Bal

 Hooguit drie jaar oud zat ik te spelen op het tapijt in de Zutphense erker. Een tapijt rijk aan patronen, waar je van alles in kon zien. Vooral wegen en tuinen in ongekende kleuren. Buiten op straat waren de jongens van de overkant aan het voetballen.

 Plotseling lag ernaast mij op het tapijt een grote voetbal, temidden van een menigte glasscherven. Verrast strekt ik mijn handjes uit naar dit hemels geschenk. Door de kapotte spiegelruit kwam een windvlaag de kamer binnen en vele stemmen. Wat daarna gebeurde, en de volgorde daarvan, kan ik nu pas reconstrueren.

 Mijn vader, die de krant had zitten lezen, vloog overeind en stoof woedend naar buiten, roepend 'dat gaat ze geld kosten.' Dat hij een hekel had aan wat hij 'foebele' noemde wist ik.

 Mijn moeder inspecteerde mij - mij mankeerde niks - en kwam daarna met veger en blik.

 De bal verdween. Pas vele jaren later kreeg ik er zelf een, met een veter - van mijn moeder. Nog ruik ik het verse leer van het 'drietje', dat naast mij op het kussen lag voor ik erbij insliep.

Laura

 Op Goede Vrijdag 6 april 1327 in Avignon aan de kerk van de Heilige Clara kruisen de blikken van Petrarca en Laura elkaar heel vluchtig, met een ietwat verscholen glimlach wendt zij lichtjes blozend haar blik af.

 Petrarca blijft levenslang verliefd, maar beseft meteen dat zijn liefde nooit beantwoord kan worden. De vrouw die hem zojuist passeerde is Madonna Laura, de echtgenote van Hugues de Sade - geen familie - heer van Avignon.

 Petrarca grijpt de pen en schrijft sonnetten over zijn liefde, hoe de engelen in de hemel er met elkaar over praten - maar Laura blijft ongrijpbaar. 

 Haar huwelijk vond plaats op 16 juli 1325 in La Chapelle des Penitents in Noves waar notaris Raymond Fogasse het huwelijk bezegelt: het contract vermeldt 'la fille de Audibert de Noves dite La belle Laure' - de dochter van Audib­ert van Noves gekend als de mooie Laura. Petrarca volgt haar als een stalker als ze met haar kinderen in het park wandelt.

 Er ontstond in de kunst van die tijd een mode van geïdealiseerde liefde. Maar Lord Byron verfoeide het sonnet en de zwijmelende Petrarca: 'Ik heb zo'n hekel aan Petrarca dat ik haar niet had gewild als ik zijn Laura te pakken had gekregen, wat de jengelende zeurkous nooit lukte.'

Tags: 

Uta?

 Uta trouwde met de markgraaf, ook wel markies Herman. Het Duitse rijk kende langs de grenzen gebieden die door markgraven ofwel markiezen werden beheerd. Uta trouwde met Ekhard II, zo'n machthebber, maar bleef kinderloos.

 In Naumburg werd in 1245, toen de Dom bijna klaar was besloten de lang gestorven elf 'stichters' ofwel financiers te eren met levensgrote beelden. Waaronder dat van Uta. Wie ze maakte weten we niet, wel is bekend dat hij onder meer werkte in Mainz, Metz, de kathedraal van Amiens en Noyon. Zou er in deze kerken een voorstudie van Uta te vinden zijn? Een model?

 Reglindis, de vrouw van Ekkehards broer Herman is er ook bij, maar zij lijkt eerder een karikatuur van Uta. En - vreemd voor een beeld uit die tijd - ze lacht! Waar komt deze lach vandaan? Wil ze Uta aftroeven? Lelijker is zo ook.

 En dan de kleren van Uta, de vrouw die zowel door de Nazi's als door Walt Disney gebruikt werd. Als Duits schoonheidsideaal bij de SS en als boze stiefmoeder van Sneeuwwitje.

 Nu Uta’s kleren, bij monde van mijn specialiste: ‘Het onderhemd was van linnen, hoog gesloten, met mouwen. Daar overheen een soort sluike jurk van wol, met lange mouwen – die werd ‘cotte’ genoemd. En daaroverheen de ‘surcotte’, een ruime mantel zonder mouwen, een overkleed, ook van wol; vaak met kraag die je tegen de hals kon drukken, soms was die met bont gevoerd.’

Uta's kleren

 De eerste betoverend mooie vrouw die ik zag hing aan de muur op mijn vaders studeerkamer, waar hij 'tukjes' deed. Nu pas weet ik wie zij was: markgravin Uta van Ballenstedt, uit het geslacht der Askaniers, echtgenote van Ekkehart (ong. 1000-1046). Ze moet toen al de mooiste vrouw ter wereld geweest zijn.

 Ik zag haar in de Dom van Naumburg, waar ze vrij hoog, half in het donker staat. Moeilijk de kleuren te onderscheiden waarin haar kalkstenen (!) beeld ooit beschilderd was. Haar beroemde blik dankt ze aan de manier waarop ze over de opgeslagen kraag van haar mantel uit kijkt.

 Een fantasie van de onbekende beeldhouwer, die dit tweehonderd jaar na haar dood maakte en dat nog jaarlijks vele pelgrims trekt.

 Nu heb ik een foto van Uta, waarop haar kledij beter uitkomt. De kraag is van een mantel of cape tot de grond. Het blijft moeilijk te zien hoe die over haar jurk valt, die met een grote speld vol juwelen sluit.

 Met haar wat grof uitgevallen linkerhand houdt ze de sleep van die mantel op. Waarvan je, net als van haar jurk zowel gedeelten van de binnen- als van de buitenkant ziet. Die kleuren zweven tussen groen blauw en rood.  En er is natuurlijk ook nog een onderhemd. 

 Er is nog een tweede - ontsierend - beeld van Uta, waarop ze helaas lacht. 

 ps. Nietzsche groeide op in Naumburg en kwam er aan zijn eind. Over Uta heeft hij nooit geschreven, zover ik weet.

Colettes vakantie

 In een tijd van 'vakantie vieren' kijk ik met Colette terug naar haar jaarlijkse vlucht uit Parijs. Als een kind weet ze precies de plek waar het fenomeen vakantie begint: 'Het is een plek die ik niet zou kunnen beschrijven, maar die ik herken aan de geur. Het is ergens op de weg van Fontainebleau, zo'n vijf­tig kilometer - een uur van Parijs als je tegen halfvier 's ochtends de kurkdroge stad achter je laat, met zijn anorganische warmte, zijn bijna onwerkelijke katten en zijn ommuurde erfjes waar nooit loof ritselt.'

 'Juli is een maand die Parijs lijkt te ontmoedigen. Ons vertrek midden in de nacht, onze rit door de stad stoort niemand, we komen alleen een paar andere vluchtenden tegen. Een groot café in Montparnasse gloeit nog na. Als we de smidse gepas­seerd zijn, overheerst het blauw van de nacht, want het is pas halfdrie. Gevelde slapers, slapelozen die hun laken wegtrappen dromen jullie niet dat achter de Porte d'Italie het klimaat van dauwige weiden begint? Maar ineens bereiken we het punt waar ik het over had, een nieuwe atmosfeer gooit ons een fris net van druppeltjes in het gezicht: dit is het contact met de hemelse vochtigheid, het binnengaan van de luchtbel die subtiel is doordrenkt met een plantaardige nevel. Vanaf dit heerijke punt proef ik mijn vakantie ten volle. Vanaf nu zijn de uren rekbaar en zijn grillen van eten en slaap toegestaan. Ik maak korte metten met alle striktheid, stiptheid en treurnis die me bij mijn werk hielden. De dag breekt aan in de omgeving van Saulieu, en de kat herkent Saulieu voor de dertiende keer in dertien jaar.'

 Uit: 'De eerste keer dat ik mijn hoed verloor', gekozen en vertaald door Kiki Coumans.

Fietslampjes

 Er zijn straten, soms hele buurten, die ik mijd. Straten die me liever niet zien. Die een wenkbrauw fronsen als ik er aan kom.

 Straten - en ook huizen - hebben gezichten. Zo heb ik in de loop van veel jaren in Den Haag een heel netwerk van alter­natieve routes ontwikkeld om die straten te vermijden.

 Zouden straten gedachten hebben? Vaak denk ik aan het jongetje bij Salinger dat de mop ontdekt. En niet kan ophouden hem aan iedereen te vertellen.

 'What do two streets say to each other?'

 'Meet you at the corner.'

 Een bekeuring voor fietsen zonder licht kostte vijftien gulden. En wat er al niet stuk aan kon zijn: de dynamo, die soms scheef aan de voorvork zat, defecte fietslampjes, en dan vooral de bedrading. Altijd iets los. Tot, zo leek het, losse lampjes met de batterij erin de oplossing waren. Maar ze zijn alweer verdwenen. Lege batterijen, het lampje thuis vergeten. Er komt water tussen.

 Het is dus altijd zo geweest. En zo fiets ik buiten adem alle kronkels van de duistere Laan van Poot af. De angst betrapt te worden liet me soms hele stukken lopen waar het drukker was. Leerschool van de angst

 Nog kortgeleden was er een politieval in de Vijzelstraat.

Montaigne reist

 Montaigne (1533-1592) reisde in 1580 'achter zijn neus aan’ naar Italië. Dat en hoe hij daar terecht kwam was vooral toeval, maar ook een zoektocht naar kuuroorden waar hij verlichting van zijn nierstenen hoopte te vinden.

 Heel Europa was vol kuuroorden. En zo kwam hij al gauw in het mij zeer bekende Plombières. 'Hij hield van omwegen,' zegt vertaler Anton Haakman, die ook de weldadige toelichting verzorgde. Vaak kwam hij uit op een plek waar hij al geweest was. Als zijn personeel hem vroeg waarom zei hij dat hij als het aan hem lag nergens anders heen ging dan naar de plek waar hij zich bevond, en dat hij dus niet kon verdwalen of omwegen maken. Hij reisde om het reizen. In onze tijd van 'ge­heel verzorgd' uitzonderlijk.

 In Plombières, al sinds de Romeinen een kuuroord, dronk hij vooral water, om het gruis van zijn nierstenen en 'graveel' kwijt te raken. Duitse ziekenfondsen sturen hun klandizie nog vaak naar een Kurort.

 Er zouden ook nu Corona-Kurorte moeten ontstaan waar de kwakzalvers praktijk kunnen houden. Met een strijkkwartet in het park.

 Maar in Plombières was het ernst. Wie besmet was kwam de stad niet binnen. Strikte hygiëne, en een hoerenverbod. Men wist al van infectie. Koninginnen en prinsessen kuurden er. Boeiend is Montaignes verslag van zijn nierstenen, die hij voelt afdalen en soms vergruizen.

Pallone

 Is van oorsprong een oogstfeest en werd door keizer Augustus ingesteld. Later kwam Maria Hemelvaart daar bij.

 In Alessandria, niet ver van Genua, kwam ik terecht in een hotel aan het marktplein. Het rechthoekige plein was tot speelveld voor een toernooivan het Pallone-spel gemaakt, waaraan jaarlijks teams uit alle omliggende dorpen mededen.

 Op alle balkons aan het plein, de eretribunes, stonden fans te juichen en spumante te drinken.

 Pallone doet denken aan honkbal. Alleen zonder knuppel. Je speelt de bal, die ongeveer even groot is met een speciale handschoen. Teams van vijf man.

 Ik ken het spel en Ferragosto uit de meesterlijke roman 'De maan en het vuur' van Cesare Pavese. Het verhaal speelt zich af in zijn geboorteplaats Santo Stefano Belbo, waar ik nog zijn oude vriend, de klarinettist en instrumentbouwer Nuto (Benvenuto) heb bezocht, die op Ferragosto (15 augustus) de dorpen rondtrok met zijn orke­stje. En die een belangrijke bijrol heeft in 'De maan en het vuur'. Het boek dat ik las op Corsica, waarna ik de eerste boot naar Genua nam om de Langhe in het echt te zien.

Rust op Tholen

 Er zit een hoek in de Oosterscheldedijk, niet ver van de Kettinghoeve, waar ik logeerde bij Oom Kees en tante Mien. Het was zondag en erg warm, tante zat achter de boerderij op het bankje te borduren. Oom Kees liep zich met iets te bemoeien.

 Ik zat in de hoek van de dijk, en keek naar het water. Tegen de basaltblokken lag uitgedroogd zeewier met de bolle uitstulpingen die je kon laten knallen. 'Klappers' heette dat. Maar op het kleine strandje onderaan de dijk bleef ik kijken naar de krabben, die daar 'krabbers' heetten. Om hun zijwaartse gang vooral.

 Ze zeiden wel dat oom Kees liep als een krab. Ook zo'n beetje zijwaarts.

 Maar de stille watervlakte van de Oosterschelde was er meer dan wat ook. Daar had het verzwolgen Reimerswaal gelegen, de stad die ik kende uit de kroniek van Smallegange.

 Nog jaren waren er stenen van gevonden en botten van het kerkhof. Heel waarschijnlijk was de Kettinghoeve gebouwd met stenen van Reimerswaal.

 Verderop lag nog een Veerweg naar de dijk, naar de nu verlaten plaats waar ooit het veer naar Reimerswaal aanlandde. Je kon naar het water van de Schelde blijven staren tot je een stad zag oprijzen.

Illustrierten

 Elke week kwam bij ons thuis de leesportefeuille, niet gevuld met Panorama en Wereldkroniek, maar louter met Duitse Illustrierten. Dit omdat mijn vader als leraar Duits 'de taal wilde bijhouden'. En zo weet ik tot vandaag nog meer van de Duitse sterren dan van Willeke Alberti.

 In de Bunte Illustrierte, de Stern, de Neue, de Quick, de Revue volgde ik de wederwaardigheden van Gunter Sachs von Opel met Brigitte Bardot. de zwerftochten van de door de Sjah verstoten Soraya en van tv-sterren als de Italiaanse Vico Torriani en Catharina Valente. Filmster Karin Baal was mijn favoriet, naast Horst Buchholz. Maria Schell was te braaf. Hazi Osterwald ook.

 Eens trof ik een hotel op de Kaiserstuhl waar overal ingelijste voorpagina's van Illustrierten aan de muur hingen. Maar ook Ruth Leuwerik, die in de eerste film over de familie von Trapp speelde, lang voor Julie Andrews. En veel Claus Biederstedt.

 En dan barst de Duitse popmuziek los, met Conny und Peter machen musik in Teenager Melody. 'Halbstarken' was het woord. Drafi Deutscher  kwam met met Marmor Stein und Eisen bricht aber unsere Liebe nicht.

 De onvergetelijke filmscene was deze. Een Halbstarke met zijn vriendin achterop de brommer, in de strakste spijkerbroek ooit, komt bewonderende vriendjes tegen, die haar vragen hoe ze die broek in godsnaam heeft aangekregen?

 Antwoord: 'Met een schoenlepel.'

Pagina's