Topomanie (2)

 Valeria Luiselli voert me langs omwegen waar ik al eens dwaalde. Jij hier? Zeker, ik trok met Hannibals olifanten over de Alpen. En zocht de plek waar Lord Byron, zittend bovenop de Simplon Pas, een gedicht schreef. Dat hij toen niemand keek onder een grote steen verstopte. Waar het nu nog ligt.

 Valeria staart zich blind op de plattegrond van het gefragmentariseerde Venetië en tenslotte weet ze het: 'Meer dan wat ook lijkt Venetië op de fragmenten van een gebroken knie'. En ik antwoord haar dat ik als kind landkaarten uitvouwde op de vloer en er languit op ging liggen. Zodat de Donau onder me door stroomde. Landen zijn lichamen.

 Ze leest en leest, wil Portugees leren, om Pessoa. en haalt Louis Wolfson aan, de Amerikaan die de Engelse taal niet verdroeg. Hij had er tenslotte nooit voor gekozen, wilde hem vergeten, 'getiranniseerd door een schreeuwlelijke moeder met overgewicht, en verstikt door een moedertaal die hij verfoeit' komt hij z'n kamer niet meer uit en schrijft in het Frans 'Le schizo et les langues'.   

 Sleutelbegrip is bij Valeria Luiselli de saudade, de Portugese muziekvorm waarin je gemis, verlies, heimwee en melancholie uitdrukt, nog het meest rakend aan blues. En ze geeft een korte geschiedenis van de melancholie. In de 17de eeuw beschreven door de Zwitserse legerarts Johannes Hofer die bij soldaten die in den vreemde dienden steeds deze symptomen vond: hoofdpijn, slapeloosheid, benauwing in de borststreek, het horen van stemmen en het zien van geesten. Ze kregen een grauwe huidskleur en meer nog, ze verwarden het verleden en het heden. Zo kwam hij tot het ziektebeeld 'nostalgie'.

 Valeria keert terug naar de saudade, die: 'is als de korstjes op je knieën waaraan we krabben tot ze weer bloeden'. En: 'Saudade is de aanwezigheid van het afwezige: fantoompijn; de ondergrondse rivieren en meren van Mexico stad; de lakens nadat we de liefde bedreven hebben.'

 En ik denk aan Rudy Kousbroek die zo precies de weg wist in het huis dat er niet meer was. En die Valeria zo graag gelezen zou hebben.

Topomanie (1)

 Er zijn boeken in de kantlijn waarvan je meteen je eigen versie begint te schrijven. Zo'n boek is Valse Papieren, het debuut van de achtentwintigjarige Mexicaanse Valeria Luiselli.

 Flaneurs aller tijden - Baudelaire, Walter Benjamin en wie nog - komen samen in de door Mexico-stad fietsende, Valeria. De flaneur wordt een fietseuse die haar stad doorgrondt. Een flaneur op twee wielen, zegt ze, 'heeft de goede a­fstand om zowel medeplichtige als getu­ige van de stad te worden'.

 En van daar de wereld in. Vliegtuigkijken of -denken blijkt anders dan autoden­ken of wandelkij­ken. Brakmans denkfietsen en Niets­ches wandel­f­ilosoferen doemen op.

 Valeria is kaartengek - topomaan - net als ik. Ze bezoekt het kaartenarchief van Mexico, ziet de ernstige heren van de Mexic­aanse 'Commissie voor Begrenzingen'. En ontdekt dat de grens met Guatem­ala in 1882 nog een wit gebied is, in een kaartenboek van ander­half bij een meter, wit gebied dat pagina's lang doorloopt, doorkru­ist door enkel een blauwe strook die een grensrivi­er moet zijn die steeds anders heet. Kwikzilverig hinkstapspringt ze door de geschiedenis.

 Hoe voor de hand liggend is het zo te kijken. Als kind vroeg ik me af waarom rivieren overal de zelfde naam dragen. Terwijl toch in het diepe verleden de oeverbewoners overal 'hun' rivier een eigen naam gaven. Resten daarvan vind je nog terug. Duitsers worden boos als wij hun mystieke Rijn opeens Lek noemen, Nieuwe Maas of Merwede.

 Als Valeria uitwijdt over vorm in plattegronden en de Italiaanse laars aanhaalt wil ik haar de appel met als steeltje de Amstel toeroepen die Jasper Grootveld in Amsterdam op de muren tekende.

 Zo komt ze terecht bij de gevolgen van verplaatsing, in de literatuur en in het landschap. Exotisch eerst en vol poëzie maar later voerend naar de melancholie en tenslotte de depressies van landverhuizers, zoals in de Ausgewanderten van W.G.Sebald. Morgen meer.

Woordbedrog

 George Orwell zette zijn mes al in de taal van politiek en kunst. In het weer herdrukte 'Why I write' kom ik de televisietaal van nu voluit tegen. Van het 'eerlijk' van Diederik Samsom tot de 'passie' van kunstaanprijzers.

 Die zwendel, zegt Orwell, is van alle tijden. Handel in woorden die niets betekenen. Van 'participatiesamenle­ving', wat vooral blijkt te betekenen dat de overheid haar taken doors­chu­ift naar burge­rs. Tot het gruwelijke 'samen'. Wat ik al niet 'sam­en' doe. Bij wie ik al niet 'op de koffie' ga.

 En dan het woordje 'strijd', te pas en te onpas. Hoe je als patiënt tegen kanker zou kunnen strijden is me een raadsel, je krijgt het en je overleeft of niet. Laat staan dat een paar honderd fietsers een 'strijd' aanbinden als ze na hun toertocht wat geven voor een collecte.

 Onderschat 'daadwerkelijk' niet. Je doet iets pas als je het 'daadwerkelijk' doet. 

 En dan dat 'keihard' of 'kei- en keihard', wat er al niet keihard is aangepakt. Taal maakt papegaaien van mensen. Als iemand dat snapt is het Geert Wilders. Zijn 'te gek voor woorden' zingt al jaren rond. De herhaling komt uit het weer: 'spek- en spekg­lad'. Wanneer was spek nog glad?

 Orwell zag in 1946 al de eenvoudige helderheid van werkw­oorden als 'ophouden' verdwijnen in 'afbouwen', van 'doden' in 'naar de andere wereld helpen'. Een vorm van hulpverlening inderdaad.

 En dan de pretenties: wat kan er nog 'historisch' zijn. Wie kan nog zeggen dat er 'vandaag geschiedenis is geschreven' als dat gisteren en eergisteren ook al gebeurde? 

Tags: 

Jihad in Timboektoe

 Waar komen al die Japanse pickups vandaan, die motorfietsen, die wapens, en hun benzine. Wie ze betaalt blijft duister. Je eerste indruk is dat het schilderachtige van leem gebouwde Timboektoe wordt binnengevallen door gewelddadige gekken. Maar zo is het ook weer niet.

 Het rauwe entree van de Jihadisten wordt door velen berustend aanvaard. De Jihadisten met al hun kwasi-wet­telijke reden­erin­gen, hun recht­spraak worden ervaren als een noodlot. De dood hoort erbij. Dat is gek genoeg het mooie van Timbuktu, van de Mauretaanse filmmaker Abderrahmane Sissako. Een film over het raadsel van de eigentijdse rechtzinnigheid. Wat geeft meer voldoening dan gelijk hebben en het met wapens ook afdwingen?

 De religieuze toezichthouders zijn overal. Muziek - zulke mooie - maken, sigaretten en zelfs voetbal - indrukwekkende scene is een levensechte wedstrijd, maar uit protest gespeeld zonder bal - worden verboden, huwelijken opgeleg­d. Maar alles met o zo deftige religieuze argumentatie.

 Je ziet wat er gebeurt als de macht in handen komt van het grote gelijk, dat zich benoemt tot rechter en beul. Eerst krijg je nog de resten van een samenleving te zien waarin mannen, vrouwen en kinderen idyllisch met elkaar omgaan. Al zijn velen wijselijk al weggetrok­ken.

 Tot een visser een koe neers­chiet die zijn net vertrapt. Als de eigenaar van de koe hem neerschiet komt de sharia in het gewe­er en wordt hij ter dood veroor­deeld. Maar was dat anders? Dat vertelt de film je niet.

Hollands Landschap

 Het Nederlandse landschap zoals fietsers, wandelaars en automobilisten het zien is ontworpen. Door de schilders van de Haagse school. Sindsdien ziet Nederland eruit als in 1880. Maar eigenlijk eerder. Het Hollands Landschap is een religie, een eredienst van wat naar men denkt altijd zo was. Sinds Ruisdael en Van Goyen. Het zwerk, de horizon die steeds verder daalde zodat God almaar dichter bij ons kwam.

 Er rijden in dit landschap geen treinen. Haagse scholers schilderden ze niet en dus waren ze er niet, al reden ze sinds 1839. Pas later, bij Breitner komen de rookpluimen, de stoommachines.

 Wie vloekt in deze kerk, zoals de planners van nieuwe windmolens - de oude zijn juist weer heilig - krijgt het zwaar te verduren. Als het nieuwe te vuur en te zwaard wordt bes­tre­den is dat uit naam van de predikers Mauve, Weissenbruch, Jozef Israëls, Tholen en Roelofs. De eredienst wordt deze zomer gevierd met aquarellen in Museum Mesdag, in Teylers en doeken in het Haags Gemeentemuseum.

 Zo ergens heilige koeien rondlopen dan in het Hollands landschap. Zo is het, zo moet het altijd blijven. Pim en Mien knikken goedkeurend, Dik Trom blijft achterstevoren op zijn ezel en de meester zet de leesplank klaar. Daar is de sloot van de schoolplaat, het Verkade album. Het vee, koeien en schapen. Onaantastbaar. Nu eens onder aanroeping van het milieu, dan weer de klimaatsverandering of het stervende bos.

 'Nieuwe natuur' wordt ingericht volgens de richtlijnen van de tachtigers. Het rivierenlandschap zal eeuwig zo blijven. Fabrieken of industriegebieden zijn er alleen stiekem. Ach, 'je kunt er omheen eten.' En al wat het beeld doorkruist, zoals snelwegen wordt niet gezien. Gelovigen zijn grote niet-zieners. Het niet-zien van snelwegen is eenvoudig. Als je er overheen rijdt zijn ze er niet. Er is alleen het uitzicht op de molen en de sloot.

 En nu mijn confessie: ook ben een gelovige. Ik geloof in sloten.

 ps. Gijsbert van der Wal reikt aan: een stoomtrein vanm Paul Gabriel uit 1887.

Matisse en de parkiet

 Soms is toeval onweerstaanbaar. Wat Matisse aantrok in de parkiet laat zich raden. De parkiet is een 'grafische' vogel. Ik zie hem dagelijks. De manier waarop hij zit, altijd boven in een - in dit seizoen kale - tak laat zijn silhouet tegen de lucht af­getekend uitkomen. Of uitgeknipt.

 Heel die vanzelfsprekende houding, die rust en waakzaamheid tegelijk uitdrukt. Hij kan elk moment opvliegen. Een icoon. Waarvan? Het Stedelijk spreekt van Matisses 'oase'. De droomplek die de schilder zich schiep met zijn knipsels. En dan een sirene. In het vrolijkst denkbare palet. Geen harde tinten, ook geen pastel, iets daar wonderlijk tussenin.

 De parkieten die ik dagelijks zie en het knipsel van Matisse hebben een voorgeschiedenis. In december 2008 zag ik de grote Matisse expositie in Stuttgart, waar vooral zijn vrouwenportretten hingen. Nooit zoveel vrouwelijk gonzen gehoord op een tentoonsteling. Ah en oh..

 Eerder had ik Karin Hasselberg leren kennen, die in 2008 als eerste een schutting voor het Amsterdamse Stedelijk in aan­bouw had ontwo­rpen. Een schutting van 108 meter, langs de Paulus Potterstraat en de Van Baer­lestraat. Met materiaal uit de collectie van het museum. Ze koos werken uit twee catalogussen van het Stedelijk. In eentje uit 1984 kwam een fragment van 'De parkiet en de sirene' van Henri Matisse per ongeluk ondersteboven terecht. Dat gebruikte ze.  

 Wat parkieten nu eigenlijk voor vogels zijn ontdekte ik pas de laatste tijd, toen ze mijn balkon kwamen bezoeken. Ze hangen graag ondersteboven aan de pindastrengen die ik voor ze ophang.

 Zou Matisse zoiets ooit, eens, ergens op zijn verre reizen overkomen zijn? Natuurlijk. Sirenen zag hij ook elke dag.

Erfgenamen

 Er zijn films die me aanzetten tot tegenwerpingen. Inwendig sputterend volg ik het verhaal. Niet in het begin als het verplichte hoofddoekje op Franse scholen tot ruzie en protest leidt en Olivier zich Brahim wenst te noemen en zijn baard laat groeien.

 Dat belooft wat. Tot het laatst toe hoop je dat hij zichzelf met zijn nobele juf en zijn door confrontatie met de Shoah wonder­baarlijk braaf geworden multiraciale klas zal opblazen.

 Maar nee. Nadat de juf zijn 'moeilijke klas' heeft ingeschreven voor een landelijke wedstrijd in werkstukken over de Shoah komen het begrip en de verbroedering. De confrontatie met de concentratiekampen, het zich laten verplaatsen in 15-jarigen van toen, van wie ze immers de ‘erfgenamen’ zijn brengt de lastpakken tot zwijgen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap, met zoveel woorden.

 En zo wordt het docudrama Les Héritiers van Marie‑Castille Mention‑Schaar een lofzang op het Franse onderwijssysteem, dat de multiculti-problemen van de banlieu wel zal oplossen.

 Van Olivier/Brahim, die zich als enige onttrekt aan het Shoah-project wordt merkwaardigerwijs niets meer vernomen. Een nalatigheid in het scenario. Meer conflictstof verdwijnt gladjes. Geen ouders in zicht, geen wapens in de klas. En ook een hardhandige poging van drie Islamitische jongens om de 'sletterige' kleren van een meisje te corrigeren loopt met een sisser af.

 Les Héritiers - in Frankrijk luid toegejuicht, ook door Hollande - is te mooi om waar te zijn. 

[Andante] con moto

 Heet het buitengewoon mooie I.M. dat Hans Kloos op 30 maart 2015 in Tijdschrift Terras schreef voor Tomas Tranströmer (1931-2015). Met om. de regels:

 waarin je van ons

 deuren maakte halfgeopend

 naar een kamer voor iedereen

die aan een schilderij van Vilhelm Hammershoi doen denken:

 Je was jezelf al eens kwijtgeraakt / achter in een auto / een hellemoment lang tastend naar je naam

 en er lekte iets / dat naar vlees en vrijheid rook / in je regels, halfklare hemels

 waarin je van ons / deuren maakte halfgeopend / naar een kamer voor iedereen

 - bij jou groeide het licht / net als ons haar, waren de muren / van Schubert, werden ramen

 ogen, begonnen alle dingen / om zich heen te kijken / en niets bleef dicht

 zelfs wat leeg was / leerde je fluisteren / dat het open is

 maar nu het donker / jou heeft opgedronken / lopen onze ogen vol zwart

 zitten wij hier in jouw kamer / met violen zonder snaren / in onze dove handen

 sijpelt de mogelijkheid / dat wij heel zullen blijven / terwijl jij keer op keer

 dwars door ons heen rolt 

Extaze: Echt / Onecht

 Wat doe je als je op tv ziet dat het sneeuwt? Je gaat naar buiten om te kijken of het sneeuwt. Echt / Onecht is het thema van het nieuwe nummer van tijdschrift Extaze.

 Verhelderend is de samenspraak in dichtvorm waarin Pieter Boskma zichzelf laat praten met een uit de dood opgestane Gerrit Achterberg. Vooral over de twee 'opgedoken' Achterberg-gedichten die Boskma in 2002 plaatste in het tijdschrift Awater. Menigeen trapte erin. 'Waarom heb je het gedaan,' laat hij Achterberg vragen. En antwoordt dan:

 'Het was maar goed dat ik / al bloosde... Wat moest ik / hier op zeggen? Viel het / wel uit te leggen? Of maakte / elke uitleg het onbegrip slechts / groter en kwam er straks nog / ruzie van? Toch sprak ik, door / zijn broeierige blik betoverd:

 'Het is de drang zich te willen / meten met de groten, hen met / eigen wapenen op eigen veld / verslaan; dat is een kant ervan / en voor u een compliment. / Maar het is ook de liefde voor / de taal die zelf de liefde schiep, / de eerbied en de deemoed / van de leerling die begrijpt / dat hij nooit meester worden kan / zonder voorbeelden daarvan. / Het is dansen rond de troon, / het is knieval, lof en hoon en / plagerij en ernst en spel.'

 Waarom doen wij anderen na? Het vraagstuk van de authenticiteit dook bij mij op toen blanke jongens de blues gingen zingen. Kon dat wel? Blues kwam immers voort uit geleden leed dat ernstiger was dan jongenskamermelancholie. Zwart was authentiek. Blank niet.

 'Can blue men sing the whites / or are they hypocrites..' zong Vivian Stanshall van de Bonzo Dog Band. Het orkestje van Londense kunststudenten dat begon als de Bonzo Dog Dada Band.

 En Maarten Doorman, geïnterviewd in Extaze, zegt in zijn 'De romantische orde': 'Het bleek, hoezeer het romantisch streven naar authenticiteit telkens juist in kunstmatigheid ontaardde. De hang naar zelfverwerkelijking van het individu bracht het besef van vervreemding mee.' 

Pasquetta

 Zo heet Tweede Paasdag in Italië. Paasje. Ik was in Turijn, bij stralende zon. IJskoude wind woei de Alpen af die je rondom in de verte zag liggen. Het uitgestrekte keien-marktplein aan de rand van de oude stad lag leeg. Een Chirico-achtig tafereel.

 Tot er een oude vrachtwagen aangereden kwam. Als bij toverslag doken uit de omliggende stegen vrouwen op, met boodschappentassen. Ze schaarden zich rond de neergeklapte laadbak, waar een norse man verkocht wat bleken te zijn brokken reuzen paaseieren van chocola in zilverpapier, zoals ze daar met Pasen in elke winkel en stati­onsrestauratie liggen. Maar nu als afgeprijsde breuk. In een mum was de wagen leegverkocht en weggereden, de vrouwen verdwenen en het plein weer verlaten.

 Een jaar later was ik op een minstens zo koude Pasquetta in Santo Stefano, iets verderop, aan de Belbo, het geboortedorp van Cesare Pavese, en bezocht zijn oude vriend, de instrumentbouwer en klarinettist die voorkomt in De maan en het vuur. Nuto speelde wat schorre noten. En vertelde van zijn vriend die zo nodig verliefd moest worden op een Amerikaanse actrice - Constance Dowling, die filmde in Italië - en hief de armen ten hemel. Hij schonk zijn eigen vino nero. Nooit heb ik meer beschonken - een duistere bergweg - terug naar Alba - gereden.

 ps. Er was niets aan te doen. Pavese, de man die schreef 'De dood zal komen en jouw ogen hebben' pleegde in 1950 zelfmoord op een hotelkamer in Turijn. In augustus.

Pagina's