Tanizaki

 Junichiro Tanizaki (1886-1965) was mijn eerste Japanse schrijver. Wat me in zijn boeken aantrok? Misschien de heldere afstandelijkheid, gedistancieerdheid. Terwijl het toch over heel nabije onderwerpen ging.

 Het eerste boek was 'De sleutel' (1956). Waarin de hoofdpersoon ziek wordt en zowel hij als zijn vrouw een dagboek bijhouden:

 'De laatste tien jaren ben ik een zwakkeling geweest, niet opgewassen tegen mijn vrouw. Maar daarin is sinds kort verandering gekomen. In het begin van dit jaar heb ik het verrassend opwekkende middel dat 'Kimura' heet, leren gebruiken en bovendien nog de toverdrank cognac ontdekt, en op het ogenblik verheug ik mij in een wonderbaarlijk sterke en gezonde mannelijkheid. Bovendien heb ik professor Aiba geraadpleegd over de vraag hoe ik mijn krachten kan hernieuwen, en ik krijg nu iedere maand een hormooninjectie. Dat lijkt mij echter niet voldoend en daarom neem ik om de drie, vier dagen een injectie van 5000 eenheden van een bijzonder effectief hypofysehormoon. (Deze injecties geef ik mij zelf, buiten medeweten van professor Aiba).'

 Het werkt! Maar dan komen in het boek de gevolgen van de zelfmedicatie: duizeligheid, verlies van evenwicht:

 'Ik weet weliswaar niet waar de zenuwen lopen die voor het evenwicht zorgen, maar ik heb altijd een vreemd gevoel in mijn achterhoofd, recht boven mijn ruggegraat, alsof daar een holle ruimte is ontstaan, en het lijkt alsof mijn lichaam zich om deze plek in zijwaartse richting draait.'

 En dan de vergeetachtigheid.

Rokjes

 Er was een tijd dat van alles rokjes droeg. Niet alleen kleine kinderen maar allerlei huisraad. Een schoorsteenmantel kon niet zonder rokje van fijn borduurwerk, een bijzettafeltje evenmin.

 Boven het fornuis van mijn grootmoeder, aan de af­zuigkap, hing ook een vrolijk Brabantsbont geplooid rokje. Daar onder blonken de koperen zwenkkranen dat het een aard had. Dienstmeisjes waren er niet voor niets. Die droegen geborduurde schortjes en kapjes van het zelfde. Ook de jurken van hun mevrouwen blonken uit in kanten kraagjes. Met een Tiroler touch.

 Maar de rokjeskampioenen waren de schemerlampen.

 Eens vond ik aan de stoep de resten van een defecte, maar enorme, vierkante lamp voor boven de eettafel. Een fraai bewerkt bovendeel van smeedijzer met daaronder een forse rok. Van dun, doorschijnend materiaal, waar de lamp geraffineerd doorheen moest schijnen.

 Ik soldeerde hem weer in elkaar, zodat het gedeelte met de rok er precies in paste. Het probleem was, dat zat niet goed vast. Zodat maar al te vaak halverwege het eten het rokje losliet en in de soep viel.

 Al spoedig was de niet zo gewone lamp reddeloos. En begreep ik waarom hij ooit aan de stoep was gezet.

 Dit kunstwerk van Jozef Hoffmann van de Wiener Werkstätte, omschreven als 'staande lamp met bloembakje' uit 1908 getuigt van iets tussen humor en wanhoop. Zijn hoofdwerk is het bekende art deco-Stocletplaleis in Brussel.

Muurtje

 Nu ik eenmaal het straatje ben ingelopen komen plaatjes op me af. De straat was vol geboortegolf-kinderen. Oorlogskinderen als ik keken daar op neer. Drie of meer per gezin. De katholieken en gereformeerden voorop bij de zondagse kerkgang.

 Mijn broer was een waaghals. Wagen een sport. Voor een publiek van in de straat met open mond omhoog starende kinderen liep hij als een acrobaat over de nok van ons dak van de ene schoorsteen naar de andere. Nergens ouders in zicht.

 Hans was tegendraads, dammen wilde hij alleen 'om het verlies', wie er het eerst al zijn stenen kwijt was had gewonnen. De kinderschaar klom overal op. Vooral de muurtjes aan het straateind waar de doelen van onze clubs op waren getekend. Geen tuin was veilig voor ze. Een hordenloop maken achter een heel huizenblok langs was het ideaal. Steeds over de scheidingshekjes heen springend, terwijl achter je de keukendeuren open vlogen met stemmen van woedende huisvrouwen.

 Tenslotte lieten de eigenaren van de muurtjes er overal rijen glasscherven op metselen.

Straatje

 Zo eenvormig als de rijtjeshuizen in mijn Haagse straat van buiten waren, zo verschillend waren de werelden binnenin de huizen. Overal ben ik weleens binnen geweest. Behalve in het huis waar de latere Nobelprijswinnaar en zijn twee oudere zussen werd grootgebracht. Gerardje was geniaal en mocht niet naar buiten.

 Bij de buren en overburen was de nieuwe tijd al binnengedron­gen. De suites doorgebroken en de plusfours vervangen door terlenka. De meisjes kregen petticoats, de Indische als eerst­en. Indisch was modern. Aan beide uiteinden woonden in vol­gepropte lagen de katholieken, die bij LENS (Lenig en Snel) voetbalden en de gereformeerden, waar eerst op zondagen in colonne driem­aal naar de kerk werd gefietst, tot opeens op zondag een jazzband in de voorkamer stond te spelen met de twee oudste buurjongens op slagwerk en staande bas. En de beroemde Henk Alkema aan de piano. De staande bas naast het dressoir. Waar de ouders en hun potplanten gebleven zijn heb ik nooit geweten.

 Verderop kwam het genootschap van dominee Visser bijeen, die een eigen gemeente gesticht had rond zijn harmonium. Twee huizen aan de overkant werden bewoond door oude dames die bij de parochie hoorden. Wij buurtjongens zaten die zondagen op het hekje en keken brutaal naar binnen.

 De moderne tijd kwam onverbiddelijk binnen. Dat waren wij

Slapen

 Nooit sliep ik zo mooi droomrijk als mijn nachten in Chiog­gia en Padua. Beide keren achter het trainingsveld van de plaatselijke voetbalclubs. Eerst keek ik langdurig naar de training bij lamplicht, daarna sliep ik in bij de stemmen van trainers en spelers. En de geluiden van de bal.

 Chioggia ligt aan het andere uiteinde van de Venetiaanse lagune. In de cafés vind je vissers. In Padua zat ik aan de rand van het ronde beeldenplein, niet ver van de tombe van de heilige Antonius, waar een overvloed aan dankgeschenken ligt uitgestald: 'Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik mijn ring terugvind.'

 Waarachter de oudste hortus van Europa, waar juist de Victoria Regia bloeide.

 De Prato delle Valle, zoals het plein heet waaraan het hotel lag is een ovaal met een dubbele rij beelden rond een gracht, met in het midden een eiland. Het bestaat al sinds de Romeinen en de middeleeuwen. Eerst als militair oefenterrein. Daarna werd het een marktplein. Een soort Malieveld. Het uiterlijk van nu werd bedacht in 1775.

 Het trainingsveld van Padova, die momenteel in de Serie C spelen, ligt daar weer achter, bij de villa waar ik sliep.

Zout

 In het dorp Arc-et-Senans bezuiden Besançon worden de gebouwen van de in 1793 gestichte Staatszoutfabriek gerestau­reerd. Zout was in zijn tijd nog een geldsoort (de zoutverkoop is nóg een staatsmonopolie in vele landen). Er waren dus ook zout-boot­leggers, en er was een zoutpolitie die ze naar de galeien zond.

 Naar dat project van ambtenaar en architect Ledoux ben ik wezen kijken en vooral ook naar de maquettes van zijn andere verzinsels. Want wat Ledoux gebouwd heeft is niets bij wat hij verzonnen heeft. Er zijn daar boeken te koop met prach­tige ontwerpen.

 'Functioneel' moest het zijn, en 'symbolisch'. Een 'archite­cture parlante'. Verbijsterd kijk je naar het idee voor een dodenstad. Een raamloos catacombencomplex rond een enorme gesloten bol, waaromheen, 'als planeten', radiale toe­voe­gin­gen. Een licht­gat zit alleen boven in de bol, zoals bij het Pantheon in Rome. Dit noemt Ledoux 'l'image du néant'.

 Groots, simpel, onmiddellijk herkenbaar in het landschap. Net als de enorme kanonnenfabriek met de vier piramidevormige smelterijtorens op de hoeken, of de brug over de Loue met pilaren als schepen. En het eveneens in de vorm van een grote staande cirkel bedachte 'atelier des ouvriers destiné's à la fabri­cation des circles'.

 Het is, net als tientallen broertjes en zusjes, nooit gebouwd. En dat is als je het mij vraagt ook de essentie ervan. De architec­tuur van de geest. Archi­tecten die uitsluitend teke­nen, zoals schilders uit middel­eeuwen en renaissance op hun achtergronden ook naar hartelust gebouwen neerzetten die ze zelf bedacht hadden.

 In Arc-et-Senans zie je wat er van komt als er een fractie van wordt uitgevoerd. Zoals de schets voor een schilderij het zelden haalt bij de uitvoering in olieverf. Wat de tek­eningen opriepen wordt onver­biddelijk door de al te echte steen of verf ver­morzeld

Tielman

 Het was in Paradiso, waar de zoveelste versie van de Flying Burrito Brothers optrad. Terzijde op het podium zat de steel­gitarist. Niet de fameuze Sneaky Pete, een ander. Terwijl het optreden het publiek trok had zich voor het podium bij de steelgitaar een groepje bruine mannen in lange regenjassen verzameld.

 Ik vroeg het ze. Het waren Molukkers. Die hielden van Hawaï-muziek en vonden de pedal-steel geweldig.

 Ton van Bergeijk heeft eens uitgezocht waar de Hawaïmuziek vandaan kwam. De meeste liedjes waren van Duitse oorsprong. In Batavia speelden wel vijf Hawaï-orkestjes in Hotels en res­taurants. Waarom zoveel Indo's Duitse namen hebben weet ik nog steeds niet. De dochter van steelgitarist Theo Eh­licher van de Kilima's woonde bij mij in de straat. Mijn Indische onderwijzer heette Von Banniseth.

 Mijn eerste gitaarles kreeg ik van een mooie Indische vrouw aan de Regentesselaan. Ik vroeg haar me de akkoorden van Hello Mary Lou voor te doen. Maar dat mislukte, ze bleef het hardne­kkig in drie akkoorden spelen, terwijl ik al uitgevist had dat het er vijf waren.

 Op tv werd maandag jl. een docu vertoond over de Indische muziek in Holland na de oorlog. Wat overbleef waren de elektrische gitaren van de Tielman Brothers, die nooit zongen. Rene and his Alligators van René Nodelijk was de eerste gitaarband die ik zag optreden. Maar Brandend Zand is geen Indische muziek. En Ramona was een Amerikaanse Evergreen.

Nederlaag

 De afstand tussen het grootse plan en de pijnlijke mislukking werd me nooit zo duidelijk als op mijn twaalfde, toen ik met straatvriendje Japie naar het drielandenpunt fietste. En ver­der.

 Al weken zaten we gebogen over onze landkaart met de drie kleuren en het dagschema dat me maakten voor drie weken, met exotische namen als Blankenheim en Schleiden. Maar eenmaal in Maastricht uit de trein gestapt en onze fietsen beladen met het tentje en de plunjebalen bleek geleidelijk wat we vergeten waren: de bergen. Het was warm.

 Uitgeput bovenop het Drielandenpunt aangeland kwam ik de eerste Duitser tegen, die ons tegemoet fietsend riep 'Rechtshalten du Arschloch'.

 Maar de hoogteverschillen vielen tegen. De grootste stukken liepen we naast onze fietsen en het kamperen 'ins freie' - geld voor een camping hadden we niet - kwam neer op slapen op de kouwe grond in een winderige vlakte. Luchtbedden hadden we niet. We warmden op ons Campinggaz brandertje wat bruine bonensoep uit een pakje.

 Na drie dagen gaven we het op. Staken de Belgische grens over en konden nu eens bergaf rijden, richting Verviers. Het station Maastricht bracht de verlossing. We telden ons geld en namen de laatste warme, lege trein.

 In een orgie hebben we toen onze laatste centen besteed aan flesjes luxe Hero-limonade. Tien soorten. Cerise, Cassis, Sinas en zo verder. Toen Den Haag in zicht kwam zaten we aan de Perl.

 Maar ik wist wat me te wachten stond. Mijn vader lachte me daverend uit. Dat was dus onze drieweekse tocht geweest.

Italianen

 Dit is weer om over Mussolini te schrijven. Die altijd een lamp liet branden aan het raam van zijn werkkamer. Immers, 'hij sliep nooit’. In 'Die Italianen', de merkwaardig vertaalde titel van Luigi Barzini's 'The Italians' leer je niet alleen dat dat 'maffia' een onzinnige Nederlandse spelling van de laatste jaren is.

 Zoiets als het dwangmatig verkeerd blijven uitspreken van Srebrenica. Het is dus in het Italiaans Mafia.

 Misschien was Mussolini de eerste koning van de 'al­ternatieve waarheid'. Hij leefde net als Trump in een denkbeeldige wereld. De steden die hij bezocht - denk aan Una giornata particolare - waren lang tevoren op zijn bezoek voorbereid. Hij kreeg alleen te zien wat hem zou behagen. Denk aan het idiote volkstoneel bij de bezoeken van de Oranjes. 

 Een keer ging het mis. Bij een bezoek aan een grote fabriek wilde de Duce opeens weten op welke partijen deze arbeiders stemden. Ze antwoordden eerlijk: Christendemocraten, Socialisten, Republikeinen of Communisten. Waarop er onrust ontstond.'

'Maar wie van jullie is dan eigenlijk fascist,' vroeg de grote leider. De voorman had het begrepen: 'Allemaal natuurlijk Duce,' zei hij. 'Allemaal.' Applaus.

Bij zijn bezoek aan Catania op Sicilië, mafiastad, werd natuurlijk een groots banket aangericht. Maar na afloop bleek de dure jas van de Duce verdwenen. 'Die heeft u binnen een half uurtje terug Duce,' fluisterde de lokale partijleider in zijn oor. Mussolini werkte vlekkeloos samen met de mafia. En zo lag de jas van de Duce al spoedig op tafel. Met excuses.

Gepavoiseerd

 Als je de herkomst van het woordje 'gepavoiseerd' opzoekt kom je in de stad Pavia. Of eigenlijk ten noorden daarvan, de kant van Milaan op. Daar, in het kanaal van Milaan naar de Po ligt een in onbruik geraakte sluis.

 Heel de Povlakte lag tot de Tweede Wereldoorlog vol kanalen, voor personen en vrachtver­voer. De specerijen die Venetië invoerde kwamen zo naar de steden. Shakespeare vermeldt het al. En daar, bij Pavia heb ik de sluizen gefotografeerd.

 Er waren vanuit Milaan ook pleziertochten met versierde schepen, opgetuigd met lampjes, muziek en bloemen. Vandaar 'gepavoiseerd'. Er zijn weer plannen om het varen door de Povlakte te herstellen.

 In de Renaissance moet het op z'n mooist geweest zijn. Koetsen waren onhandig. Iedere edelman had een eigen schip. Milaan onderhield een vloot van bewapende galeien. Er zijn lyrische beschrijvingen van deze idyllische boottochten door de wijngaarden die doen denken aan onze trekschuiten. In de Romeinse tijd werd hier al gevaren. De spoorwegen maakten er een eind aan.

Pagina's