Doctor Murkes gesammeltes Schweigen

 Doctor Murke is de getergde radiomaker uit een verhaal van Heinrich Böll uit 1955. Murke verzamelt naast zijn werk het zwijgen van belangrijke radiosprekers. Murke draagt de titel doctor als redacteur culturele programma's.

 In 1968 was ik bij de Westdeutsche Rundfunk in Keulen waar ik zag hoe de technicus - Herr Tonmeister, steevast gekleed in een witte jas, te werk ging. Geluidsband monteerde hij ‑ anders dan in Nederland ‑ met knippen en plakken. De reststukjes zette hij in klemmetjes tegen de muur. Een studio vol stuk­jes tape. Zo begreep ik hoe het toegaat als in het verhaal van Heinrich Böll in een toespraak over kunst en religie het woordje Gott ‑ de spreker heeft zich bedacht ‑ vervangen moet worden door 'jenes hohere Wesen das wir verehren'.

 De spreker moet dan terugkomen om het woord in alle naamvallen in te spreken, dus de genitief 'jenes höheren Wesens das wir verehren', de datief 'jenem höheren Wesen das wir verehren' enzovoorts. Een deel van Bolls grap is dus 'lost in translation' omdat wij geen naamvallen meer kennen.

 Toen ik zo'n montage in Keulen - studio tegenover de Dom ‑ gezien had begreep ik hoe Dr. Murke zijn stukjes zwijgen aan elkaar plakte tot een stilte die hij 's avonds thuis kon afdraaien om tot rust te komen.

 Het gaat steeds slechter met het Duits in het Onderwijs. Voor de Tweede Wereldoorlog vaak de belangrijk­ste vreemde taal op school. Maar op het vmbo is de positie van het vak Duits het zwakst. Scholen kunnen kiezen tussen Duits of Frans als tweede vreemde taal. Het komt dus voor dat vmbo‑scholieren helemaal geen Duits meer krijgen. Wat zou zo'n naamval toch zijn? Hoezo? Duitsers spreken Engels. En steeds meer Duitsers gaan Nederlands studeren.

Aldo Moro

 In mei 1978 was ik in Pisa, toen in het hotel en in het café opeens een grote drukte losbrandde. Er lagen noodedities met grote koppen in de kiosk. Aldo Moro, de minister-president was dood, vermoord door de Rode Brigades die hem gekidnapt hadden.

 In het café stonden de studenten in de rij om hun ouders te bellen. Italiaanse studenten bellen veel met hun moeders: 'Si Mama.' en Pisa is een studentenstad. Daar had je toen nog muntjes voor nodig, altijd schaars. Overal op straat zakten de rolluiken, niets was meer open.

 Ik besloot naar Corsica te gaan. Dat was Frankrijk. In het nabije Livorno voer waarschijnlijk nog een boot. Daar aangekomen werd mijn Renault 4 geinspecteerd door de douane. Waarom zo grondig? Douaniers begonnen zelfs de formaten van mijn achterbak te meten.

 Ik keek in mijn krant en daar stond de oplossing. De dode Aldo Moro was aangetroffen in de achterbak van een Renault 4, net als de mijne.

 'Ja,' zei de ene douanier,' hij zou er net in passen.

 En ik kon aan boord. Gianlucca Tavirelli maakte in 2008 een film over Moro's dood, waarin alles klopt. Ook het 54 dagen gevangen houden en in leven houden van Moro.

Ilaria

 De levensgrote, erg mooie Ilaria del Carreto (1379-1405) van wie je de tombe kunt zien in de Dom van Lucca, dit meesterstu­kje van Jacopo della Quer­cia, was bijna in stukken gehakt. Zozeer haatten de Lucchesi haar echtgenoot, de heerser Paolo de Giunigi. Ware het niet dat ze zo mooi was.

 Een halve middag liep ik om haar heen. Zesentwintig was ze. Ze liet een zoon en een dochter na, die ook Ilaria heette. Ze slaapt. De gehate Giunigi trouwde na haar met nog drie andere vrouwen. Eentje voor haar was al gestorven.

 Dichters hebben zich op Ilaria gestort. Gabriele D'Annunzio schreef over Lucca in zijn Elektra, 'Stad van de stilte' (1903). Hij beschrijft de stad omringd door bomen, een beboomde stilte. En hij heeft gelijk, de stervormige wallen met bomen erop zijn een mooie, stille wandeling.  'Waar de Guinigi dame slaapt'. Met zicht op de rivier de Serchio, leliën en korenbloemen. Wat verwijst naar de bloemen op haar tombe en het baden in de rivier.

 Quasimodo keek naar haar, Pasolini ook.

Japan en China

 Rudy Kousbroek kwam in een van onze gesprekken op de dood. De zijne kon niet veraf zijn en hij zei: 'En dan te bedenken dat alles wat nu in dit hoofd zit opgeslagen dan opeens weg is.' Nog vaak denk ik 'dit zou ik aan Rudy willen vragen.' Zoals dit stukje van Tanizaki , over zijn kinderjaren en wat hij las over China en Japan.

 Over het verband tussen Japanse en de in zijn ogen soms wat vulgaire Chinese literatuur. Al bewondert hij daarvan 'de combinatie van melodische schoonheid en diepe schoonheid'.

 En hij citeert:

'Hoe treurig dat er, hoewel de rang van keizer zo hoog is als de Poolster, en hoewel hij bediend wordt door de Honderd Hovelingen, die zijn als sterrenbeelden in de hemel, niemand is om hem te begeleiden op de weg die leidt naar de Negen Bronnen van de Onderwereld. Wat eraan te doen? Hoewel talloze troepen zijn samengetrokken als wolken rond de verre Zuidelijke Heuvels is er geen krijger die de opmars kan stuiten van de vijand die Tijdelijkheid heet. De hovelingen voelen zich of hun boot midden op de rivier is gekapseisd, en zij door de golven worden gebeukt; of het enige licht in de nachtelijke duisternis is gedoofd en zij verder moeten lopen door de regen van de diepe nacht...'.

Fiume Po

 De Po ontspringt in de Zeealpen, waar het gletsjerwater in vele beken en waterlopen omlaag komt. Daar steken in het voorjaar de Alpenmarmotten hun koppen uit hun holen op, na de winterslaap. Ik zag het in de Gran Paradiso.

 Hoe de rivier water verzamelt en als een brede modderstroom voorbij Pavia verder komt is een leeg verhaal. Heel soms zag ik oude mannen aan de oever van de dijk zitten, zoals bij Virgilio, het stadje genoemd naar de schrijver, maar scheepvaart is er niet. Wel kun je overal naar grote namen uit het verleden: na Pavia komen de violenstad Cremona en dan Parma en Mantova, met het Paleis van de Gonzaga's.

 Drinkbaar water was daar niet. Je kreeg van de hoteleigenaar in de sjieke gelegenheid een fles San Pellegrino mee naar bed om je tanden te poetsen.

 Mijn grote belevenis in Mantova was het Palazzo Te, even buiten de stad, met de plafondschilderingen van vooral Giulio Romano. Waarop vele dienstmaagden water schenken uit grote kruiken. Zie hoe kostbaar drinkwater in de zestiende eeuw was. En begrijp waarom er zoveel wijn omging.

 En dan het paleis van de Gonzaga's. Ik had geluk, er werd gestofzuigd, de ramen stonden open. Een zee van licht met zicht op de lagune van de Po waar het paleis aan ligt.

 Een dag later leek het lot gunstig. Op het plein in de arcadenstad Bologna was een podium gebouwd waar een Oostenrijks orkest walsen van Strauss speelde. Tot er plotseling een Italiaanse stortbui losbarstte en vele in het lang uitgedoste violistes moesten vluchten, met hun instrumenten en wapperende rokken, als op een Carpaccio.

het altaar in de funiculare

Meer funiculare

 Tot de dag van vandaag kun je je nieuwe auto laten inzegenen. Bijvoorbeeld bij het indrukwekkende heiligdom van Scherpen­heuvel in Belgie. Waar een rij misdienaars (?) in witte hemden klaarstaat bij een emmertje met wijwater, de kwast paraat.

 In de bovenstad van Mondovi werd zo een nieuwe serie wagons van de funicolare ingezegend op 18 mei 1941. De pastoor had daartoe een compleet kerkje - met altaar - ingericht in een van de wagons. Daar werd het lichaam van Christus ontvangen, de mis opgedragen.

 De allermooiste funicolare waar ik ooit mee reed, ik hoop dat hij nog rijdt, is in Genua, te beginnen achter station Porta Principe. Zijn naam is me niet duidelijk. De Sant'Anna? Vanuit de stad omhoog naar een dorpje, met een cafe voor de j­agers.

 Het spoor gaat sinds 1891 vlak langs de meerverdiepingen huizen. Je ziet winkelramen en families aan de eetttafel. Tot je tussen de bomen terecht komt. Eindpunt. Uitzicht over zee. Een loods vol gereedschap­pen. Sinds de restauratie gaat hij elektrisch en is hier de waterkracht niet meer in gebruik.

 Maar hij is gerestaureerd en rijdt weer. Ik keek naar de wagen­voerder en de conducteur in de zon en besloot dat hier het geluk woonde.

 

Funicolare

 Voor kabeltreintjes moet je ook in Italië zijn. Land van boven- en benedensteden. En voor mij vooral de vele systemen die daarvoor zijn uitgedacht.

 In Duitsland begint het al. Bijvoorbeeld in Wiesbaden en Heidelberg. Maar de betovering slaat toe in Piemonte. In Biella maar vooral in Mondovi. Italianen zorgen altijd ook voor historische plaatwerkjes over zo'n project. In Mondovi duurde het jaren voor de funicolare na oorlogsverwoesting gerepareerd was en de stadsdelen Breo en Piazza weer met elkaar verbonden waren. De vele jaren dat ik er kwam stonden de blauwe wagentjes te roesten in het benedenstation, onder de klassieke toegangspoort met de Heilige Maagd erop (of is dit een andere beschermheilige?). En nu rijdt hij weer.

 Een funiculare is een wonder dat sinds 1886 hemel en aarde verbindt. De heropening en zegening door de bisschop was groots. 

 De funicolare begon op waterkracht. Twee waterbakken onder de wagons hielden elkaar in evenwicht. De bovenste waterbak moest genoeg water kunnen bevatten om als tegenwicht voor 18 passagiers te dienen. Die bak liep tijdens de rit langzaam leeg in de berm. Boven liep de bak dan weer vol met water uit het beekje daar.

 Later werd het helaas elektrisch. Op de foto de twee funicolares oudste versie met hun duidelijke waterinlaten. De twee passeren mekaar halverwege.

De pest in Venetië.

 In 1510 bereikte de pest Venetië. Net als nu met Corona werd gewezen op de vele buitenlanders die de stad bezochten en de ratten in de lagune. Schilder Giorgione stierf eraan. Zijn schilderijen verkochten meteen goed. Net als die van Sebas­tiano del Piombo en Titiaan.

 Er is oorlog. Werkloze huursol­daten plunderden de Veneto. Boeren vluchtten naar de stad. Maar kunst was bij de rijken populair, die liet een welvarende wereld zien.

 Sebastiano vertrok naar Rome, waar hij met een groots banket werd ontvangen als opvolger van Giorgione. Zijn beschermheer was Antonio Chigi, voor wie ook oa. Raphael, Giulio Romano (die van de plafonds in het Palazzo Te in Mantova) werkten. In zijn villa - de latere Villa Farnesina - kwam Paus Julius II vaak l­angs.

 Hoe zou Sebastiano's werk - hij gebruikte olieverf - vallen in deze stad van fresco's, priesters en hoeren? Al spoedig noemde men het 'poëzie'. Dit was nieuw, juist in de tijd dat Petrarca's sonnetten over Laura verschenen.

 Da Vinci vertelt dat zijn klanten soms bestelde doeken terugstuurden met het verzoek bij heiligen de halo's weg te schilderen, zodat het Laura's konden lijken en je ze kon kussen zonder heiligschennis te bedrijven.

 Deze jonge vrouw uit 1512 streelt haar eigen bontkraag. Het landschapje uit het raam lijkt de Veneto wel. Getuige ook de mand met fruit en bloemen. Geen heilige, nee. En haar hand wijst op haar hart. Dit moet wel de onbereikbare Laura zijn.

Wolk

 Zo lang ik geen lid kan worden van de Grieks-mythologische kerk moet ik het doen met literatuur als Ovidius' Metamorfosen en vooral de schilderkunst uit de zestiende eeuw.

 Daar leven mijn goden, die - als alle goden - natuurlijk een soort mensen zijn. Hun belevenissen strekken me tot voorbeeld. Ze hebben ook allemaal een functie, zoals de latere heiligen, stuk voor stuk beschermheren en vrouwen van wat er in ons dagelijks leven iets nodig heeft. Een god voor elke rivier, voor elke stad, waar je af en toe een offer aan brengt. Want je weet nooit, net als met de Christelijke goden.

 Maar met oppergod Zeus weet je het ook nooit. De grootste vrouwengek ooit, en dol op spelletjes buiten medeweten van zin echtgenote Hera. In Wenen hangt een afbeelding van Correggio uit 1530, waarop hij de nimf Io, dochter van een riviergod, verleidt, in de gedaante van een wolk.

 Over zo'n god zou ik graag een zondagse preek horen. Met een passende levensles. En tot zijn priesters zou ik mij graag wenden om raad in geval van liefdesperikelen.

 Hoe het verder ging? Zeus kreeg als altijd zijn zin. Op het schilderij zie je het gezicht van Zeus door de wolk heen schemeren. Maar wees gerust, Io ontkomt.

 Dat Christus nooit getrouwd is lijkt me de ernstigste fout in de leer van deze mensgod. Al trouwen nog zoveel nonnen - in de geest - met hem.

Pianoles

 Het moest. Mijn vader noch mijn moeder konden pianospelen, maar mijn vader meende dat het zou bijdragen aan mijn 'algemene ontwikkeling', net als de zondagsschool. En daar stond de piano van tante Be in de kamer, die c­onservatorium had gedaan en daarna naar Nieuw-Zeeland was geëmigreerd.

 En nu moest er een leraar worden gevonden. En zo zat elke woensdagmiddag de sigaren rokende meneer Andersen naast mij. Die altijd vroeg hoe het op school ging. Ik zei dat we die ochtend geschiedenis hadden gehad.

 'O ja, ik weet het nog precies, bulderde meneer Andersen: 'Honderd jaar voor Christus, de Vatenbieren komen ons land binnenrollen.'

 Het leerboek droeg in grote letters de vreeswekkende naam 'Czerny'. Maar verder dan vingeroefeningen en een begin van notenlezen kwam ik nooit. Mijn vader bleef bij iedere misslag geërgerd de goede noot brullen.

 Meneer Andersen werd afgedankt.

 Mijn ouders, die niets van muziek wisten hadden grote moeite een opvolger te vinden. Het werd meneer Van der Meer. Een kleine man met vet haar in een oud lichtgrijs pak, die zich introduceerde met een spectaculair demonstratiestuk. Maar zijn lessen pakten nog slechter uit. Via via kwam uit dat hij geen enkel diploma had en eigenlijk pianostemmer was. Ook hij werd heengezonden.

 Een jaar later nog belde hij opeens aan en vroeg mijn moeder om een rijksdaalder 'voor een tramkaart'.

Pagina's