Miranda July's roman

 Stukje bij beetje, op al mijn tellen passend las ik 'The first bad man', haar eerste roman. July lezen is op eieren lopen. Steeds balancerend op de rand van ernst en slapstick. Heel serieus dus.

 In Californië worden die twee al gauw onontwarbaar. En dat laten zien is precies haar bedoeling. Mensen die zichzelf heel ernstig nemen terwijl hun gedrag en taal onweerstaanbaar komisch werken. Er zijn critici boos om geworden. 

 Ik vroeg me bij het begin af hoe Cheryl, een vrouw van 43 die in therapie loopt voor een chronische 'keelklem' en geen nee kan zeggen het redt als ze een overas­sertieve, zich totaal misdragende logee van 22 in huis krijgt. Het antwoord kwam: vechten. Hard slaan, verwurgen. Wat uitmondt in een lesbische relatie. Weg keelklem. 

Slapstick? Nee, dit is echte liefde, met alle kwaadaardigheid van dien. Als verteller is July de lezer steeds vele stappen voor. Cheryl fantaseert nogal, als een man die haar mailt over zijn stappen in seks met een minderjarige, over baby's, wat niet al.

 Als het logeetje Clee zwanger wordt van man nummer zoveel. Is dat dan grappig? Ja, nee. Nooit las ik zo'n hilarische geschiedenis - met alles aan Amerikaanse hulpverlening. psycho en bemoeizucht eromheen - van zwanger­schap, geboorte en wat volgt.

 Als het logeetje verdwi­jnt heeft Cheryl een zoontje. Dat ze permanent haar wereld uitlegt. Er komt nauwelijks een man in het boek voor. Die van de titel is uit een game. En o wonder, dit is bovenal een ernstig boek over het ongezegde dat in mensenhoofden omgaat.

 Hier wachten Clee en Cheryl of de baby het overleven zal: 'Het werd donker in de kamer, we deden het licht niet aan. Als er goed nieuws kwam zouden we het licht aan doen en als het nooit kwam zouden we in dit duister voortleven, voor altijd.'

 

Tags: 

Gebroken landschappen

 Een passende titel voor wat vier Hollandse schilders uithalen met de horizon. 'Een lijn is al een landschap,' zei Ger van Elk (1941-2014). Die lijn, de horizon, daarom draait heel de tentoonstelling Broken Landscapes in Schiedam.

 De tentoonstelling geeft de antwoorden van de vier op de horizonkwestie. No stone unturned. Dit is een grondige expositie. Ger Dekkers, Jan Dibbets, Jaap van den Ende en Van Elk, op gespannen voet staan ze met het Hollands landschap en ze stellen zich te weer. Dibbets laat bergen oprijzen in het vlakke land, zet het perspe­ctief naar zijn hand.

 Van Elk maakt het bonter, hij snijdt het landschap exact op de horizon in tweeën, waarna land en water kunnen scharnieren. Of hij laat je alleen naar de zijkant van zijn schilderijen of foto's - ze zijn allebei tegelijk - kijken.

 Zoals ik het eens van Ben Akkerman - de man die de horizon overwon - leerde: 'Kijk altijd naar de zijkant van een doek. Waar het ophoudt, daar gebeurt het.' Hij had ook kunnen zeggen 'daar begint het'. En zo zie je in Schiedam van Van Elk een hele wand met alleen zijkanten van verder vrijwel lege doeken.

 Je zit er als schilder maar mee, met die lijn. Wat kan je doen? Dibbets hangt z'n panelen scheef, waarbij de horizon een lijn blijft. En hij snijdt in de voorstelling, zee naast gras, maar de lijn blijft. Abstract of concreet, de horizon is taai.

 Wat ook kan is het kader aanpassen aan de voorstelling, zoals Jaap van den Ende. Dan krijg je een wolkvormig, of verkeerspleinvormig doek.

 Ger Dekkers snijdt zichtpunten aan elkaar om de lijn te trotseren. Vergeefs.

 Niemand ontkomt. Ze houden van hun horizon, al beklemt hij nog zo. En daarmee van de oneindigheid. Alles uit de ene streep.

Monster

 Komende vrijdag verschijnt het nieuwe nummer van het Tijdschrift Terras met als thema 'Door de nacht'. Het vorige ging over 'Nieuw land' en opende voor mij onver­wachte doorgangen naar wat sinds de tv-serie heet 'De glazen stad'. Architectuur docente Klaske Havik verzamelde foto's 'Made in Monster'.

 Ik ken het daar, groeide op voorbij Loos­duinen, aan de rand van dat gebied van eindeloze spiegelingen, tuinderssloten en platte schuiten. Mijn tantes Dien en Bella woonden in Hon­selersdijk, naast de ve­iling waar schuiten in- en uitvoeren onder de klok door waar het signaal kwam dat toma­ten konden worden door­gedraaid. 's Avonds ging het licht aan in de kas­sen.

 De bus van de WSM, de Westlandse Stoomtram Maatschappij stopte op de hoek.

 Klaske Havik: 'Hier breekt het licht anders, hier zijn de nachten paars en nooit meer donker, hier verliest men elk gevoel van schaal.'

 En nog iets onwaarschijnlijks: het trosje druiven uit de kas van de buurman. Een stap in de kas en je bent in Indië, zei tante. Haar huis in de woorden van Klaske: 'Een bakstenen woonhuis als vreemde herin­nering aan een h­uiselijker wereld staat langs de weg, rondom geen tuin maar glas.'

 Zo onwaarschijnlijk als de omgeving was, zo nors en kortaf de bewoners. Uitwedstrijden tegen de tuindersjongens in Monster kon je beter verliezen. Hun vaders stonden dreigend langs de kant bij een zee van brommers. Op zondag zag ik ze in de jeugdkerk in de Haagse buitenwijk Bohemen waar ze meer ronkten dan zongen. Na afloop raasden ze terug naar hun Glazen stad.

Johan Tahon in Den Haag

 In de werken van Tahon huist heel de traditie van de beeldhouwkunst. Hoezeer ledematen ook losraken of klonteren, het blijven gestalten en gezichten zoals je ze ontwaart in je ooghoeken.

 Tahon balanceert op de rand van het net genoeg. Een groot geluk, waar veel beeldhouwkunst overingevuld is, zo afgewerkt en compleet dat de toeschouwer denkt, wat blijft me nog over. In 2006 had hij een solo in Beelden aan Zee nu zit hij prominent in de zomerexpositie Vormidable in het museum en aan het Voorhout.

 Groepen van hem staan in de Kloosterkerk zoals het gezin in 'Triade' (2014). Zo weinig als er nodig is om een naderende of toekijkende figuur op te roepen. Wegwaaiende gezichten en gestalten. Het raadsel dat in elk beeld zit, aanduidingen die je net genoeg in handen geven om nogeens en nogeens te willen kijken.

 Het materiaal laat hij zien. Tahon is een gipsman. Breuken in het gips, pot­loodstrepen, hout van de staketsels. Maar hij werkt ook wel met polyester.

 Soms herken je in zo'n gestalte opeens een nuffig koppie boven een sierlijk geheven knie en hoge hak, zoals in de kerk bij - als het zo heet -  'Nicaea' (2015). Giacometti, zijn held, hield vast aan het eens geziene. Of dat bij Tahon zo is weet ik niet.

 Een duo van Tahon overbrugt de afstand van Beelden aan Zee naar het Voorhout. Ze wuiven elkaar toe. De man van het Giacometti‑achtige stel lijkt van gips maar is uitzonderingsgewijs in witgeschilderd brons, hij mag op het Voorhout nat worden. De vrouw, onderdak in Beelden aan Zee, is herkenbaar aan een suggestie van kapsel en sierlijk rokje.

 Veel resten bij Tahon. Gezichtsresten, resten van klassieke ornamentiek.

 De Kloosterkerk is van 12.00 tot 16.00 open. 

Beelden op het Voorhout

 Vanmiddag stond ik op het Haagse Voorhout precies op de plaats waar gisteren twee koninginnen stonden, bij de opening van de jaarlijkse beeldenroute. Hoe voelde dat nou? Terwijl ik nota bene wist dat ze per sms elkaars kleren op elkaar hadden afgestemd? Het Voorhout heeft misschien teveel koninginnen voorbij zien gaan.

 Vorig jaar waren er Franse beeldhouwers die het Voorhout op tal van manieren hadden gepenetr­eerd, over­woekerd, naar hun handen gezet. Die lieten zien dat het kon, kunst in de openbare ruimte.

 Hoe veroverden de Belgen het Voorhout? Twee koninginnen hadden ze al. Levende kunstwerken. Die in een voorpagina-lach schoten bij de - vrij naar Hundertwasser - in een rijdende tuin veranderde Renault 4, de 'Earth car' - hij rijdt echt - van Peter de Cupere. Niet wetend van de 'draagbare tuin' van P.J.Roggeband, die toch oorspronkelijker is. Maar Roggeband is geen Belg.

 Goed passend nabij de executieplaatsen van de gebroeders De Witt en Oldebarnevelt vond ik de Vrijwillige Individuele Publieke Automatische Gevangenis van Leo Copers, een professionele, zeer Amerikaans aandoende kooi waarin je je na inworp van een euro vijf minuten kunt laten opsluiten. Een nogal griezelig, volautomatisch modern schandblok. Niemand die het aandurfde.

 Ook de monumentale sokkels die niets dragen van Leon Vranken passen hier. En de Albert Speerachtige bergplaats van Renato Nicolodi die ook een mausoleum zou kunnen zijn.

 Maar het bleven bescheiden zetstukken op het uitgestrekte Voorhout. De mooiste - van de zelfde artiesten ‑ heeft het museum Beelden aan Zee voor zichzelf gehouden. Ga maar kijken.

 En dan is er op het Voorhout en aan zee het werk van Johan Tahon. Die als gipskoning een regenvrij onderkomen kreeg voor zijn wonderbaarlijke beeldengroepen in de Kloosterkerk. Tahon, een hoofdstuk apart, waarover morgen meer. 

De woorden van Anneke Brassinga

 In haar net verschenen boek 'Grondstoffen' vertelt met de P.C.Hooftprijs bekroonde Anneke Brassinga haar taalgeschiedenis. Hoe ze met taal kennismaakte en leerde omgaan. En hoe daar vertalen, dichten en schrijven van kwamen. Heel nabij.

 'Als kind heb ik lang gedacht dat je pas iets mocht zeggen als je wist wat het betekende Ik zei dan ook nagenoeg niets, intussen vlijtig lezend, in de veronderstelling dat me daardoor zou worden opgehelderd wat de bedoeling was van deze ongelooflijk ingewikkelde wirwar...'.

 Wat ze opriepen, hoe ze uit te spreken. En dan schrijft ze:

 'Ze zeiden zichzelf vanuit een onheuglijk bestaan, zelfs als je geen flauw idee had hoe ze moesten worden uitgesproken. Woorden en zinnen waren dingen, levende dingen die losstonden van iemands verhaal: hun eigen macht en bezieling ging veel verder dan ieder gebruik dat wie dan ook ervan maakte. Gelukkig maar, want al die verhalen van al die schrijvers in al die boeken brachten me op het spoor van een melancholiek stemmend inzicht: iedereen heeft zijn eigen werkelijkheid, in zich en om zich heen.’

 Volgt haar conclusie: ‘Ik nam een kloek besluit: vertaler te worden.' Anneke sloot een verbond met de woorden.

 Zo'n boek als ‘Grondstoffen’ gooit de lezer ook op zichzelf terug. Bij mij was het anders. Bleven woorden aanlokkelijke, bedri­eglijk glanzende vijan­den die ik moest bedwingen. Ik schreef lesjes over die ik me herinner als vernederend, pagina’s lang. De onfeilbare rode pen streepte door en verbeterde. Onverdraaglijk. Ik moest foutloos leren lezen en schrijven. Ik las alles, overal. Kwam thuis en zei: 'Op het huis aan het kanaal staat 'safe de brug'. 

 Donderend gelach van de volwassenen. Ik schaamde me zo diep dat ik het nu nog weet.

 'Er staat café, maar dat heb je nog niet gehad.'.

 Er zat niet anders op dan zo snel mogelijk volwassen worden. Maar nog wantrouw ieder woord dat ik lees of schrijf. 

De zee van Anneke Brassinga

 Donderdag krijgt ze de P.C.Hooftprijs. Voor mij duidelijk genoeg waarom. Bij al het andere schreef ze dat ene, het gedicht over de zee. Terwijl ze toch uit Schaarsbergen komt. Wie de waterlijn kent weet dit. De kust:

Zomin als met de stenen en het gras

of gindse afgewaaide hoed

valt er te praten met je lichaam van albast

 

dat als wolk vermomd

komt aangedreven. Duizend meeuwen op hun zand

slobberen messenscheden leeg, krakélend.

 

Woorden zijn gruis in een taalloos kabaal,

zelfs mijn knie

snapt niet wat ik zeg,

 

laat staan dat jij

ver achter de heersende waterige afgrond

iets ervan zou horen.

 

De zee een bed vol zijden kwasten

alsof daar ooit nog

rust te vinden is.

 

II

Een ijskoud oog, zo kan ik het ook -

zee zijn, omslaan met langgerekte traag gewelddadige

deining mee, als of er een eind zal komen

 

aan de oneindige reeks voorbije momenten en

verzuipingen in stilstaand water: vloed gestuit

tegen de kust maar rats de trechter in

 

terug naar wezenloze diepten. Mag ook een wees

weten hoe het is - voortgebracht te zijn,

in de weerstroom te vergaan.

Het landschap van Wim Brands

 Het landschap van de jeugd van Wim Brands heeft een grafische helderheid. Hij groeide op in een Veluws gehucht. Je hebt de Ijsselbrug. Aan de overkant ligt de stad Zutphen waar hij naar het Lyceum ging.

 Zo vind je het in zijn pasverschenen boekje 'De onverharde weg'. De ene kant, de andere kant. Wim komt van Voorstonden, waar hij thuis was, insider. Hij weet van het bos, is vertrouwd met Heideggers Holzweg. Op een Holzweg, ontstaan bij houtkap, kan hij zich thuisvoelen als Rudy Kousbroek in het niet meer bestaande huis waar hij precies de weg wist. 

 Naar de stad was een eind fietsen. Daar werd hij out­sider.

 Het verlangen naar de overkant verdwijnt niet door er heen te gaan. De eenzelvigheid van de dorpsjongen ook niet. In dit boekje laat hij zien dat dat altijd zo blijft. De tekeningen van Cornelius Rogge zijn daarbij welsprekend.

 Het toeval wil dat ik zelf voor mijn negende jaar eerst in Zutphen en daarna in Eerbeek, even voorbij Voorstonden, heb gewoond. Zodat ik na lezing van 'De onverharde weg' uit eigen ondervinding kan zeggen, ja zo is het. 

 De onverharde weg verscheen bij de Geitenpers in Brummen. 

De kauwgumkunst van Ron Nagle

 Vanmiddag steeds weer in de lach geschoten bij de Chewing Gum Monuments van de Amerikaan Ron Nagle (1939) in Boijmans. Kauwgomkunst van de popmuzikant die eens naast Jefferson Airplane optrad.

 Met kauwgom kun je alle kanten op. Je kunt er bellen van blazen of het plattrappen op de stoep. Erop kauwen tot de smaak eraf is. En doorslikken geeft niet.

 Kauwgom is kneedbaar, heeft geen pretentie. Voor een museum beter geschikt dan de pindakaas van Wim Schippers, die altijd pindakaas blijft. Terwijl Nagles kauwgom wordt wat hij maar wil.

 Nondescript, al komen je dik belegde boterhammen voor de geest waar de gesmolten kaas vanaf druipt, Bossche bollen, petit fours, maar ook autolak. Je voelt het aan je tanden. 

 Ze zijn tien centimeter groot, hooguit, de monumentjes. t' Is keramiek, geloof het of niet, maar nog geen hap verwijderd van de toonbank. Schuilt niet in elke banketbakker een beeldhouwer. Kwam Hildo Krop niet uit een banketbakkersgeslacht?

 De wereld is steeds meer een snoepwinkel geworden. Dat leert je Nagles studie van textuur en vorm van wat ons omringt. Geen camp, o nee, dit is minutieuze ernst. Nooit betrapbaar als voorwerp terwijl zijn werk steeds aan van alles doet denken. Auto's lijken op slagroom­soes­jes, bankstellen komen soms in de buurt van taartbodems. Sierpotten voor kamerplanten lijken eetbaar.

 Maar dit is aardewerk. Onontgonnen terrein. Het gebied waar aanraakbaarheid en eetbaarheid elkaar naderen. Terwijl je toch niets mag proeven of aanraken.

 Ik liep het zaaltje uit, de kantine in en mocht iets kiezen voor bij de thee. Het werd cheesecake met een glanzend oppervlak.

J.F.Staal

 De Wolkenkrabber (1932), dat onweerlegbare gebouw aan het Amsterdamse Victorieplein. Een voldongen feit van bouwkunst. Met daarbij de naam J.F.Staal (1879-1940). Meer niet. W.F.Hermans dichtte:

 Een jong rechthoekig plein in lenteblauw.

In 't midden het staafvormige gebouw.

Zijn schaduw wijst geen tijd op 't wijde plein,

Waar meer lantaarnpalen dan uren zijn.

 Het komt uit 'Wolkenkrabber' in Overgebleven gedichten. Hermans situeerde zijn Tranen der acacias deels in het gebouw in oorlogstijd. Overbuurman Piet Schreuders' eerste periodiek De Wolkenkrabber ging over al wat met het gebouw van doen had. Maar wie was Staal? Van Hans Willem Bakx is net verschenen 'Jan Frederik Staal, De wil van het gebouw en de wil van de tijd'. Een charmant en doortimmerd werk, juist verschenen bij de Stichting BONAS.

 Niet over de man zelf, want van Staals leven is weinig. Wel over zijn zeer precieze ontwerpen, ook van decoratie en meubels. Kort voor zijn dood gaf hij naar het schijnt zijn vrouw opdracht zijn persoonlijke documenten te vernietigen. Wel bleef zijn zakelijk archief bewaard.

 Waarom vond hij dat zijn personalia niet moesten worden overgeleverd? Hij meende veronderstel ik dat ‘een man uit zijn werk spreekt’. Dat wat er achter lag de mensen geen donder aanging. Geheel in strijd met wat toen al de tijdgeest vroeg en wat sindsdien erger en erger is geworden: de man achter het werk. Tot het werk verdwijnt achter de man. 

 Filmpjes van een jolige J.F.Staal die zijn dochtertje omhoog gooit of zijn hond aait zijn ons dus bespaard gebleven. Zelfs van zijn vast inspirerende verblijf in het vaderland van de hoogbouw Amerika rond 1902 is nauwelijks iets bekend.

 En dan staat daar de Wolkenkrabber, het twaalfverdiepingen huis waar de geallieerde troepen in 1945 op af rijden als ze Amsterdam binnentrekken. Een landmark tot vandaag. Zo'n gebouw schept zijn eigen verhalen, is een verhaal. Heeft als schepper genoeg aan die monosylabische naam. Bij Hermans lees je wel hoe in de oorlog de waterdruk verminderde zodat er in de hoogte niks meer uit kraan kwam en de verwarming weigerde.

 Esthetiek boven alles. Uitzicht op het Oosten, terwille van het kavel en de symmetrie. Wie wil weten hoe dit monument ontstond - en het andere werk van Staal - leze Hans Willem Bakx. 

Pagina's