op het omslag al aangekon­digd ziet. Daar staan - op de Place de la Concorde, gefotogra­feerd door Evenepoel - zijn nicht en minnares Louise, met niet alleen haar twee dochtertjes, maar links ook het nakomertje Char­les, waarvan niemand mocht weten dat hij een zoontje van Henri Evenepoel was.

 Weet daarbij dat in de meeste vrouwen die hij schilde­rde Louise herkenbaar is en dat ze - weliswaar getrouwd met neef Michel - tegelijk een verborgen leven leidde met Henri, met vakanties en uitstapjes. 

 Hij schreef haar brieven die duidelijk genoeg zijn. Meteen al is het: 'Je bent de vertrouwelinge van al mijn gedachten, tegelijk mijn moeder en mijn zuster'. Ze verstelt zijn kleren. Geheel vervuld van de liefde en geheimhouding kan hij slechts in bedekte termen naar zijn Brusselse vrienden over haar schrijven.

 Vanaf dan tot zijn dood is Evenepoel een man met een geheim. Waarvan zeker ook zijn vader en geldschieter niet mag weten. Slapeloze nachten. 'Vrienden die mij al een poosje niet meer gezien hebben, vinden dat ik sterk vermagerd ben. Ik zie er blijkbaar uitgeput uit.'

 In zijn laatste levensjaar heeft hij opeens groot succes als schilder. Maar bij de begrafenis zijn Louise en zijn zoontje Charles onzichtbaar.

 Charles en zijn echtgenote liggen begraven in Waals-Brabant. Eric Min was er. Naast hun graf is nog een steen, met alleen initialen erop. Daar ligt Louise (1869-1941). Geheim tot in het graf.

ps. Maurice Woestenburg maakt me erop attent dat het vandaag precies tien jaar geleden is dat ik met Avondlog begon. 

Kunst en bloed

 Vanmiddag in Singer in Laren werd ik teruggeslingerd naar de vleeswagen. Rond 1960 de enige betaalbare manier om in het Musée d'Art Moderne in Parijs te komen. Van een Rotterdamse kade ging het eerst naar Lille, waar je tegen middernacht aan het slachthuis halve varkens moest helpen sjouwen. Er waren sjouwers, maar die kon je vergeten zei m'n vrachtrijder, die waren nu bezopen.

 Omdat de autora­dio stuk was moest ik hem zien wakker te houden met liedjes en verhalen, tot ik echt niks meer wist en de wagen begon te slingeren. Gelukkig reden we in colonne en toeterde de collega achter ons hem wakker.

 Tegen dat het licht werd stonden we op het halfcirkelplein voor het oude slachthuis aan de Porte de la Villette. Waar juist de nachtploeg met bebloede schorten cafés binnen ging die allemaal de Gouden Os of het Zilveren Kalf heetten. Op de grond bergen zaagsel om het bloed op te vangen. Na een halfuurtje ging er chloor overheen, volgende ploeg.

 De eerste metro zat vol Algerijnen en negers, water stroomde door de goten de berg af. Er zaten bloedvlekken op mijn plunjezak die aan een vleeshaak achterin had gehangen.

 En zo zat ik te wachten, met zicht op de Eiffeltoren, op de berg van het Palais de Tokyo. Op tijd om het museum te zien opengaan.    

 En daar zag ik de namen die ik vandaag weer zag. Van wat toen de Parijse school heette. Modernisten, van na het impressionisme. Van Delaunay tot Vallotton, van Picasso tot Matisse, van Villon tot Modigliani.

 De lumineuze keus die in Singer te zien is komt uit Troyes en werd ooit gemaakt door Pierre en Denise Lévy, een verzamelaarsechtpaar daar dat alles vermaakte aan de stad Troyes

 Bijna niets ervan zag ik ooit eerder. De vleeswagen reed weer. 

Ante Timmermans

 Het absurde. De maatschappij. En ik. De drie hinkstapsprongen van de Vlaamse kunstenaar Ante Timmermans (1976) die nu - naast die van de Amerikaan Nick van Woert - te zien zijn in het Haagse Gem.

 Nu even flink zijn. Want, in de toelichting aan het begin wordt je meegedeeld 'dat wij allen gevangen zijn in een oneindige cirkel die nooit tot stilstand komt en ons gevangen houdt in de nutteloosheid van het bestaan.'  

 Lees de zin drie keer over en geef het op. Of ga door uit perverse nieuwsgierigheid.

 Het Gem vertelt dat Timmermans in zijn tekeningen en bouwsels uiting geeft aan 'fascinatie en afkeer met het banale en de absurditeit van het dagelijks leven'. Af en toe en klein grapje maar toch vooral diepe ernst.

 Hij is veertig maar onherroepelijk brengt dit gedachtengoed je naar de volgekalkte zolderkamer van een depressieve scholier. Met teksten als 'l homme absurde' en woorden als 'NIET, NIET en WEL', maar dan doorgestreept. Of: 'La marche de 'l arrêt' en dan '(PAUSE)'.

 Een ezelskop met een bordje 'KAFKA' en verderop 'BECKETT'. En dan opeens 'WIR BRAUCHEN MEHR DADA' of 'NICHT-ICH'.

 Voorwerpen zijn er ook: een soort schaakspel op een koperen bord met stukken in grondstoffen als kool, houtskool en goud omzoomd door twee handschoenen. En dan 'I am looking at my mistakes'.

 Betekenisvol, dit alles, zeer.

 ‘Confession: EGO HOMO NONSENS' en 'POST INDUSTRIAL VACUUM'. Gevolgd door 'THE PROCESS OF STANDSTILL.'

Wooden Indians

 Door Raymond Scott, die immers een orkestje had dat de Wooden Indians heette, leerde ik dat op de stoep voor Amerikaanse tabakswinkels vroeger altijd zo'n uit hout ges­neden Indiaan stond, met een bosje sigaren in z'n hand. Zoals een polyester reuzenzak patat nu.

 In het Haagse Gem, museum voor Moderne kunst, exposeert nu Nick van Woert uit Waco Texas, een Amerikaan met een Hollandse naam, die onder meer een hele bat­terij Houten Indianen heeft gesneden die de namen van oude presidenten kregen. 

 Van Woert werkt met wat hij noemt 'erratische materialen', zoals kattenbakkorrels, Coca‑Cola of haargel. Hij legt uit: 'Materialen die geen moeder hebben, die ver van huis zijn afgedreven en een bloeiend, maar verweesd bestaan leiden.'

 Geen van alle zijn uit noodzaak ontstaan. We hebben ze ook niet nodig om in leven te blijven.

 Ze horen thuis in Disney's 'optocht van de roze olifanten'. 

 Van Woert laat niet alleen die producten zien, ook de grondst­offen waaruit ze zijn gemaakt, in glazen bakken.

 Zijn vraag is waar comfort overgaat in schade en geweld.   

Tags: 

Luis?

 Het woordje mis kreeg ik mee van thuis. Er ging daar veel mis. En nu deze warme dagen was er de luis. Of wat? Eerst op de vorig jaar aangepote klimop, die maar niet wilde reiken naar het ijzerdraad dat ik spande. Ik zag de blaren uitdrogen en daarna verschimmelen in wonderlijke groeisels. Er kwamen witte vlekken op. Daarna werd de vlinderboom overdekt met taaislijm. Hoe kon dit?

 Wat had ik verkeerd gedaan? Te veel of te weinig, zon of water? Moet ik nu de aardkluit van de gestorven klimop ook wegdoen? Eerder was er een slak. Eentje maar. Zou die dit alles in gang gezet hebben? Er nu ook slijmsporen op een gekochte potplant.

 Liever zaai ik, maar er het komt dit jaar weinig op. Fecalia, slangenkruid, als het maar blauw is en hoog. Maar niks. Alleen een enkele Oostindische kers.

 En wat onherkenbare kleintjes die hun blaadjes twee aan twee boven de aarde uitsteken, als handjes, alsof ze verzuipen.

 Als er iets mis gaat is mijn eerste vraag ‘wat doe ik verkeerd’. Het is mijn schuld. Ik ben verantwoordelijk voor dit balkon.

 Maar wat te doen? Ja, afspuiten met zeepsop. Deed ik, vergeet het maar.

Tags: 

Positieve aanpak

 Hoewel er zaterdagavond in de Utrechtse molen een nieuwe voorstelling is, zet de Vorlesebuhne zet me al aan het werk voor de volgende, op 11 juni. Onderwerp 'De positieve aanpak dan maar'. Er klinkt een diepe wanhoop door in deze opdracht van Bernhard Christiansen.

 De laatste apostel van het positivisme die ik meemaakte was Ramses Shaffy. Een plaag van de late jaren '60. Ik had een buurvrouw die zijn Shaffy Cantate bij dit soort weer met open ramen steeds opzette en luidkeels meezong. Waarna onherroepelijk 'Sammy loop niet zo gebogen' volgde.

 Er zijn Shaffy-mensen en ik ben er geen van.

 Maar mijn verzet is ongebroken. En altijd weet ik me gesteund door geestverwanten als de legendarische Bob Bleyenberg. Auteur van de regels: 

 'En we wippen en we draaien/ En we schommelen zo fijn/ tot we mis'lijk van de molen/ En de limonade zijn.'

Gevolgd door:

'Kleine Jan valt van de wip/ Met z'n tanden door z'n lip'

 De positieve aanpak dan maar?

 De uitvinding van de popmuziek had in die tijd tot gevolg dat je als gitarist niet meer poseerde met de traditionele glimlach, maar grimmig stond te kijken voor een stapel betonnen buizen.

 Helaas, alles komt terug. Douwe Bob is terug bij het flauwe lachje van Rex Gildo, en de bemoedigende boodschap 'doe het rustig aan'.

 En bij z’n moeder. Die ik al jaren kende, van  haar winkeltje in fournituren, later koffiesalon, nu verkocht. Ze woont hier verderop, elke dag komt ze voorbij met ’t hondje.

 Wat te doen? Ik schrijf wel een loflied op de moderne windmolen. Op de maat van het zachte zoeven van een machtige driewiek in de regen. En de muziek van de Shaffy Cantate. 

Pagina's