'Gekerkerd in de Stad, verwelkte ik in haar muren,
Gelijk een bloesem tusschen steen:
In nachten zonder slaap, in doorgebeuzelde uren,
In rook, rumoer en ijdelheen!
De Stad! dor kerkhof, waar zich levenden begraven
In 't graf der Luiheid, Lust of Smart,
Voor eigen drifters zich verneedrend tot heur slavers ,
Of wonden slaande in eigen hart;
De Stad! onstuimig meir, wiens rustloos golfgewemel
Dooreen woelt, hoist, zich-zelf verslindt,
Waar schipbreuk woont en vreeze, en 't starlicht van Gods
Geen spiegel voor zijn stralen vindt!
Hoed mij voor Haat en voor Verachting: laat mij 't goede In 't kwaad, het licht in 't donker zien!'
(1842