Noem het de poëzie van het vuil. Daar heb je meteen het dilemma: mag zoiets mooi zijn?
Vanmiddag dus in EYE de meesterlijke film 'Those Who Feel the Fire Burning' van Morgan Knibbe gezien. Over de bootvluchtelingen, de asielzoekers. Maar dan, noem het van binnenuit. Europa van de andere kant bekeken. Als ze ons schroot - blikjes, ijzer - verzamelen voor opkopers zie je de selecterende blik die je eerder aan de kade zag bij de douane of bij de verstrekking van vergunningen. Hoe Morgan Knibbe hieruit dit evenwichtige, melancholieke filmgedicht maakt is een mirakel. Een terugblik halverwege leven en dood.
Aandachtige precisie. En daarbij een geluidsband waarop spaarzame woorden en zinnetjes klinken uit het versnipperd bestaan van vluchtelingen. Flarden Senegal, paradijselijk achteraf, terwijl Europa toch het paradijs zou zijn.
De camera, door Knibbe zelf gehanteerd, gedraagt zich als een hongerig snuffelende hond. Nergens neemt hij afstand, gezichten, bladders, troep, hij zit overal met z'n neus bovenop.
Naar je vriendin in Afrika bellen en verzinnen dat je 'een hele straat vol schoenen' voor haar zult kopen. 'En een zwarte lipstick.' Ontgoocheling - terwijl ik dit schrijf rukt aan de overkant een zwarte man aan alle gesloten deuren van een Mercedes.
Verhalen in flarden als het in zee zwemmen met z'n drieën tot je alleen overblijft. Intussen zweeft je ziel al in de nachthemel en overziet het, drone-camera, meesterzet van de regie. Vrijwel heel de film is in het donker opgenomen, er komt nauwelijks daglicht in voor.
Een man klimt langs de kabel omhoog naar waar hij aan boord van een zeeschip kan komen. Het schip heet de Piraeus XI. Je volgt zijn levensgevaarlijke acrobatiek ademloos, het lukt.