Johan Tahon

 Vlaamse beeldhouwers deze zomer in Scheveningen ('Vormidable' in Beelden aan Zee) en op de Voorhout. Onder wie Johan Tahon (1965) uit Oudenaarde. Alchemisten, zei hij, beweerden dat ze goud wilden maken, maar wisten dat dat niet kon. Ze zeiden ook wel dat ze 'god' wilden maken. Het waren kunstenaars.

 Liefst wilden ze gewoon bezig blij­ven, in hun werkplaatsen, aan de rand van de maatschappij. Tahons vriend, de dichter Peter Verhelst hoopte een regel te schrijven waarvan de lezer dood zou neervallen. Zei Tahon: 'Een kunstwerk moet een opening laten. Van een regel die alles zegt zou alleen Verhelst zelf dood neervallen.'

 Tahon ziet zich als sjamaan. Vertelde van een sjamaan die wist dat hij door een god was ziekgemaakt. Maar deze god wist dat de sjamaan sterk genoeg was om zichzelf te genezen. De kunstenaar, de sjamaan, doet verslag van zijn genezing. In de hoop dat dit ook anderen helpt.

 En over zijn held Giacometti: 'Die was zeer begaafd. Hij had ieder vak kunnen kiezen, maar koos voor de beeldhouwkunst, het enige dat hij niet begreep.'

 Dit zei hij bij zijn eerste optreden in Beelden aan Zee in 2006. Vanaf 20 mei is ie er terug. En vanaf 27 mei ook bij Gerhard Hofland in Amsterdam. 

Tags: 

I'm the same, I'm an other

 In het donker binnen komen struikelen, net op tijd voor de hoofdfilm. Als ie afgelopen is omkijken en zien dat je de enige in de zaal bent. Zelfs geen operateur achter je.

 Een zeldzaam genot na een film waarin vrijwel geen woord gezegd is tussen de man en het meisje van een jaar of elf met het goede gezicht voor zwijgen. Hij brengt haar in z'n kofferbak de douane door. 

 Ze zijn op de vlucht, elk voor zich, zoveel begrijp je, en zitten met elkaar opgescheept. Na omzwervingen in het Antwerpse havengebied belanden ze in een Engelse badplaats buiten het seizoen. Het zijn decors die net zo hard zwijgen als het tweetal. Ik kijk graag naar installaties, rook of stoompluimen uitstotend, badend in natriumlicht, zonder uitleg. Het smeren van een boterham aan boord van een schip komt dan als een verrassing.

 Met een zelfde onbevangenheid volgde ik de twee. Die aan het eind ook zelf niet blijken te weten wat ze samenbracht, wat ze misschien delen.

 Als de man haar opsluit en 'naar de stad' gaat maakt het meisje heel het appartement schoon, doet de was en ontpopt zich als een ware huisvrouw. Maar de man reageert niet. Ze waren samen en dat was het, is de conclusie van de Vlaamse filmster Caroline Strubbe. Meer niet.

 Ik keek naar ze, lang. En was verbaasd toen agenten ze tenslotte kwamen ophalen in een prachtig troosteloos zwembad en de aftiteling volgde.

 Het raden naar een hoe en waarom had ik opgegeven. Dat beviel. 

De roman van Miranda July

 Het vermijden van de obstakels die medemensen zijn. Dat is het waardoor Lionel Messi nooit gebleseerd raakt. Ben je er niet zo goed in, mijd het speelveld. Zeg liever nee als ze je vragen.

 Maar in het leven van alledag geldt niets als schaamtevoller dan vermijden. Sociale onhandigheid is een groot onderwerp waar de literatuur meestal omheen draait. Van de niet geschreven roman van Friedrich Nietzsche over zijn toenade­ring tot Lou Salomé tot Kaf­ka’s in verlegenheid gesmoorde relatie met Milena Jesenska. Schaamte, en toch een pad moeten vinden in het mijnenveld. Liever thuis blij­ven als gezegd wordt 'ga toch gezellig mee', eindeloos smoezen verzinnen.

 Het meesterwerk hierover in onze letteren is het onderschatte 'Meneer Foppe over de rooie' van Wim de Bie. Maar daarbuiten? Oblomov vindt ontsna­pping in de slaap, de droom. Een obese hoofdf­iguur las ik nog niet.

 Maar nu ben ik dan verzonken in de eerste roman van Miranda July 'The first bad man' - vertaald als 'De eerste foute man'. En haar heldin Cheryl, even in de veertig, blijkt familie van meneer Foppe. Ook zij leeft alleen en heeft haar eigen 'sy­steem' voor alles. Zo is er maar een bord in huis dat ze steeds afwast, zodat er nooit een gootsteen vol vuile afwas staat. Een werkzame manier van angstbezwering.

 Totdat er een onbeschofte jeugdige logé komt. Cheryl kan geen nee zeggen dat hoort bij de kwaal. En deze Clee houdt zich aan geen van haar regels. Binnen een dag staat de goo­tsteen vol vaat. Het meisje wast zich maar eens per week. Ze stinkt. En is nog mooi ook, krijgt mannen achter zich aan. Ze eigent zich het huis toe. Wat nu? Die foute man? Ik lees.

Doel leeft nog

 Ruigoord is de enige met Doel vergelijkbare enclave die ik ken. Enclaves van koppigheid, zoals de huisjes waar het Amsterdamse Victoriahotel omheen gebouwd werd, waar Thomas Rosenboom over schreef in Publieke Werken. Dezer dagen verfilmd.

 Doel bij Antwerpen, aan de Schelde is ook een film, nu al. Elke keer als ik er kom zijn er weer huizen tot kraakmonumenten geworden. Wat nog staat achter de hoge nieuwe dijken, achter de kranen en de kerncentrales, is imposant: een paar herenhuizen met verroeste hekken, het mooie Hooghuis uit de Renaissance, ooit van familie van Rubens, de kerk, het kerkhof, het haventje. Doel stamt uit de dertiende eeuw.

 Er kwamen de perikelen met de kerncentrales. Dat gaf hoop. En het plan voor het Saeftinghedok, waarvoor Doel zou moeten wijken is dezer dagen opnieuw afgekeurd door de Raad van State. Het is 'onwettig'. Daarmee krijgen de activisten van Doel 2020 voorlopig gelijk. Maar wat staat er nog van Doel? Er wonen nu nog maar 28 mensen.

 Niettemin. elke zondagmiddag na tweeën is er onverdroten een vrolijke en strijdbare bijeenkomst. En op 9 augustus volgen weer de jaarlijkse Doelse feesten. Ga langs! Het ligt tegenover Lillo, de enclave die het redde tussen de dokken aan de overkant. En zie nu eens wat een oase van garnaalcroquetjes. 

 Maar Antwerpen is Amsterdam niet, kent geen cultuur van opstandige burgers die men tenslotte maar hun zin geeft om van het gedonder af te zijn. Het Antwerps havenbedrijf, en vooral die ene rederij zijn machtig. En sinds Bart de Wever de stad bestuurt… 

Tags: 

De kwast en de camera

 Er staat 'In zijn installatie Girl Reading Letter at an Open Window brengt videokunstenaar Menno Otten (1984) het oude meesterwerk van Vermeer tot leven.'

 Die regel stuurde me naar de Delftse Prinsenhof. De Vermeer is van ongeveer 1657, een vroeg werk dat ik in Dresden zag. Maar 'tot leven'? Was het dan dood? Als er iets leeft is het toch wel het schilderij. En niet het filmpje van Otten, ook al is hij nog zo 'gefascineerd door het werk en lichtgebruik van Vermeer'.

 Jammer dat er geen kopie van het doek naast het filmscherm hangt. Dan zag je hoezeer zo'n schilderij alles ineen is. Hoe Vermeer de vele mogelijke manieren om naar z'n model te kijken bij vele lichtsoorten verwerkt heeft in dat ene doek. Kortweg, hoe stilstaand beeld beweging in zich draagt.

 En dan staat er dat Otten zo probeert 'het geheim van Ver­meer te ontrafelen'. En 'de echte hoofdrolspeler is het licht. Het licht van Vermeer, gevangen - en bevrijd ‑ door Menno Otten'.

 Je moet maar durven. Het licht, Proust schreef er al over. Maar het licht van Vermeer kwam van intuïtie, kwasten en palet. Hij heeft heus zijn model niet staan uitlichten met lampen, zoals het bijgaand filmpje laat zien.

 'Tot leven brengen'. Wat een hoogmoedige vergissing. 

Tags: 

Miek Zwamborn in Den Haag

 Betreed het Berlagezaaltje, boven links en je bent op bezoek in de werkruimte van Miek Zwamborn, Er hangen prints en schilderijen, er liggen gevonden voorwerpen. Ze schrijft weer en wind-tekst uit de literatuur op de muren, zoals Van Gogh het behang bij vrienden vol tekende als hij wilde laten zien waar ie me bezig was.

 En zo lees je het reisverslag van Willem IJsbrandszoon Bontekoe naast Slauerhoff en een keur aan vooral zeeschrijvers. 'Onse afgewagde groote mast lag de hele nacht en rick-ranckte onder 't vlack en op de zijd' van 't schip dat wij vreesden dat hij ons onder leck soude maecken. Het volck uyt het ruym riepen 'Hack alles af dat hem vast houdt en laet hem dryven..'.

 Werk in uitvoering. Er moet op 21 juni een boek van komen met teksten en afbeeldingen over de elementen in de kunst. Als iemand daar van weet is het Miek Zwamborn, ze was sluiswachter op Ijmuiden, voer mee op een booreiland waarover ze het verslag Oploper schreef en werkte in de bosbouw. Haar laatste boek De Duimsprong bracht haar hoog de Alpen op.

 Veel vond de eerste schrijver in residen­tie bij het Haags Gemeentemuseum in de depots, maar ze wandelde ook langs de waterlijn.

 Ik zou haar nog willen laten zien hoe Hagenaars hun spiegelruiten beschermden tegen inwaaien bij storm. Nog hoor ik windvlagen en glasgerinkel. Ze deden dat door bij hevige wind een lat tussen de twee daartoe bestemde haken te bevestigen, achter de ruit. Met in het midden een opgevouwen handdoek tussen het hout en het glas. Dat hielp.

 In Oploper noteerde Miek: 'De zee is rond. Waar ik ook kijk, ik ben altijd in het midden.'

Telefoon

 Waar in huis krijgt het apparaat, dat het gezin voor het eerst verbindt met de wereld, zijn plaats? Walter Benjamin beschrijft in 'Kind­erjaren in Ber­lijn - rond 1900' hoe het apparaat in de gang begint.

 Waarna het zijn 'koninklijke intocht'  maakt in de verlichte kamers van de jongere generatie: 'Voor dit geslacht werd hij de troost in tijden van eenzaamheid. De hopelozen die deze slechte wereld wilden verlaten straalde hij toe met het licht van de laatste hoop. Met de verlatenen deelde hij het bed.'

 Maar wat een lust was werd een last.

 Later hangt de telefoon 'mismaakt en uitgestoten tussen de mand voor vuile was en de gasmeter in de hoek van het achterste deel van de gang, waarvandaan zijn gerinkel de verschrikkingen van de Berlijnse woning verveelvoudigde. Als ik dan, mijn zinnen ternauwer­nood de baas, mijn doel na lang tasten door de donkere pijpenla bereikte, om het kabaal te doen ophouden en de beide hoorns, die als halters zo zwaar waren, opnam en mijn hoofd ertussen perste, was ik genadeloos overgeleverd aan de stem die sprak.'

 Nu, in de oerversie nieuw vertaald door Hans Driessen. Met erg mooie Berlijn-foto's van rond 1900.

 Ps. Ik dacht dit lezend meteen aan de zelfmoordbrug in Seoel die ik gisteren op tv zag, waar met intervallen telefoons zijn opgehangen met het nummer van de hulpdienst, een sprekend pictogram ernaast waarop een hart verbonden is met een telefoonhoorn. 

Tags: 

William Kentridge in Eye

 Het eerste waar de alom geprezen 45 meter lange filmprocessie 'More sweetly play the dance' van William Kentridge (Johannesburg, 1955) me aan deed denken was een New Orleans-parade, waarbij de muzikanten na een begrafenis in ganzenpas musicerend over straat gaan.

 Daarna kwam James Ensors doek 'De intocht van Christus in Brussel (1888), de optocht waarin alle gezindten samen optrekken, van hoeren en priesters tot arbeiders. Waarom? Om de optocht, die boven alles gaat.

 Daar bleef niemand gespaard. Bij Kentridge overheerst een gevaarloze berusting in zijn optocht van de geschiedenis. Die de kunstenaar overziet en gadeslaat. Er geen schuldig deel van uitmaakt en er evenmin het individu uit licht, de enkeling.

 In de woorden van organisator Guldemond: 'Een processie die zowel de veerkracht van de mens als de onmacht om tot een betere wereld te geraken voelbaar maakt.'

 Wat een taal! Je voelt hem op eieren lopen met de mens en zijn onmacht.

 Wie is Kentridge? Een politiek correcte kunstenaar uit welgestelde, blanke oud-linkse kring in Johannesburg, waar hij nog steeds woont. Keurig anti-apartheid geweest altijd. Maar nu? Verwijst hij naar Winnie Mandela, naar de eenpartijstaat van het ANC waarin macht tot corruptie leidt, en waarvan leiders als Mbeki krankzinnige ideeën over de bron van aids kunnen uitdragen? Nee. Met zo'n optocht blijf je mooi op afstand en buiten schot.

 ‘More sweetly play the dance’? Er lijkt geen reden de dans der geschiedenis in 2015 ‘more sweetly’ te spelen. 

Tags: 

Those Who Feel the Fire Burning

 Je hebt bootjes en bootjes. Er zijn er die plezier­varen op het IJsselmeer en je hebt er die zinken in de Mid­dellandse zee. Je hebt mensen en je hebt mensen. Je hebt schroot en je hebt schroot.

 Noem het de poëzie van het vuil. Daar heb je meteen het dilemma: mag zoiets mooi zijn?

 Vanmiddag dus in EYE de meesterlijke film 'Those Who Feel the Fire Burning' van Morgan Knibbe gezien. Over de bootvluchtelingen, de asielzoekers. Maar dan, noem het van binnenuit. Europa van de andere kant bekeken. Als ze ons schroot - blikjes, ijzer - verzamelen voor opkopers zie je de selecterende blik die je eerder aan de kade zag bij de douane of bij de verstrekking van vergunningen. Hoe Morgan Knibbe hieruit dit evenwichtige, melancholieke filmgedicht maakt is een mirakel. Een terugblik halverwege leven en dood.

 Aandachtige precisie. En daarbij een geluidsband waarop spaarzame woorden en zinnetjes klinken uit het versnipperd bestaan van vluchtelingen. Flarden Senegal, paradijselijk achteraf, terwijl Europa toch het paradijs zou zijn.

 De camera, door Knibbe zelf gehanteerd, gedraagt zich als een hongerig snuffelende hond. Nergens neemt hij afstand, gezichten, bladders, troep, hij zit overal met z'n neus bovenop.

 Naar je vriendin in Afrika bellen en verzinnen dat je 'een hele straat vol schoenen' voor haar zult kopen. 'En een zwarte lipstick.' Ontgoocheling - terwijl ik dit schrijf rukt aan de overkant een zwarte man aan alle gesloten deuren van een Mercedes.

 Verhalen in flarden als het in zee zwemmen met z'n drieën tot je alleen overblijft. Intussen zweeft je ziel al in de nachthemel en overziet het, drone-camera, meesterzet van de regie. Vrijwel heel de film is in het donker opgenomen, er komt nauwelijks daglicht in voor.

 Een man klimt langs de kabel omhoog naar waar hij aan boord van een zeeschip kan komen. Het schip heet de Piraeus XI. Je volgt zijn levensgevaarlijke acrobatiek ademloos, het lukt.

Magie der herhaling

 Gisteren bij de presentatie van de nieuwe Revisor ging het over 'herhaling'. In proza geldt dat als saai of zelfs beledig­end. Zeg nooit 'zoals ik al zei', want daarmee beticht je je toehoorder van onoplettendheid.

 In poëzie werkt dat anders, denkelijk door de muziek. Muziek is een spel van patronen en patroonherkenning. Waarbij de musicus moet zien zijn publiek voor te blijven, te blijven verrassen. In poëzie sluipt de muziek aan. Totaan de Ursunate van Kurt Schwit­ters.

 Apen kunnen heel aardig tekenen, maar arceren doen ze nooit, zegt Frans de Waal. Of apen muziek maken weet ik niet. Voor ons zit de magie juist in het arceren, de herhaling. Van Afrikaanse ritmevariaties die hele nachten duren tot minimal music. Het standaard akkoordenschema van de Europese popmuziek is daarbij dodelijk saai.

 Het was de dichter Johnny van Doorn die het begrip 'Magie der herhaling' - 'Volkswagen-Volkswagen-Volkswagen-Volkswagen' - introduceerde met zijn verhaal 'De toets' waarin een oude kunstschilder in een enkele weerkerende bliksembeweging het 'woensdagmiddaglicht' aanbrengt op een lange rij fabrieksmatig gefabriceerde doeken met steeds het zelfde hengelaars stekje. Als een slagwerker: 'Tikketakketikketak'.

 Waar komt bij het herhalen spanning vandaan? Wim T. legde het uit toen hij zijn acteur Barend Servet steeds het woord 'Pollens' had laten zeggen: 'De eerste keer lachen ze, de tweede ook, de derde werd het al wat minder... En dan blijft het stil. Maar dan moet je juist doorgaan. En bij de der­tiende keer 'Pollens', wordt er weer gelachen.'  

 Ik las gisteren mijn 'Alle trams rijden naar de hemel'. Trams hebben alleen eindpunten. Ze komen aan, en rijden weer terug naar 'het andere eindpunt'. 

Pagina's