Robert Nicol's theater

 Vanmiddag verzonken in het 'innerlijk theater' van de Schotse schilder Robert Nicol. Het roept de reizen van Gulliver bij me op. Minuscule figuren zijn in uitgestrekte landschappen bezig met wat eruit ziet als grootse werken. Een enorm ijsblok optakelen bijvoorbeeld, dat je gaandeweg ziet smelten.

 Bijna Sisyfus' rotsblok dat de berg op moet. Er zijn veel scenes die marteling suggereren. Maar de kracht van Nicol ligt in z'n ondoorgrondelijkheid. Hij geeft je net genoeg om aan het tobben te slaan. En laat je dan in het ongewisse. Een kunst op zichzelf, die van het ophouden met een verhaal, juist op het punt waar ik als kijker denk dat ik iets beet heb.

 Terwijl ik zeker weet dat hij ieder schilderij haarfijn kan uitleggen. Maar dat doet hij niet. Hij bespeelt mijn hoofdbrekens.

 Er ligt een man - een gevangene? - met sneeuwsch­oenen in een soort duikboot. Hij krijgt iets toegediend, door medici, maar wat? Galgen aan de muren waaraan lampions hangen. Deksels van doodskisten met inscripties erop liggen verspreid de vloer. Een kooi. Kalasjnikovs tegen de muur.

 Nicols werk herinnert aan de vroege Michael Borremans. De zelfde zin voor theater, al is hier meer dreiging. Maar allebei vertellen verhalen. Ook komische. Verderop wordt een hamburger door 'dragers' als een dode naar een fles ketchup gebracht.

 En een mooi sluitstuk dat ook al Robert Crumb oproept is de levende plee, met als kop een pleerol, die met twee brillen zwaait.

 Robert Nicol studeerde in Glasgow. Maakt ook tekeningen, ­beeldjes. Noemt zich 'illustrator', maar van wat? Ga kijken bij Galerie Maurits van der Laar in Den Haag.

Nee in het Liegend Konijn

 Het is niet vaak dat je na lezing van een gedicht denkt: 'Ja, zo is het, daar komt het wel op neer. Daar heb ik niets aan toe te voegen. Wat ik er aan toevoegde zou het alleen maar beder­ven.' 

De eerste editie 2015 van het zeldzame poëzietijdschrift in boekvorm Het Liegend Konijn van Jozef Deleu is uit. In de tram, in de ochtendzon sloeg ik het open en kwam terecht in dit gedicht van Jan‑Willem Anker (1978). De ochtendkrant bleef op het klapstoeltje liggen. 'De Nederlander zegt nee':

 Terwijl hij eet zegt de Nederlander nee.

Nederig zal hij zijn eten niet vergeten.

Hij is nederig en Nederlander. Zegt nee.

Een ondernemer die volmondig nee zegt.

 

Zijn nee klinkt luid door zijn eten heen.

Het eten weerhoudt hem niet van zijn nee.

Integendeel. Ook etend laat hij het weten.

Het nee van de Nederlander betekent nee.

 

Tijdens het eten is hij zijn nee niet vergeten.

Het land aan ja schudt hij etend van nee.

Zijn mond zit vol. Toch hoor je hem spreken

en breed maar nederig zijn nee uitmeten.

Realisme in de supermarkt

 Lang geleden woedde er in de beeldende kunst een stam­menstrijd tussen abstracten en realisten. Het nieuwe nummer van Kunstschrift overschouwt leerzaam en vaak komisch wat ervan rest.

 Gijsbert van der Wal beschrijft hoe hij in de rij bij de supermarkt stillevens ziet ontstaan tussen wat hij noemt de 'beu­rtbalkjes'. Wat een woord! Gaandeweg blijken het composities te zijn, zelfportretten: 'Zelf zet ik mijn boodschappen, sinds ik ze als stillevens beschouw, vaak wat stillevenachtiger neer. Staande flessen en pakken achteraan, met een mooie afwisseling in kleur of hoogte. Lagere potjes en pakjes daarvoor. Een liggend voorwerp op de voorgrond, als de keeper op oude elftalfoto's. Soms een tros bananen die om het geheel heenkrult.'

 Het componeren zit hem in het bloed. Zo zelfs dat hij vergeet dat straks bij het inladen de flessen bovenop de bananen terecht komen.

 Wat dit nummer zo mooi duidelijk maakt is hoe nutteloos dat oude onderscheid is. Je komt uit bij het laten spreken der dingen. Door de keus van de schilder juist deze voorwerpen samen te brengen, door hun textuur, de ordening ervan.

 Gek genoeg wordt 'het ding' ook in de literatuur opnieuw bekeken. Tijdschrift Terras wijdde er een nummer aan. Veel ding-poëzie. Ik sloeg Kafka op, denkend aan zijn gesprek met de biddende man die zo schreeuwt in de kerk. Die zegt:

 'Ik neem namelijk de dingen om me heen alleen in zulke broze gedaanten waar dat ik altijd geloof dat ze ooit geleefd hebben, maar nu wegzinken. Altijd, beste heer, heb ik een verlangen de dingen zo te zien, zoals ze zich misschien vertonen voordat ik ze te zien krijg. Dan zijn ze vast mooi en rustig. Dat moet zo zijn, want zo hoor ik de mensen vaak over ze praten.’

 Ann-Sophie Lehmann schrijft over de vervloeiing van levende en dode materie in een uitgewogen stuk over glas in de schilderkunst, halverwege schijn en wezen. 

Botten

 Noem het een 'coming out'. Na lange jaren dat het tonen van doden op tv taboe was. In Zutphen gingen nog rond 1950 de gordijnen collec­tief dicht tot de laatste volgwagen van de lijkstoet de straat uit was. Uit eerbied? Uit angst voor de aanblik van de Dood?

 Ook het omgekeerde was er, eeuwenlang. Wie koketteerde in de kunst niet graag met schedels? Altijd onder het mom van wat heette vanitas, ijdelheid. Gedenk te sterven. Of was het andersom, braai de boter eruit voor het te laat is? Rond de dood is alles dubbel.

 Het Christendom werd groot door de verheerlijking van lijden en dood, zoals deze Maria Magdalena van Stevens laat zien. Ze poseert innig met de schedel van haar geliefde, de verlosser.

 Al te menselijk. In de film Shaun the Sheep moet de schaapshond noodgedwongen optreden als mens, in zijn geval als chirurg. Hij vraagt zwetend eerst een zaag, krijgt dan pas een scalpel. Maar verlost wordt hij door het zien van een geraamte dat achter in de operatiekamer staat opgesteld. Onmiddellijk wordt de hond in hem wakker. Die ziet een aantrekkelijke stapel kluiven, waar hij gretig op afvliegt.

 Het Christendom verzamelt al eeuwen botten en tongen van heiligen, zoals ik ze zag in het Catharijneconvent. Een mij onbegrijpelijke aandrift. 

Shaun het schaap

 Sommige dieren zijn nu eenmaal verstandiger dan mensen. Zo werd in de nieuwe Aardman-film de hond Gromit het schaap Shaun. En zijn luie baas Wallace een boer die niks anders kan dan schapen scheren. Maar verder?

 Eigenlijk moet alles in de Aardmanwereld altijd blijven zoals het was. De maan is er nu eenmaal gemaakt van groene kaas. Je moet alleen je crackers niet vergeten. Maar daar heb je een hond voor.

 In Shaun the sheep komt de boer met al zijn schapen terecht in de Grote Stad. Waar hij het helemaal maakt als kapper, door z’n schapenscheer-tondeuses op mensenhaar toe te passen. Een onsterfelijk type met eeuwig beslagen brilleglazen. De geboetseerde Aardman-karakters leven in hun oogopslag. Daar gebeurt het, in de rimpels er omheen, de wenkbrauwen, die je vooral ziet bewegen in 'luistershots'. 

 Aardmanfilms veranderen instant mijn kijk op de wereld. Buiten gekomen deed ik vanavond mijn parkeerk­aart in een opeens heel vreemde automaat, die bizarre geluiden begon te maken, zodat ik verwachtte opgepakt te worden en in een mesthoop gedumpt.

 Geloofwaardigheid schuilt in de details. Zit een schaap in de tram dan moet de tram precies kloppen, anders kan het niet. De bus van het dorp naar de grote stad is dus precies de goede bus. De caravan waarmee de boer ongewild reist klopt nauwkeurig. De grote stad overtuigt. De dieren ontroeren als ze proberen daar net te doen als mensen, maar een schaap eet in het restaurant wel per ongeluk het menu op.

 Schapen. De mooiste scene is die waarin ze over een hek blijven springen, midden in de stad en zo iedereen in slaap krijgen.

 Terug naar het dorp, daar gaat Shaun the sheep over. Met de dagelijkse rituelen van hanenkraai tot de spuitbus onder de oksels van de boer die zich nooit wast natuurlijk. En van z’n leven geen vrouw zal zoeken.

Tags: 

Rechter

 In mijn ochtendslaaphoofd werd de BBB‑discussie eenvoudig opgelost. Ik liet de Rijdende Rechter komen. Mr.Frank Visser deed uitspraak, en besloot ritueel met: 'Daar zult u het mee moeten doen'. Samsom en Zijlstra bogen het hoofd, schudden de handen.

 Mr. Frank Visser, mijn favoriet tv‑personage is de levende relativering van de democratie. De bril die de juiste afstand schept. Waarachter de twinkeling van het godgelijke gezag.

 De democratie, eens heilig, nu verworden tot het recht van de grootste bek. Dat was in de tijd van het eerste Maagdenhuis al zo. Of eerder.

 Wat democratie waard was werd onderzocht door Alexis de Toqueville in De la democratie en Amerique (1840). Hij was voor, ook toen bleek dat de meerderheid nooit de bekwaamste mensen tot president koos. Over de financiering van campagnes had hij het nog niet. Het meest bevreesd was Toqueville voor een tirannie van de meerderheid en de verdrukking van minderheden. En zie, bijna tweehonderd jaar later beslist de meerderheid steeds meer over minderheden die haar niet zinnen, zoals kunstenaars en asielzoekers. Noem het de emancipatie van de democratie.

 'Dan dooft het licht'.

 Aanzuigende werking, zo'n perverse term ook. De meerderheid is niet snugger en niet aardig. 'De wijken in, je oor te luisteren leggen,' citeerde Gerard Reve, die wist wat je daar te horen zou krijgen: 'Niet veel goeds.'

 Maar de andere oplossing, Plato's oppermachtige koning-filosoof was erger gebleken. Intussen rukken de filosofen op. Vandaar Mr. Frank Visser. En de diepgevoelde behoefte aan een vaderlijke bovenmeester die de ruzie over het gedeelde tuinpad beslecht.

 Toen moest ik wakker worden. De zon scheen.

Tags: 

Ovidius over haarverf

 Was het toen net als nu? Muurschilderingen uit de bordelen van Pompeï hebben de zelfde toon die je tegenkomt in de Amores, de Liefdesgedichten van Ovidius. Liefde gaat nooit vanzelf. Er is altijd wat.

 Over hartstocht en praktische problemen lees je In de Amores, bijvoorbeeld in I,14, waar het gaat over Geverfd haar in de pre-Andrelontijd. Zeer riskant. De gemeenste verfstoffen werden ingezet. Ovidius vermaant zijn vriendin:

 'Vaak heb ik je gezegd: schei uit, je moet je haar niet verven. / En nu is alles weg. Zelfs verven kan niet meer. / Niets groeide zo uitbundig; als het loshing, viel het neer / tot op je heupen, totdat jij het moest bederven. / Het was toch veel te zacht om zo'n behandeling te wagen!'

 En het was zo mooi, zegt hij: 'het brak nooit op de scherpe tanden van een kam of speld, / zodat de kapslavin nooit klappen heeft gekregen.' Eigen schuld! Dan maar een pruik.

 'Gelukkig stuurt Germanië genoeg barbarenhaar / om jou te redden - gift van alle overwonnen volken -, / en o, wat zul je blozen als zo'n pruik van blonde lokken / bewondering gaat oogsten: " 't is maar koopmanswaar," / zo zeg je dan'

 En de dichter besluit: 'Maar goed, geen nood, geen tranen. Het verlies vraagt op zijn hoogst / een beetje tijd. Straks zien we weer je eigen haar.'

 Al Ovidius' Liefdesgedichten zijn nu verschenen in de vertaling van Marietje d'Hane-Scheltema, die ook zijn Metamorfosen zo wondermooi vertaalde.

Tags: 

Doornroosjes

 Een wereld vol Doornroosjes. Waar de mannen nog uniformdragend poseren lijken de vrouwen verzonken in een stilstand voor altijd. Zelfs pianospelen of borduren doen ze niet.

 Ze zijn. Aangekleed, behangen met jurken en gewaden, gekapt.

 Soms moest een pop zo'n jurk aan opdat de Kruseman van dienst de stof van bijvoorbeeld dochter Borski er piekfijn op kon krijgen.

 De Alkmaarse expositie van de schildersfamilie Kruseman sluit naadloos aan bij de tv‑serie de IJzeren Eeuw. Waarin Hans Goedkoop ons al voorstelde aan de weduwe Borski, de ban­kierster die koning Willem I - en het land - van de ondergang redde. Wat in het diepste geheim moest, op de beurs kwam ze nooit. Ze vergaarde haar rijkdom thuis. Noodgedwongen, want ze was een vrouw en dus handelingsonbekwaam. Ook welgestelde vrouwen werden geacht geen pink op te lichten.

 Een sprookje, mevrouw Borski spon stro tot goud. 

 Ook al in de Ijzeren Eeuw zag ik Van den Bosch, stichter van Frederiksoord wiens portret hier ook hangt, die paupers tot arbeidzame mensen moest maken, in opdracht van de koning zelf. Er kwam niet heel veel van terecht.

 Het werk van de familie Kruseman brengt de tijd tot een vreemde stilstand. De beweging, de fabrieken, de veldslagen waren er vast, maar elders.

 Vrouwen als de melancholieke Anna Paulowna, echtgenote van Willem II spannen de kroon. Wassen beeld-achtig heffen ze al te vaak de ogen ten hemel. Vragend, lijkt me, wanneer dit een keer afgelopen mag zijn. In Alkmaar zie je de keerzijde van de Ijzeren eeuw. Doornroosjes. Ik had met mijn vingers willen knippen om ze met entourage en al na honderd jaar tot plotseling hysterisch leven, tot vrouwelijkheid te wekken.

 In de linkerbovenhoek van het Anna Paulowna-portret staat: ''Liever in een hut met mijn Willem dan te zwichten voor oneer'''. Anna stuurde het naar haar Willem na diens debacle in de Tiendaagse Veldtocht tegen te Belgen.

 ps. Met geschiedschrijver Wil Schackmann was ik eerder op Frederiksoord, zie de tag. 

 

 

Tags: 

Magische ansicht

 Gekregen van Annemieke Houben, deze ansichtkaart verstuurd uit Utrecht op 12 october 1904 en openkl­apbaar. Zodat je te zien krijgt wat er in de tram gebeurt als het licht uit gaat. Niet ongewoon.

 Het zal nog wel gebeuren, overal waar de tramdraden boven een openklapbare brug even ophouden, zodat de beugel van de tram korte tijd geen stroom meer vangt.

 Het licht valt uit. Ook de electromotor krijgt geen stroom meer. Trambestuurders moeten er voor zorgen een aanloop te nemen naar zo'n brug. Juist omdat hij vaak hoger gelegen is. In Den Haag wachtte ik steeds weer ge­spannen tot de tram naar Voorburg de hoge Geestb­rug over moest en de stroomtoevoer on­derbroken zou worden. Zou hij het halen? Of zou hij midden op de brug blijven stilstaan? Dan zou kunnen gebeuren wat je op deze ansicht te zien krijgt. Tot een sleepwagen van de HTM hem kwam verlossen.

 De kaart draagt een postzegel van 1 cent. En de gelukkige ontvangster was Mevrouw N.de Vrij, die de harterlijke groeten krijgt van Line. Wat Line met deze prentkaart wilde zeggen weten we niet. Iets, beslist.

Spitten voor de Moffen

 Het zijn de dagen. Beter dan plechtig herdenken blijkt weer precies oproepen hoe het was. De vader van Roel van Duijn was een keurige, 44-jarige Haagse accountant. In juli 1944 moest hij veertien dagen lang verplicht meegraven aan de Atlantikwall, in de duinen achter Ockenburg. Roel vond zijn dagboekje - met tekeningen - terug.

 Dwangarbeid kon je het nauwelijks noemen. Met bus of tram kwamen de mannen uit de stad. Het loon bedroeg 28,50 in de week. Op de zwarte markt goed voor 18 eieren. Het is licht werk, betonnen paaltjes sjouwen, helm planten.

 'Boomen dragen gaat voortdurend gepaard met uitkijken naar de etenswagen, die die middag niet komt. Om plm. 2 en een half passeert toevallig een militaire wagen met soep. Wij krijgen hiervan een portie. Mijn tinnen bord blijkt voor soep te ondiep, zoodat ik 3x een nieuwe portie moet nemen, zonder dat ik genoeg naar binnen krijg. Bovendien waait de vrij felle wind de soep van mijn bord, op mijn costuum, jas en in het gras. De soep was overigens wel goed, met peentjes, groene blaadjes, grutten en wat dingetjes vleesch erin.'

 Er waren in de ploeg ook een 'neger' en een 'Indischman': 'De neger heeft de zaak vermaakt door bij 't sjouwen voorop te loopen, met een stok te zwaaien als liep hij voor een muziekkorps, ofwel plotseling de Duitse parade-pas aan te nemen, wat bij de soldaten veel hilariteit veroorzaakt. De Indischman heeft een witte zakdoek gebonden om hoed en kin voor de wind, wat een typisch effect geeft.'

 Kortom, de Atlantikwall kwam er. Er werden 135.000 Hagenaars voor uit hun huizen verdreven. Maar Hagenaars bleven Hagenaars. En Roel in zijn introductie maar peinzen waarom zijn vader niet in het verzet ging. Dit dagboekje geeft het antwoord.

 Gekocht op een verder niet bijzondere tentoonstelling over de Atlantikwall in het Haagse Museon. 

Tags: 

Pagina's