Zeeziekte

 'k Fantaseer graag over de tijd dat muziek nog niet kon worden vastgelegd, en je in 1894 met de stoomboot naar St. Louis moest om daar een eenmalig concert mee te maken. Van die ene trompettist, die je alleen van naam kende en een krantenstuk. Wat zou je ervan onthouden? Of zou je te zeer afgeleid zijn door de reis, de concertzaal, de kostuums?

 Vaak heb ik op mooie momenten de indruk 'dit blijft altijd bestaan'. Waar en hoe weet ik niet, maar ik ben er zeker van. En zeg het ook met grote stelligheid tegen wie bij me is. Zou het me in 1864 in St.Louis net zo zijn vergaan? Juist niet, vrees ik. Je kunt momenten niet bestellen. Juist niet.

 Het boek 'Tijd' van de wijsgeer Rüdiger Safranski zegt: 'Met onze moderne communicatiemiddelen lijken we de tijd naar onze hand te kunnen zetten: we kunnen van elk moment nu maken. Maar daarmee offeren we ook iets op, iets wezenlijks: het hoort tijd te kosten om een ervaring te verwerken en als die tijd er niet is, wordt de ervaring steeds minder waard.'

 Tja. 't Zou kunnen. Of niet. Filosofie is erg rekbaar. Wat hield ik over van mijn bootreis en concert in 1894? Zeeziekte?

Bart

 Er zijn nog dingen waar niemand van weet behalve wie het aangaat. Vele jaren werd Avondlog dagelijks nagek­eken door Bart Egers. En dat was wel nodig ook. Ik ben slordig en kan eigenlijk maar met een vinger typen. Ik heb Bart nooit ontmoet. We wisselden soms briefjes over taal- en tikfouten. Tot ik vorige week deze mail kreeg, met het prentje van Gummbah. 

 'Beste Wim, jarenlang zijn wij spoken voor elkaar geweest. Als we elkaar mailden deden we dat zonder elkaar te kennen. Elk weekend was ik in Amster­dam bij mijn vriendin Mieke, die zich afvroeg of ik me aan jou zou voorstellen mocht ik je tegenkomen. Bijvoorbeeld tijdens het uitlaten van m'n hond op de Vinkeles­kade terwijl jij daar met Jan Donkers stond te praten. En elke keer was mijn antwoord weer dat ik jou niet gedag zou zeggen, dat ik je zou negeren. Ik vond dat we elkaar niet beter hoefden te leren kennen. Toch wil ik je nu wel laten weten dat ik er na volgende week niet meer zal zijn. Ik ben gesloopt door de kanker. Hopelijk blijft het jou nog jaren goed gaan. Een laatste tip: lees je Avondlogstukjes nog een extra keer door voor je ze plaatst, want ik hou je niet meer in de gaten. Groet, Bart Egers'

 Ik schreef Bart en ik schreef Mieke.

 En vanmorgen kwam dit overlijdensbericht. 

Scherven van geluk

 Nog net te zien op VRT-uitzending gemist: Brussel, scherven van geluk. En getipt door Els Moors, die in Brussel woont. Nu kijkt iedereen naar Molenbeek, maar twintig jaar geleden liep ik er ook al rond. Stak het kanaal over, at slakjes bij een stal.  Jef Cornelis en scenaristen Rudi Laermans en Pieter 't Jonck gingen in 1995 op onderzoek uit. 

 Wilden de plaats begri­jpen waar elke dag honderdduizenden Vlamingen 's morgens per trein of auto aankomen, en 's avonds weer vertrekken. Waarom veranderde het ooit 'bruisende Brus­sel' in een voor Vlamingen en Franstaligen dode stad?

 De aankondiging in 1995 luidde: "Voor het huidige Brussel staat in dit beeldessay de deelgemeente Molenbeek model. Onder de tussentitel 'Molem, mijn dorp' wordt het modale migrantenbestaan getoond. Veertig jaar geleden was datzelfde Molenbeek nog een typische voorstad, bevolkt door Vlaams‑ en Franssprekende arbeiders en lagere bedienden.' 

 Ze wonen er nog. Vaak hoogbejaard en/of kansarm

 Brussel is voor hen een gevangenis, een besmette stad.

 Waar bleef de dorpse voorstad? De makers van 'Brussel, scherven van geluk' vinden het antwoord in de droom van vooruitgang tijdens de Expo 58. De politici en het vastgoed verlangden een toekomststad, een hypermodern Brussel met hoogbouw en kantoren. Met een net van bruggen, - nu alweer instortende - tunnels en autowegen. Hoe deze droom tijdens 'the golden sixties' uitkwam zie je bijvoorbeeld in de afbraak van de Noordwijk, bij het Noordstation. Ik logeerde er nog zo vaak. Hoe werd de droom een nachtmerrie?

Tags: 

Marion Poschmann

 Veel blijft ongezien, onbeschreven. Zoals met de auto een Duitse stad binnenrijden. Bij avond. Zwevend. Je over­gevend aan het spel van het asfalt, de naderingen. En steeds is er een daar. Nooit eerder las ik hierover, nu staat 'Het onver­woe­stbare' van Marion Posch­mann in Tijdschrift Terras:

 'met de gelatenheid van iets heel groots/ kwam deze stad op je af, haar tracés/ lichtjes kromgebogen door het zoekende elan/ gedragen door het Duitse asfaltverbond

 steeds meer kruispunten, vermenigvuldigde huizen

 op de vluchtheuvel tollen, zich/ laten meeslepen door middenber­men/ opspattend water, achterlichten drijven voorbij/ wilde je echt daar zwemmen/ in een duistere rivier?

 je kon niets doen, niets tegenhouden/ wachtte er lang op dat het tankstation dichterbij kwam/ luisterde naar het ruisen - fluisterasfalt - / dat nooit wegebt

 nooit met het primitieve blok gespeeld/ slechts met de schittering, de donkerte

 schaduwblok lichtcomplex/ op elkaar gestapeld/ je treeplank naar wat zweeft/ zebrapaden als een doolhof

 bij sterk belastend verkeer ligt/ turkooisblauw licht op betonnen voorgevels/ in de favoriete windrichting/ chaotisch verwijssysteem van een stad die uit/ gecompliceerde brugpijlers, uit slecht/ onderhouden straatranden bestaat

 voorvoelen, voorbij iets of erlangs/ rijbanen, kracht van vermoeden/ fijn steenslag/ en bloeibitumen/ lang liep ik niet op die straat/ zonder een einde in zicht te krijgen'

 (vertaald door Erik de Smedt)

Lartigue's hoeden

 Het verleden was in zwartwit. Dat kwam voort uit de vroege fotografie. Schilderijen in kleur waren alleen al daarom nep. Niet echt.

 Serieuze filmers, van Bergman tot Truffaut werkten nog lange tijd in zwartwit. Waarom? Geen antwoord.

 De laatste tijd komen oude foto's in kleur naar boven. On­langs de Sovjets, het rood van Saul Leiter, en nu weer Lartigue in Foam. Wat aan het licht komt is wat de blik ooit oversloeg.

 Maar waarom?

 Jacques Henri Lartigue (1894‑1986) begon in 1902 een levenslang fotoal­bum van familie en vrienden. Rond 1910 ging hij over op kleur, een zelfbedacht procedé dat het niet volhield - niet reproduceerbaar. Maar wat hij deed was nieuw. Zijn familie en vriendinnen werden model, hij bedacht glamour, regisseerde. Maar tot 1963 bleef het een hobby.

 In Foam hangt nog even zijn vroege werk in kleur, de tijd van de eerste keren, de probeersels van kort na 1910. Toen meisjes modellen moesten worden en nog niet doortrapt en getraind poseerden. Je hoort hem regisseren: 'benen over mekaar'. Jurkjes in de juiste kleurcombinaties. Er zijn aantekeningen, waaruit een voorkeur voor dwaze hoeden spreekt. Een hoedengek ook nog.

 In gedachten bleef hij kunstschilder, zijn totalen zijn ook onovertroffen, close-ups zeldzaam. Lang uitgedacht, het juiste licht afwachtend.

 In mijn jeugd was kleur schaars. Behalve in het tech­nicolor in de bioscoop. Doris Day en Rock Hudson in The Pyama game waren een van vrolijkheid uit z'n vel barstende leugen. Film was leugen. Zoals die andere bron van kleur, de kerk. Men kwam naar de kerk om kleur te zien. In de k­azuifels, in de kleren van Maria Mag­dalena.

 Op school stelde waterverf diep teleur. Daarom begrijp ik zo goed dat Lartigue - heel kinderlijk - de kleurigste onderwerpen bleef kiezen.

 Pas Melville zou in de jaren '70 met zijn winter­se misdaadfilms door het sprookje heen breken en de kou, het vuil laten zien. Kleur was eindelijk vies. En bijna zwart­wit. 

Nooit meer slapen

 Toen ik in 1966 Hermans’ roman gelezen had reed ik de zomer erop naar Noorwegen. Het stortregende dagenlang. De eerste dag in de bergen kampeerden we in wat later een steengroeve bleek. Werden gewekt door explosies, waarbij steenbrokken om en op de tent vielen.

 Er rustte geen zegen op de onderneming. Net zo min als op die van Alfred Issendorf. Alfred, de overmoedige en tegelijk onhandige Hollandse geoloog, over wie reisgezel Arne, zoals het slot onthult, zo aardig in z'n dagboek schreef. De film blijft ook in tekst dicht bij het boek. Zodat het amateurisme van de twee bijna ongeloofwaardig wordt. En je je verbaast dat Arne de eigenwijze Alfred alleen de bergen in laat gaan. De datering rammelt helaas wel, rolkoffers maar geen mobieltjes of noodsignalering.

 De overmoed van Alfred en de zwijgzaamheid van Arne balanceren mooi. Arne leeft in een moeilijke balans met z'n rijke vader. Dat wordt z'n dood.

 Niet praten over wat uit de boekversie weggelaten werd. Heel de motivering van Alfred die ook een vader moet passeren komt er bekaaid af.

 Een sterke regievondst van Boudewijn Koole: als filmkijker kijk je met Alfred mee en ziet hem een paar keer vallen en verzuipen, waarna steeds blijkt dat hij zich – bijna als een stripfiguur - toch nog gered heeft.

 Zo breng je het mengsel van angst en overmoed mooi over.

 De lijflijkheid van de Einzelgänger op zijn planeet krijgt - binnen het geologisch kader - overal voorrang.

 Jammer is wel het dagelijks zichtbaar bijgetrimde baardje van Alfred.

Tags: 

Heine en de vrouwenvoet

 Alle cursussen 'creative writing' kunnen weg voor wie de 'Reisebilder (1824) van Heinrich - eigenlijk Harry - Heine als leraar neemt.

 Hij verlaat het stadje Göttingen - beroemd om zijn worst en universiteit - en laat zich in de richting Klaustal rijden. Reisbeschrijving is bij hem een ideale hak-op-de-tak vorm. Al rondkijkend, ontmoetend, peinzend, kan hij alles neerpennen wat ie kwijt wil.

 Zoals zijn onderzoek naar de grootte van de Göttinger damesvoeten. Het gerucht ging al generaties dat de vrouwen daar zulke grote voeten hadden, wat zich uitbreidde tot hun schenen en knieën, waarop Heine jarenlang aan de Weenderstrasse hoogstei­gen waarnemingen noteert waarover een studie zal verschijnen.

 Wanneer hij in Klaustal in de 'Krone' gaat middageten komt het tot een lofprij­zing van de bokking: 'een soort gerookte haringen, die bokkingen heten, naar de naam van hun uitvinder, de in 1447 gestorven Wilhelm Bücking, die om zijn uitvinding door Karel V zo vereerd werd dat deze in het jaar onzes heren 1556 van Middelburg naar Biervliet in Zeeland reisde, enkel en alleen om daar het graf van deze grote man te gaan zien.' En dan komt de Heine-regel:

 'Hoe heerlijk smaakt toch zo'n gerecht als je de historische kanttekeningen kent terwijl je het nuttigt.'

 Helaas wordt de koffie na hem bedorven door een jongmens dat discussiërend naast hem komt zitten en daarbij zo ontzettend begint op te scheppen 'dat de melk op tafel er zuur van werd.'

 Undsoweiter, undsofort.

 Wie na dit reisverslag in vier delen - tot in Italië - nog niet doorheeft hoe schrijven moet krijgt het moeilijk. 

Tags: 

Franciscus en de katholieke dieren

 Vanmiddag de tentoonstelling gezien die Henk van Os over Franciscus inrichtte in het Utrechtse Catharijne convent. Franciscus is literatuur. Wat over hem werd overgeleverd meest verzinsel. Zodat de vraagt blijft: zijn het goede verzinsels.

 Gerard Reve vond van wel, anders had hij hem niet als naamheilige genomen en jaren getekend met Gerard Kornelis Francis­cus. Ook de tegenwoordige paus vindt het kennelijk een goed verhaal.

 Mooi is zijn houding tijdens de kruistochten. Hij benaderde de Islam vreedzaam, preekte geweldloosheid in de omgang met andersdenkenden. Zo ondernam hij in 1219 een vredesmissie naar de sultan van Damiate, waar hij hoffelijk werd ontvangen.

 Als zoon van rijke kooplui leefde hij er eerst op los, deed al wat God verboden had, en zie hij bekeerde zich en stichtte een kloosterorde gebaseerd op armoede en gebed. Zelf wilde hij de allerarmste zijn. Zijn enige geliefde werd 'Vrouwe Armoede'.

 Troubadour was hij ooit en zijn Zonnelied is er nog: 'Wees geprezen, mijn heer broeder zon/ die de dag is en door wie gij ons verlicht...'. etc.

 Franciscus (1182-1226) van Assisi werd in 1228 heiligverklaard. Waarom? Hij werd te populair. De op luxe gebouwde kerk zag een gevaarlijke concurrent in hem en incorporeerde de Franciscanen. Voor de kunst heeft Franciscus weinig opgeleverd. Geen schilderbare taferelen, steeds weer die ontvangst van de stigmata. Een nieuwe, betere Christus, vooruit. Maar ja, dat grauwe habijt. En geen vrouw in zicht. Vriendin Clara was snel weg.

 Hij zwierf rond in de bergen, waar verscheidene van zijn kluize­naarsoptrekjes te zien zijn en sprak met de dieren – dierenliefde, iets waarin de bijbel hopeloos tekort schiet. Ziehier de herkomst van de 'katholieke dieren'.  Ik was daar, boven Florence. Mooie uitzichten. Vogels.

 De desillusie kwam toen ik de berg af kwam en tussen de autobussen door de stad Assisi binnenreed. Een roomtaart voor toeristen. 

Tags: 

Tramgezicht

 Vanavond 19.30 in de Amsterdamse boekhandel Martyrium ondervraagt Jeroen van Kan Marcel van Eeden en mij over ons boek M­uzenstraat en andere Haagse verhalen. Over Den Haag en onze Haagsheid.

 Ik zal Marcel na zijn wereldreizen terug­zien op het Roelof Hartplein. In Amsterrdam!

 Het is Hagenaar Philip Akkerman die stijf en strak volhoudt dat ie nooit in Amsterdam komt. Ik woon al heel lang in Amsterdam, maar ik kom er nooit.

 Dit is het gezicht van de laatste 'ombouwer' van de HTM - lijn 2 - die staat in het Haagse trammuseum. Voor altijd op weg naar eindpunt Meer en Bosch, waar ik woonde.

 Het Haagse zit hem in de blik waarmee trams je aankijken. Ik vraag het vanavond tramtekenaar bij uitstek Marcel.

Rüdiger Safranski en de verveling

 Er zijn onderwerpen waarover eenieder uit z'n nek mag kletsen zonder dat het tot iets verplicht. Omdat wat ze ook beweren, toch oncontroleerbaar blijft..  

 Zoals de filosoof Safranski in z'n boek over Tijd, ofwel 'hoe tijd en mens elkaar beïnvloeden'. Eerste hoofdstuk 'Tijd van ver­veling'. En daar staat het: 'Het verlammende rendez-vous met het pure verstrijken van de tijd noemen we verveling'.

 Wat verveling nu eigenlijk is blijft onbenoemd.

 Terwijl mij gesprekken met Willem Brakman te binnen schieten, die zwoer bij verveling als bron van inspiratie. Zoals ook beeldend kunstenaars je kunnen uitleggen dat je eerst het hoofd moet leegmaken van alle ballast voor je tot iets oorspronkelijks kunt komen.

 'Een tijd waarin werkelijk niets gebeurt bestaat niet; er gebeurt altijd iets.' Zonder gebeurtenissen is er helemaal geen tijd.

 En ja, je hebt mensen die te dom zijn om zich te vervelen.

 'Maar al te afgestompt mag ook weer niet, want dan merkt iemand helemaal niet dat hij iets mist.' Dan zit ie maar wat te suffen.

 Conclusie: Men heeft dus wel een minimum aan openheid, nieuwsgierigheid en bereidheid iets te beleven nodig om zich te vervelen. Je vervelen is een kunst.

Pagina's