Duisternis

 Het nieuwe nummer van Kunstschrift is gewijd aan Tarkovski van en over wiens werk in Eye in september een expositie komt. Wat zou het slagwoord daarbij zijn? Raadselachtig? Geheimzinnig? Je hebt al snel te veel gezegd.

 Dit Londense aquarel van Willem Witsen past er goed in. Waterloo Bridge in 1890. Mijn eigen eerste Londense reis viel in de tijd dat er nog niet anders gestookt mocht worden dan op gas. En dat je in het weekend de stad afspeurde op de shillings waarmee elektrische radiatoren in hotels het een uurtje deden. Met je schoenen aan in bed dan maar. In deze Brexit-tijd een mooi vooruitzicht.

 Toen de stad nog op kolen werd gestookt, 150 jaar geleden, moet het erg geweest zijn, mensen en straten, alles verstikkend zwart.

 De enigen die wat konden beginnen met de duisternis waren kunstenaars als Willem Witsen en Matthijs Maris. En later natuurlijk Tarkovski. Ach, de lantaarnopstekers met hun ladders.

 In 1868 werd Londen de eerste gasverlichte stad. Vooral bedoeld om de inwoners tegen boeven te beschermen. De eerste verkeerslichten werkten op rood en groen gas.

Litteken

 In het 'Over de grens'-nummer van het Internationale Tijdschr­ift Terras vind ik werk van Filippijns-Amerikaanse dichter Jon Pineda, vertaald door Jeske van der Velden. En zie, een Lit­teken, zeldzaam onderwerp, onder 'Samenleven':

 'Bruce Denbigh stak een stok tussen/ de spaken van mijn wiel, en daar vloog ik,/ 'voor heel even, over het trottoir'./ Onder de douche tilt hij zijn kin op en vertelt haar/ het verhaal achter dit litteken. Zij legt/ de plek bloot waar een steen haar hoofd raakte.

'Ik was nog zo klein', zegt ze, lachend,/ 'Ik herinner me alleen dat ik verdwaasd naar huis liep',/ en heel even stroo­mt/ het water in de holte/ van zijn hand als hij er met zijn vinger langs strijkt,/ dan haar lippen aanraakt. 'En deze?' vraagt ze,/ legt haar nagel op de maansikkelvorm die op zijn schouder rust.

'Mijn zus,' zegt hij. Hij vertelt er niet bij/ dat ze al bijna zijn halve leven dood is.

Dat is onnodig, al wil hij bij het afdrogen zeggen/ dat dit litteken de herinnering aan haar stem heeft/ overleefd. 'We hadden ruzie,/ maar ik weet niet meer waarover./

Ze wrijft met haar handdoek over zijn schouder, precies hoe/ zijn zus de gestolde snee depte met een doekje,/ hem een boodschap stuurde boven al zijn gegil,/ die jaren later hier aankomt, als hij voor het eerst hoort/ hoe ze hem wilde troos­ten zonder woorden.'

 Ja, mekaar je littekens vertellen. Ook ik vloog, van mijn fiets af, hoog boven het Valkenbosplein en dit is prikkeldraad, in de duinen.

Eten

Als je ziek bent komen de adviezen. Vreemde dingen. Er schuilt vaak agressie achter adviezen. Een adviseur of adviseuse weet iets beter. ‘Weet je wat jij moet? Je moet … eten’. En je voelt je al zo beroerd.

 De oeroude, vreemde gedachte erachter is dat ziekte genezen kan worden door eten of drinken. De gedachte dat ziekte ontstaan is door ‘iets verkeerds eten’. En dat genezing uit voedsel voort moet komen. Zoals Gerard Reve zei: ’Zeker in de stad gegeten.’ Mijn oude huisdokter had een altijd de zelfde therapie:  ‘kraanwater en verder niks’.

 In Italie staat de laboratorium analyse op ieder flesje mineraalwater. In Mantova, in een duur hotel kreeg ik eens een fles mineraalwater om mijn tanden mee te poetsen.

 En nu? De kookcursussen vliegen je om de oren. Heb ik mijn eten met moeite naar binnen gewerkt en zet ik de tv aan voor de nieuwste dwaasheden van Boris Johnson dan beginnen ze ook in Engeland weer te koken met ‘24 hours kitchen’  of val ik in een wedstrijd van overspannen adspirant koks.

 Schep ik dan een luchtje op het balkon dan is daar een doordringende etenslucht.

 Liefst zou ik helemaal niet meer eten.

Tomaat

Twee tomatenplantjes kocht ik eind mei. Met kleine gele bloempjes, die bevrucht moest worden door bijen, zei de boer dier ze verkocht.

 Mijn jeugd aan de rand van het Westland was vol tomaten. Mijn vader, die uit Zeeland kwam en zich een halve boer waande zette ze uit op het landje achter de tuin. En dan maar wachten.

 Rond deze tijd kwam de rode zondvloed. Elke dag aten we tomaat. Tomatensoep, tomaten salade, omelet met tomaat. Anders was het zonde. Ik kon geen tomaat meer zien.

 Alle buren en kennissen kregen ze mee. En dan kwamen ’s avonds na het eten nog de tuinders uit het Westland met hun jute zakken aan het fietsstuur. Dat moest na donker want je kon ervoor bekeurd worden.

 Voor de blikgroenten of puree waren ze niet meer te verkopen. Het eindigde met het rituele doordraaien. Hele tuinderssloten lagen vol tomaten.

 En nu zit ik met deze twee. Die me blijven aankijken. ‘Te mooi om op te eten.’

Friesland

Af en toe krijg ik een missive van Studio Teigetje en Woelrat. Dit maal met een minder bekend gedicht van Gerard Reve erbij. En een foto die Teiger in 1964 in Friesland maakte.

Geeft het door!

 

FRIESLAND 

De V van wilde ganzen, met de punt vooraan,
schuift door de dunne lucht.
En over heel het land daaronder straalt
onmeetlijk, ongeschapen Licht.

Gerard Kornelis van het Reve, 1966
Met dit minder bekende gedicht en de foto hieronder willen wij bedanken voor de vele en vaak ontroerende reacties op onze uitnodiging voor het aanstaande feest van Maria Tenhemelopneming / onze jaarlijkse herdenking van het leven en werk van Gerard Kornelis van het Reve in Greonterp.
Tot donderdag 15 augustus 16 uur dus, in de St-Vituskerk in Blauwhuis. (vergeet de bloemen niet a.u.b.)
Hester, Tijger en Woelrat

 

foto: één van de eerste foto's die Teigetje in Greonterp van Gerard maakt, onderweg naar de Oudegaaster Brekken, waar zij gaan zwemmen.

God

Van Toon Tellegen (geboren in Brielle) kreeg ik zijn ’Een vorig leven’, de roman uit 2015 waarin Jacob Laagwater, de vader van een jeugdvriendje in ‘’een oud stadje, niet ver van zee’’ hem inwijdt in God en de dood. ‘’Omdat de Bijbel nu eenmaal over de dood gaat’. Een bizarre prediker.

 ’Hij legde uit dat God een uiterlijk en een innerlijk had, net als de mens. Het uiterlijk van God was het leven, dát aanbaden de mensen…’.(,,,) ‘Het innerlijk van God was de dood, verscholen achter het uiterlijk. Dáár ging de Bijbel over.’

 En dan probeert de jongen zich God voor te stellen: ‘Het vroor en er woei een ijskoude wind. God droeg een dikke winterjas en had een wollen muts tot over zijn oren en bijna ook tot over zijn ogen. Hij was een en al leven, stampend, hollend, dansend in de kou. Maar als ik goed keek zag ik dwars door die jas en die muts heen iets krioelen. En ritselen en knagen, als een muis achter het behang. Dat was zijn innerlijk, de dood die verwoed in de weer was om een gat in het uiterlijk te maken en daardoorheen naar buiten te breken en de rest van het uiterlijk aan flarden te scheuren. Bidden was eigenlijk aanvuren. God smeken alles in het werk te stellen heel te blijven, geen gaten te laten vallen in zijn uiterlijk. Want als dat gebeurde was voor iedereen afzonderlijk het leed niet te overzien, en dat leed was de dood.’

Tags: 

Creme

 Schatgraafster Annemieke Houben heeft een nieuw terrein gevonden in een verwaarloosde molen annex woning in de Morvan. Waar ze de nalatenschap van een soort Colette aantrof, ooit danseres en erfgenaam van een eeuwenoude gereedschappenhandel.

 Daarbij was  ook deze reclame. Voor fascinerend gereedschap dat ik van vroeger ken..  

 Ai.. Die Spuit- tuiten kan ik dromen. Uit de bakkerij van Oom Puck in Eerbeek. Waar tegen het weekend de feest- en verjaardagstaarten werden gemaakt. Met ‘creme’, zeker, wat bekend stond als ‘banketbakkersroom’. Stevig genoeg om in zwierig schrift ‘Gefeliciteerd!’ mee te spuiten. En dan kwam een nog een plaatje in twee kleuren chocola onder dat zei ‘’50 jaar’’ oid. Ernaast stond de grote fles met ‘’pillen’’ ter decoratie, keihard maar eetbaar en vaak verguld. Ik vond het graf van Oom Puck op Coldenhove. Zonder letters in roomspuit.

 Erg mooi ook die zakken van een soort glad canvas waar de verschillende tuuten in pasten. En dan de magie van het mogen knijpen in zo 'n gevulde spuit waaruit wonderbaarlijk sierletters voortkomen.

Dam

 Zou de 120 jaar oude, Victoriaanse Dam in Whaley Bridge het houden? Of komt de vloedgolf alsnog over het stadje? Zandzak­ken in het gat laten vallen uit een helicopter lijkt geen ideale oplossing. En er is storm voorspeld.

 Door mijn slapeloze hoofd spookt steeds het favoriete boek uit mijn jeugd, 'The Dambusters' van Paul Brickhill. Ook verfilmd. Waarin het omgekeerde gebeurt. Een team van Engelse geleerden en piloten bedenkt een systeem om de dammen in het Duitse Ruhrgebiet te bombarderen, die de Duitse industrie van stroom voorzagen. Ik heb de inmiddels herbouwde dammen nog bezocht.

 Het bombardement lukte door bommen als keitjes over de waters­piegel van de stuwmeren de laten scheren en precies te laten exploderen tegen de damwand. Een grootse berekening. Jonget­jesspel en wetenschap ineen. Maar de Duitse oorlogsindustrie lag plat.

Interieur bij regen

 Het regent op een vakantiedag. Dat betekende binnen spelen. Maar waar? En waarmee.

 De suitedeuren zijn vrijwel overal verdwenen. Het ging om schuifdeuren, meest van glas-in-lood, tegenover elkaar die als je ze over hun rails toeschoof - een onvergetelijk geluid -  de verdieping in tweeën deelden. Dan had je twee kamers. In een ervan kon een kind piano studeren, in de andere de vrouw des huizes verstelwerk doen. Dit vooral op regendagen als de kinderen binnen moesten blijven.

Bij bijzondere gelegenheden werden de suitedeuren een soort podiumgordijnen waartussen men kon optreden. Grote artiesten begonnen daar. Bijzonder waren de ‘rails’ waarover de suitedeuren bewogen konden worden, naast de schemerlamp.

In 1958 begon de verbouwwoede – hele straten verbouwden - die meebracht dat de suites werden ‘doorgebroken’. Weggebroken. Je kreeg dan één ruimte met wat heette een ‘zithoek’ en een ‘eethoek’ etc. De vloer werd een linoleumvlakte waaruit de ralls waren verdwenen. De inrichting werd voltooid met formica op de vensterbanken, oliestook en fantasiegordijnen. Aan het plafond hingen op verschillende hoogte lampkelkjes in drie kleuren. Bij mij liggen de de rails er nog, onder het vaste tapijt. Waarom dit alles? Een verbetering was het niet. Wat van het weggedane meubilair over is duikt nu op markten op en brengt geld op, Oud is mooi geworden.  

Francoise Vernède

 De biografie van Willem Brakman is in zicht. Nico Keuning bericht erover in de Parelduiker. En ik kan als altijd een map met brieven van Willem opslaan en me koesteren in zijn handschrift.

 'Je zo diepzinnige vuurmeditatie heeft mij zeer getroffen! Het is zoals je zegt, deed mij herinneren aan de MULO Paulus Buysstraat waar wij onder leiding van Madame Vernède “Le petit homme'' lazen van Alphonse Daudet. Het was donker in de klas, sneeuw hing in de lucht. De klas boog zich in de schemer diep over het boekje. Ik het diepst en o wonder! Madame liet het licht niet aandoen! En de grote, grote kachel liet zijn kooltjes in de asklep korrelen op een mystieke wijze. Veel ketters op de brandstapel zullen dat nog met groot genoegen hebben ervaren (had men toen al kolen? Anders moet ik mijn geloof bijstellen). Je bevindt je duidelijk in het gebied der omwegen. Dus dat wordt avondrood , barbecue, asklepgloed, sterrenhemel, waarin het wezen zit van een trekje, zo achter de hand, met van dromen schele ogen.

De zon droomt aan de kim de rode sage van het verborgene voordat de wereld was, zei, nee zong onze bard en hij kon het weten. A.R.H. schreef een werkelijk walgelijk proza, zo dat van een woudonanist. Wim hou vol, waar vuur is, is rook en als dat geen troost is!'

 

Pagina's