Een tram naar de hemel

 Eens schreef ik 'alle trams rijden naar de hemel'. Een ervan reed in Piemonte, van de overhemdenstad Biella naar het heiligdom van Oropa, op duizend meter hoogte. Heiligdommen vind je vaak in de hoogte, dichter bij God. Piemonte is een zeer gelovige streek.

 In Oropa is een zwarte madonna net een zwart kind, dat men op die hoogte komt verzoeken om of bedanken voor verleende gunsten. De toeloop daarheen was zo groot dat er vanuit Biella eerst een bergtram werd aangelegd en later een kabelbaantje.

 Het beeld zou gesneden zijn door de heilige Lucas, patron van de kunstenaars. En gevonden door Eusebius van Vercelli, die het in de vierde eeuw naar Oropa bracht. Daar ontstond dit heiligdom.

 Het werd een heel complex met zelfs appartementen voor het huis van Savoye. De laatste toevoeging was de 'boven-basilica' (1885) waar wel 3000 gelovigen in kunnen.

 In 1617 werd een devotioneel pad met 12 kapellen aangelegd met beelden betreffende het leven van Maria. Er kwamen familiegraven voor rijke families uit Biella. Ik heb er ook een trouwstoet zien aankomen. De 'heilige tram' met zijn vervoerende uitzichten staakte de dienst in 1958.

 Er is een uitstalling van 'ex-voto' beelden en schilderijen  als dank aan de heilige Maagd.

Hoedjesdag 1917

 Het was president F.D.Roosevelt die in de crisistijd allerlei openbare werken liet uitvoeren, waaronder de PCC, van de President's Conference Committee. Het Amerika­anse systeem van openbaar vervoer in steden, kortweg moderne trams. Heel wat in het land van Henry Ford.

 Het was zo'n succes dat het ook in Europa aansloeg. De een­mansbediening spaarde personeel. Ze zagen eruit als vlieg­tuigen. In Brussel en Den Haag reden al vlug ook PCC's.

 In Den Haag rijdt de HTM nog steeds met een afgeleide PCC. En vanmorgen las ik dat vandaag de kamerleden met hun hoedjes ook niet meer met koetsjes zouden komen. Een unieke kans voor de HTM.

 Een belemmering zouden dan nog wel de hoedenspelden van de dames kunnen zijn, waarover Ron F. de Bock in zijn boek 'Iedereen voorzien' dit in 1918 schrijft: 'Koning Mode bleef, oorlog of vrede, bij het vrouwvolk bovenal, regeren. De toen­malige hoedenmode vereiste lange, stalen hoedenpennen om de scheppingen van de modekoningen op de dameshoofdjes een zekere stabiliteit, cq houvast, te geven. Lange venijnige pennen, die met de onbeschermde punt in de overvolle trams andere reizig­ers lelijk konden verwonden, het geen ook diverse malen gebeu­rde. Een politieverordening die voorschreef dat die punten voorzien moesten worden van beschermende dopjes werd door de dames genegeerd.

 Er gebeurden wat ongelukjes. Maar een werkvrouw redde zich door op de scherpe punten wat aardappels uit haar tas te prikken. Iets voor Carola Schouten. Intussen brak de Spaanse griep los.

W.S.M.

 De tussenrapporten in de eerste klas van het Gymnasium voor Jos Bienemann maakten we zelf. Jos liet de tekst stencilen op het kantoor van zijn vader, die directeur was van de Westlandse Stoomtram Maatschappij, die overigens toen allang met bussen reed. Hij kende de kantoormeisjes daar.

 Ik moest dan op zo'n fake rapport in m'n netste handschrift schrijven 'Heel goed Jos' en een paar zevens en achten voor lastige vakken invullen.

 Zijn vader kreeg ik te zien op de dag dat hij ons in zijn Chevrolet met chauffeur meenam naar een oefenwedstrijd van het Nederlands elftal in het Olympisch Stadion in Amsterdam. Een man in een camel jas met hoed en witte sjaal.

 Het 'voorlopig Nederlands Elftal' verloor met ik dacht 3-1 van een combinatie van Engelse profs.

 Het stadion zat vol. Nooit had ik het geluid van een vol stadion gehoord. Het was als de branding bij ruwe zee. Heel het stadion leek een groot, ademend dier. Nooit zag ik zoveel mannen met hoeden.

 Op de terugweg stopten we in De Haagse Schouw en kregen Jos en ik een flesje. Jos bleef zitten dat jaar.

Colette op tournee

 Kort na haar schrijfdebuut gaat Colette op tournee als actrice, na 1906 met onduidelijke gezel­schapp­en. Iets over die tijd is te vinden in 'De eerste keer dat ik mijn hoed verloor', door Kiki Coumans v­erzamelde noties.

 'Voor een goede tournee heb je vooral een sterke gezondheid nodig, een onverwoestbaar humeur, stalen zenuwen, een uiterst gedisciplineerd maag-darmkanaal en vooral een soort optimistische nonchalance, een zekere berusting, waardoor een gezelschap op tournee lijkt op een karavaan van pelgrims die worden geleid door een latent, ingeslapen geloof dat zelden manifest wordt, maar groot genoeg is om ze van station naar station te laten trekken, en naar een doel dat ze nooit bereiken: rust...

 Ik ga het niet over de sterren hebben, ik kies de nederige, anonieme toneelspelers die het hele jaar 'touren', die bij Charles Baret komen aanwaaien, nog bleek van een nacht in de trein, geradbraakt door het zittend slapen: ' Meneer, ik ben klaar met Rose Syma, kunt u mij in dat stuk met Huguenet stoppen...' En de baas, de slimme prelaat stopt ze in 'dat' van Huguenet. Ze spelen een interessante bijrol, drie rollen in hetzelfde stuk: in de eerste akte een huisknecht in de tweede akte een bezoeker en in de derde akte een bezoeker en in de dramatische ontknoping een dokter.

 De toneelspeler tegen de regisseur va de tournee: 'Wat heeft de dokter in de derde akte aan?'

 'Een nette herenjas.'

 De toneelspeler, bezorgd: Ik heb alleen een gewone overjas. Is dat goed genoeg?'

 'Ja, maar doe hem niet open en hou je hoed op.'

 Ze hebben drie dagen om te repeteren.

Le velo de Benoît Lambert

 Is de mooiste film over wielrennen (2001) die ik ooit zag. Met de geweldige Waalse acteur Benoit Poelvoorde als een op alle manieren mislukkende coureur. Doping, mechaniek, geld, alles struikelt omdat hij per se een coureur moet zijn.

 In België fietsen beginners ook wel 'nieuwelingen' zoals het heet 'voor een trui en een broek'.

 Het deed me denken aan het wielrennen in onze Haagse straat, waar we onze eigen Tour reden. In shirts met merkjes die onze moeders erop moesten naaien.

 We namen zorgvuldig de rondetijden op.

 En dan, om met Gerard Reve te spreken: 'Het is het idee.' Kortweg de trui.

 Toen vriendje Jaap van een oom die dat begreep voor zijn verjaardag een echt krom 'racestuur' op zijn fiets kreeg aangemeten was hij niet meer in te halen.

Étappe

 Van Clermont Ferrand naar Lyon vandaag. Heuvel op, heuvel af. In de zon. De Tour de France als tijdsmachine bracht me naar Lyon, waar de rivieren samenvloeien en waar ik rondliep. En met de funiculaire naar de Notre Dame de Fourvier opsteeg.

 En dag later naar het stoffenmuseum in een zijstraatje, naar de mousseline, want ook de zijderupsen wisten de weg naar Lyon.

 De enigen die weten wat de Tour zo aantrekkelijk maakt zijn niet de wielrenners en ploegleiders. De aantrekkelijkheid van het zicht op fietsende konten is eindig. Het zijn de cameramensen en regisseurs van de tv met hun instant snapshots van mensen en landschap die het spektakel maken.

 Vroeger, toen dat alles nog in luttele woorden door Theo Koomen op de radio voorgetoverd moest worden kreeg ik hem eens aan de lijn, omdat zijn 'tourflits' bij een aankomst in Pyreneeën precies in ons programma viel.

 'Hoeveel tijd heb ik,' vroeg hij op de spreeklijn. 'Je hebt alle tijd, er is hier wat uitgevallen. Iets over doping misschien?'

 Dat was iets nieuws toen. De motor werd aan de kant gezet en Theo was niet meer te stoppen. Vertelde alles wat hij wist.

 Tegen zessen zei hij vanaf zijn Pyreneeën-top: 'De zon is hier al onder. Het wordt een beetje koud, jongen.'

Middelpunt

 In Wallonië trof ik in doodstille dorpen soms een café dat zich met grote raamletters aanprees als 'Museé de la bière'. Meestal gesloten. Wat me ontroerde was het moment van vertrouwen in het woord museum.

 Het kan mooier, zoals in dat straatje in Perpignan, waar een café gelegen is op het 'Centre du monde'. Niet dat het iets uitmaakte. Inplaats van aandacht te vragen voor het glas bier of wijn dat je kon bestellen moest ik meteen weten welke denker dit opschrift had bedacht. Maar hij was er niet, zei de serveuse.

 Een ander middelpunt dat me werd cadeau gedaan was dat van Italië. Het ligt in Rieti, een kleine stad ten Noord-Oosten van Rome.

 Ik kwam er aan op een avond dat het nationale voetbal-elftal speelde. Het was de tijd dat het licht nog geregeld uitviel. Zodat je moest gaan raden of er intussen niet gescoord was.

 En in gesprek raakte met de aanwezigen. Zo kwam je nader tot elkaar. En ik begreep de golf zwangerschappen die in 1977 voortkwam uit de grote black-out van New York City.

Fat City

 De film van John Huston uit 1972 die een onuitwisbare indruk op me maakte. De hoofdrol is de ex-bokser en vaste cafébezoeker, gespeeld door Stacy Keach, die een alcoholiste ontmoet, bij wie hij intrekt. Ze zweren elkaar trouw. Hij zegt 'You can count on me. I'm the reliable type you know.'

 Even gaat het goed, hij vindt werk in de Californische notenoogst. Die noten worden geoogst, net als de olijven in Italië. Een machine omklemt de boomstam en schudt er hevig aan, waarna het noten of olijven regent op de plastic matten beneden.

 Intussen loert hij op een comeback als bokser.

 Er komt een eind aan de relatie als hij in haar kleerkast een kartonnen doos vindt. 'O, dat is Joe's box'.

 Daarin zitten de bezittingen van zijn voorganger. Een vriendelijke zwarte man die op een dag zijn spullen komt halen. De twee mannen hebben maar een paar blikken nodig om mekaar te begrijpen.

Alpenkreuzer

 Het gezin was voor het eerst op weg met de nieuwe Alpenkreuzer. Een aanhangwagentje dat na aankomst moest worden uitgeklapt, zodat het deksel kon dienen als bodem van een hybride tent-caravan, die ontstond als je de tent uitklapte, die als een markies opgevouwen zat onder dat deksel. Daar sliepen onze ouders.

 Een ingenieuze uitvinding, verder bestaande uit een voortent en een ook al uitklapbare keuken, die achteraan de aanhanger vastzat. Achteruit rijden met dit geval was lastig. Toen mijn vader achteruit reed kwam hij daarbij in een 'schaar' terecht en reed zijn achterlichtje en de keuken kapot. Maar ik had mijn rijbewijs.

 We waren inmiddels voor het eerst in Italië en op weg naar de door mij in de gids uitgezochte camping in het dorp Berceto, halverwege Parma en Sestri Levante. Het werd donker.

 Berceto, op 850 meter hoogte bleek weinig meer dan een kale vlakte, donker en koud. De camping onvindbaar. Een passant wist dat hij nog niet klaar was.

 Bij het licht van de koplampen slaagden mijn broer en ik erin de Alpenkreuzer uit te klappen en op te zetten. En daarna ons eigen sheltertje, op de stenen ondergrond.

 De volgende ochtend zagen we bij daglicht waar we terecht waren gekomen. De Alpenkreuzer stond griezelig dicht bij een afgrond, zonder omheining. Verder was het terrein kaal. Geen WC's, geen water. Berceto.

Het Spoor

 Van de NVBS weet ik door mijn broer en mijn oom Bob. De Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Spoor- en Tramwegwezen. De keren dat Oom Bob ons mee uit rijden nam in zijn Sunbeam was het loeren altijd op gesloten overwegbomen. Zodat hij met een blik op zijn horloge en de passerende goederentrein kon zeggen 'de 1456 is laat'.

 De NVBS had een jaarlijks uitstapje naar Wezel, waar alle leden zich lieten fotograferen op de treeplank van de loc uit het stoomdepot dat daar nog was. Met de pet van de machinist op.

 En nog bekijk ik vreemde landen met spoorogen. Als is e lijn gesloten en liggen er zelfs geen biels meer, ik herken de plaatsen waar eens een trein reed. Vooral aan de resten van tunnels en viaducten en de flauwe bochten. En dan die werkplaatsen waar liefhebbers hun schatten restaureren. Van Kralingen tot Wittenberge en Klus-Balsthal in Zwitserland. Eens zag ik een unieke fototentoonstelling in Genua van de 19de-eeuwse aanleg van de Ferrovia dello Stato, de FS. De viaducten, de stations in aanbouw.

 En nog zoek ik de Stationsbar op, waar een kapotgebladerde Gazetta dello Sport ligt tussen peuken van Nazionali's. Toevluchtsoorden voor eenzame mannen. Die van Cuneo is erg mooi, die van Verviers niet minder. O het hokje van Baveno. En dan die van Desenzano, boven het Gardameer, waar Sebald nog over schreef. En waar ik was op Allerzielen, zodat je complete families zag picknicken tussen de zerken, terwijl de trein naar Venetië lang bleef stilstaan.

Pagina's