De hal

 Zes lange jaren ben ik met mijn schooltas de hal met gipsafgietsels van klassieke beelden in dit Haags gymnasium overges­token, met als enig doel er weg te komen. Dat lukte.

 In mijn eerste jaar werd op 4 mei in deze hal de dodenherdenking gedaan. Alle leerlingen stonden in een kring in het midden. De jongste en kleinste vooraan, waaronder ik. Het programma bestond uit toespraken en er was een zangeres die met begeleiding van een pianist klassieke liederen zong. Het duurde lang, oneindig lang. Het staan viel niet mee. Na ruim een uur trok het bloed uit mijn gezicht weg.

 Tenslotte moet ik flauwgevallen zijn. Languit, bewusteloos voorover, als een zoutpilaar. Maar toen ik met mijn voorhoofd tegen de marmeren vloer sloeg was ik meteen weer wakker.

 Ik werd naar de ruimten van de administratie gebracht, waar mevrouw Van der Laan heerste en de rapportenkalligraaf de heer de Ridder. Alsook de conciërge Nietzmann. Daar hield men een geopend flesje onder mijn neus, waaruit een stank opsteeg zo afschuwelijk dat ik in een klap klaarwakker was. Vlugzout, hoorde ik later.

 Het was de lerares Frans, juffrouw Klink, die me in haar Fiat 600 maar huis reed. Haar parfum overstemde het vlugzout. 

 Ps. Er is over deze school bij mijn weten niet veel geschreven. Paul Verhoevens film 'Feest' (1963) speelt er, en sinds kort is er 'De stamhouder' van Alexander Mün­ninghoff, die bij het toelatingsexamen in de 'jongensgym' naast me zat. Een brutaal jongetje in een Lederhose, dat - ondenkbaar lichtzinnig - geen pen bij zich had. Ik leende hem mijn reserve, die ik nooit heb teruggekregen.

 Ps.2 Wanneer je eenmaal je sigaret had uitgedrukt in de gipsen bilspleet van de Venus van Milo was je een man. 

Zoekgeraakt gezicht

 Op 7 september 2014 schreef ik over de Vlaa­mse dichter Bob de Mets, die eigenlijk Jan heette en van wie niemand weet waar hij gebleven is, wanneer en waar hij stierf. Ik prob­eerde iets te achterhalen. Waarom? Dat heb je met oorlogen en herdenkingen. Louis Lehmann definieerde wetenschap eens als 'doorgaan tot je uitkomt bij wat je niet weet'.

 Verlangen naar het onbekende. Tijdschrift De Parelduiker zocht intussen veel uit, zie de link. Jan Demets werd geboren in Belgisch Limburg in 1895. Ik citeerde een gedicht van hem uit 'Doe uw werk, een verzameling Avant‑gardistische poëzie uit de Lage Landen'. Zie de tag. En nu dit bericht van Henk Beentje uit South Somerset, die oa. schrijft: 'Ik ken z'n kleinzoon, we studeerden allebei biologie. De kleinzoon, René Demets, vertelde dat niemand weet wanneer en waar hij is overleden; "Hij was in de oorlog helemaal fout en is na de bevrijding verdwenen. Hij is naar Zuid‑Amerika gevlucht (dat hoorde ik als kind), dan wel vermoord (dat gerucht kwam in de jaren negentig naar voren). In de jaren twintig was hij vreselijk hip, schreef 'pikante' gedichten, en stond in contact met kunstenaars als Kurt Schwitters. In de jaren dertig leidde hij een cabaretgezelschap in Den Haag. In de tweede helft van de jaren dertig sloot hij zich aan bij de Vlaamse Nationaal Socialisten." René vertelde me dat de foto bij Avondlog niet z'n opa was, en stuurde me een paar wel‑goeie.'

 Deze foto's zijn van 1915 en december 1935. In zijn bloemlezing van 1996 nam Gerrit Komrij dit gedicht van Bob de Mets op uit de bundel Asfalt, 'poësie erotique', waarvan de tweede druk verscheen in Rotterdam in 1926.

 Het lachen van een heil'ge

is 't lokken van 'n hoer,

En in de modder‑goot ligt

'n Rozensnoer.

En ‑ al die kleine meisjes

die hebben 't in d'r bloed ‑

Dat zie je aan d'r schoentjes

en aan d'r ondergoed.

Dat zie je nog veel beter

als 't hemdje is losgegaan

D'r hangt 'n grote vlinder

vlak voor de maan.

Tags: 

Getemde hemel (1)

 In Den Haag heb je fietsend wind mee of wind tegen. Maar eigenlijk altijd tegen. 'Tegen de wind op tornen' is de uitdrukking. Miek Zwamborn, als eerste schrijver in residentie in het Gemeentemuseum, maakte niet toevallig de tentoonstelling Getemde Hemel, uit wat ze in de depots vond over weersgesteldheden. Ze ging, zegt ze 'het museum steeds meer als een weers­tation zien'.

 In Den Haag groeide ik op in weer en wind. Maar het kan krasser. Getuige het gedicht 'Krachtens welke natuurwet' van Miek Zwamborn:

twee Amerikaanse boeren, één in '28 en één in '51

omschreven het oog van een orkaan als een wand van wolken

waarin vuurspiralen zich van kleine tornado's probeerden

los te rukken

 

slaap bij vuil weer op je buik

vermijd tenten en bomen

geen wind kan ooit zo volkomen koud zijn

en ontstromen zonder neerslag

van vuurzaden

 

loop weg naar het westen of slaap binnen

waar donderslag niets zal raken

de schichten te ruste legt

tam lijkt te worden - wieling of werveling

wind bevat ook verticale componenten, opklaringen!

 

het krimpend oog van een orkaan is niet ongevaarlijk

je kunt er nog altijd een stoel tegen je hoofd geslingerd krijgen.

Tags: 

Mantel als kerk

 De priester - of bisschop - die de mis opdraagt heeft een onderonsje met Onze Lieve Heer. In het Lati­jn, zodat we het niet kunnen verstaan. Daarom staat hij met z'n rug naar ons toe.

 Een tegemoetkoming is zijn mantel, kazuifel geheten, en verdere kleding, waarop in prachtige geborduurde voorstellingen scenes uit de Bijbel staan afgebeeld.

 Vanmiddag in het Utrechtse Catharijneconvent werd ik overdonderd door een verzameling kerkelijke kledij uit vroeger eeuwen, zo mooi, zo ingenieus. Die mantels, leerde ik, waren duurder dan drie kerkorgels, dan alle schilderijen. De zeldzame kleurstoffen, het gouddraad. Vaak ontworpen door grote schilders als Van Oostsanen.

 Dat er zoveel bewaard bleef komt door de beeldenstorm. Deze kledij werd veilig opgeborgen en lang niet gebruikt.

 'Het geheim van de Middeleeuwen in gouddraad en zijde' wijdt je in, in kleurstoffen en weefsels. In een wereld die met de reformatie verloren ging.

 Voor God was alleen het mooiste mooi genoeg. En mooi is duur. Aan sponsors ontbrak het niet. En zo werd heel de kerk een afspiegeling van het hemelse Jeruzalem: 'De stad die schittert als edelstenen en waar de straten van goud zijn', rond het altaar met z'n kostbare attributen, de schalen, de wierookvaten, de monstransen.

 Pronkstukken, bedoeld, ja voor wie? Voor God, zeggen ze, maar toch ook om de gelovigen te imponeren. Duur, als de kleren van de Maria en de heiligen op de schilderijen.

 God ging goed gekleed, in z'n dagen. 

Tags: 

De dagen

 Het zijn de dagen. Zutfen dat toen nog geen Zutphen heette, werd in april 1945 al bevrijd door de Canadezen, die vanuit het Oosten optrokken en slag leverden om de stad waar de bevolking in de kelders afwachtte. Ik was anderhalf jaar oud.

 Mijn moeder bewaarde gedenkboekjes en schreef er dit voor me bij. 'De laatste maand voor de bevrijding hadden wij de bedden al in de kelder gezet + het kinderbedje van Wim. We moesten er nl. elke nacht toch heen, We hadden een gat naar de buurkelder gehakt om bij even­tuele instorting nog een andere vluchtmogelijkheid te hebben. In de laatste nacht kwamen daar nog Derk, Plona met twee kinderen bij [de over­buren], hun huis was afgebrand. Papa was de enige die af-toe naar boven ging om door de kelder­deur te gluren.'

 Ik heb eerder uit haar aantekeningen geciteerd, maar toen weggelaten dat mijn moeder die nacht ook een miskraam had en: 'geen dokter­s­hulp'.

 De notitie eindigt met: 'Een maand later bracht de dokter­ mijn ouders naar ons toe uit Leersum [die waren geëvacueerd uit het Haagse Kijkduin]. Mijn vader stierf toen in aug. '45, mijn moeder april '46 bij ons in huis. Toen was ik heel al­leen. M.'

 Wat ze niet vermeldt is dat mijn vader direct na de oorlog vrijwillig dienst nam bij de grenswacht in Ruurlo - het controleren van uit Duitsland terugkerende landgenoten - en daarna naar de politi­onele actie in Indië vertrok. 

Tags: 

Eenzame uitvaart

 Of sterven je nu een opluchting is of zwaar valt zal per stervende verschillen. Ook gedachten over hoe er met je resten moet worden omgegaan lopen uiteen. Soms - hoe vreemd - staat er aan je graf een dichter, die je nooit gekend hebt.

 Er zijn er die vinden dat een uitvaart niet in eenzaamheid moet plaatsvinden, zoals de dichters die meedoen aan 'Eenzame Uitvaart'. Zelden wordt ook een testamentje gevonden met de regel 'geen dichter aan mijn graf'. Wie rekent daar als een­zaam stervende op. Mijn antwoord zou zijn 'je doet maar'. En soms is de poëzie ermee gediend. Zoals met de mooie serie die Kees 't  Hart liet afdrukken in de nieuwe Revisor. Waaru­it:

 

Uw naam stond bij de brievenbus

Om uw bestaan aan mij te openbaren

Meer was er niet van u gebleven

Toen u een maand te laat gevonden werd

 

De buren gaven ook niet thuis

Het uitzicht was door regen weggespoeld

Op het grasveld hokten drie kinderen

Samen onder een veel te kleine paraplu

 

Weer keek ik naar uw naam

Inscriptie van een dagelijks bestaan

Zelfs geen foto was van u gebleven

De kinderen waren weggegaan

 

Ik stel me stemmen voor uw stem

Uw vader en uw moeder een stad

Een straat een gezicht een ochtendlicht

Heel even bent u daar in dit gedicht

 

Perzische man uit Bandar Anzali

Havenstad aan de Kaspische Zee

Ik moet me houden aan de feiten

En dan slaan de deuren dicht en dicht

Tags: 

The look of silence

 Hoe stilte, hoe zwijgen eruit ziet. Een film om te zien in deze gedenkdagen. Joshua Oppenheimer maakte een tweede film over hoe men in Indonesië omgaat met de massamoord op een miljoen 'communisten' in 1965 en 1966. Door wat 'het volk' heette. 

 Het regime organiseerde een bloedige terreur. Niet moeilijk, denk aan de Armeense genocide en de leugens. Zo waren communisten ongelovig, je moest hun bloed drinken, vertellen een paar daders openlijk, dat beschermde je tegen gek worden. Wat veel massamoordenaars overkomen was. Doden kan niet iedereen maar zo.

 In de film zoekt Adi het lot van zijn vermoorde broer Ramli uit. Mooi is de reden waarom hij langs kan komen: hij doet oogmetingen, en meet de moordenaars nieuwe brillen aan. Symboliek ja, maar 't werkt.

 De enige die niet liegt en alles doorziet is zijn hoogbejaarde, mooie, scherpzinnige moeder. Verder heeft ieder die hij spreekt belang bij liegen, draaien of zwijgen. Behalve sommige moordenaars van toen. Die met graagte voordoen hoe het moorden in z'n werk ging.

 Eerst met kapmessen, dan de Slangenrivier in. Zodat niemand meer vis uit die rivier wilde eten. Twee daders uit de voorafgaande film The Act of Killing spelen opgewekt een moordpartij na, op de plek zelf aan de rivier.

 Stilte. Ik dacht aan Luftkrieg und Literatur, het boek van W.G.Sebald over het zwijgen van de Duitse literatuur over het eind van de Tweede Wereldoorlog in Duitsland. Zijn verklaring: het was te erg. Er viel niet mee te leven. Geen reden er niet over te schrijven.

 Tegen die grens loopt ook Joshua Oppenheimer op. Veel geïnterviewden vragen hem hiermee op te houden. Wat heeft het voor zin zoveel gruwelen die je meemaakte weer onder ogen te zien. Alleen de altijd nog strijdbare moeder van Adi denkt daar anders over. 

Ergens binnenkomen

 Wat gebeurt er bij het betreden van een vreemde kamer, waar iemand zit? Je komt er iets doen. Je blik zwerft, zoekt houvast.

 Dat moment draagt het gedicht 'Reserve' van Maaike de Wolf (Amsterdam 1978, nog geen bundel verschenen), dat ik vond in Het Lieg­end Konijn nummer 1, 2015.

 Het neemt de lezer mee over een drempel. En daar is hoe dan ook een storing, een neonletter gaat aan en uit, zoals deze hele visite, het hele gedicht aan en uit knippert. De binnentredende hoofdpersoon verdeelt zich letterlijk in stukken. Haar hoofd heeft ze voor de zekerheid zolang in de boekenkast gelegd, zegt ze. Dat is haar reserve.

 Blijft de vraag wat ze hier hoopt te vinden, De 'professor meneer' zit daar, in de hoek van zijn stoel. Hij blijft heel, zegt hij.

 

Binnen zit professor meneer, aan het eind van de kamer

in de hoek van zijn stoel, handen gevouwen.

We doen alsof we niet zien dat er buiten aan de gevel

een neonletter stottert.

 

Meneer blijft heel, hij zegt: 'We nemen er geen koffie bij',

terwijl ik mezelf in stukken over de ruimte verdeel.

 

Je hoopt op een blaffende hond, het licht van de ijskast

langs iemands naakte lichaam.

 

Mijn hoofd ligt in de boekenkast

ontmaskerd als reserve, terwijl het origineel

nog ergens ongeschonden           - het is tijd. 

Hergé

 Het entree is klassiek, met de lift kwam je boven in een halletje en stond oog in oog met de uitstalkast vol Kuifje-symbolen. Het vaandel van de Harmonie van Molensloot, de kapstok met de twee wandelstokken en bolhoeden en zo meer. In 1971 was ik bij tekenaar Hergé in zijn studio aan de Brusselse Avenue Louise 162. Hans van Genderen filmde de visite. Ik was daar eerder geweest voor de radio. We werden hartelijk ontvangen en rondgeleid. Het filmpje staat nu op youtube. Omdat er naar gevraagd werd, hierbij.

 Hergé had me eerder verteld hoe ‘de koningin’ als ze ging winkelen in de buurt haar ‘zoontjes’ Boudewijn en Albert bij Herge stalde, die een voorraad ingebonden Kuifjes had om ze bezig te houden. Ik denk dat moet Liliane de Rethy geweest zijn, de tweede vrouw van Leopold.  Die nooit koningin werd, maar prinses heette. We spraken over zijn moderne kunstverzameling (een Appel oa.) die daar hing.  Hij had ooit zelf kunstschilder willen worden.  En nog veel meer.

 Na afloop van de opname nam hij ons mee voor een ‘verrassing’. En zie, hij bracht ons naar een klassiek Chinees restaurant om de hoek. Met rode lampions, goudkleurig figuurzaagwerk en al.  En vertelde erbij dat het net het interieur van Kuifje en de Blauwe Lotus was. Iets heel bijzonders! Hij leek niet te weten dat zulke restaurants Amsterdam heel gewoon waren.   

Tags: 

Rampschilderingen

 Zojuist Katmandu. De aardbeving. Dat is televisie. Gister­en zag ik in Den Haag rampen uit de serie World Stress Painting van Olphaert den Otter. Wat gebeurt er tussen de twee?

 Den Otter werkt met nieuwsbeelden, maar ontdoet ze van het strikt plaatsgebondene, het persoonlijke. Je ziet er geen mensen op, geen achtergelaten speelgoed. Bij hem wordt ramp een tijdloos verschijnsel: instor­tende gebouwen, steden die verzwolgen worden, laaiende vuurzeeën.

 Rampen vergezellen ons. 'Nooit meer oorlog' hoor je nog wel eens. Niet 'nooit meer rampen'. Ze kunnen elk moment toeslaan, waar dan ook. Ik groeide op tussen de puin­hopen van het gebombar­deerde Zutphen. Spannender speelterrein is er niet voor een kind.

 Het begrip ramp kwam in mijn leven in 1953 toen aan de Haagse Statenlaan op nummer 81 - om de hoek bij mijn grootouders - een kennelijk in haast geschilderd bord tegen de gevel werd getim­merd met het opschrift NATIONAAL RAMPENFONDS. Met daaronder het gironummer dat dagel­ijks op de radio werd omgeroepen na de slagzin 'Beurzen open, dijken dicht’.

 Met mijn ouders bezocht ik later het Zeeuwse rampgebied, waar ik logeerde in een boerderij waarvan de benedenverdieping tot bovenaan toe onder water had gestaan. Buiten strekte zich een boomloos maanlandschap uit van groen slik. Er stond een rij goederenwagons waar mosselen aan groeiden. Het gat van Ouwerkerk was gedicht, het water geweken. Zo zag dus de ramp eruit.

 Ook Olphaert den Otter schildert overstromingen, maar beelden die nu zeggen 'Midden-Oosten' overheersen. Hij kent de logica van ravage, hoe oudere bouw in steen het eerst verpulvert, hoe betonbouw instort. Wat rest. Je blijft resten van pilaren in wapening zien. Gaza, Aleppo.

 Het erge heeft zijn eigen schoonheid. Daar gaat het Olphaert den Otter in deze serie kennelijk om. Hij schildert geen mensen, waardoor auto's en huizen slachtoffers worden. Mensen zijn bij hem huizen, auto's.

 Te zien bij Maurits van der Laar in de Haagse Herderstraat.

 

 

 

Pagina's