Garage

 Het zijn heenkomens, plaatsen waar al wat je vreesde uit je handen wordt genomen door mannen in overalls met toverwoorden. 'We zetten hem even op de brug'.

 En daar gaat hij, omhoog in de ruimte met z'n slordig geschilderde muren. En je kijkt in z'n buik, terwijl de Italiaa­nse garagiste z'n diagnose begint. Daarbij woorden prevelend die je zo vlug niet kunt opzoeken.

 We zijn in Pisa, maar niet dat van de bekende prentjes. Dit is een buitenwijk bij het voetbalstadion. De eigenaar heeft affiches van de oude stad aan de muren gehangen. En hij geniet van mijn opluchting als hij 'aha'-achtige geluiden maakt.

 En?  Hij gaat even bellen, de ijzeren trap op naar het kantoortje.

 Het kan morgen klaar zijn.

 De aanrijding verdwijnt in m'n geheugen. De carabinieri met hun opschrijfboekjes, het geluid van de banden van het passerende spitsuurverkeer dat eindeloos over gebroken koplampglas rijdt.

 De garage als onderkomen, toevluchtsoord. Zonder auto is een Italiaan niemand. Een buitenlander al helemaal niet.

Colette in Verdun

 In 1915, midden in de oorlog reisde Colette als journaliste naar Verdun. Er wordt gebombardeerd. Ze praat met de buren.

 'Pas op voor de legerartsen die aan de overkant ingekwartierd zijn!' De De ruiten zingen hoog i-i-i als het kanonvuur aanzwelt en ons dwingt onze stem te verheffen, en de winterzon kondigt vorst aan. Ik kan haast niet wachten om alles te horen, te huiveren, te hopen. Ik vraag 'Is er nog nieuws?' De onderofficier van het ravitailleringsvoertuig fronst zijn wenkbrauwen, trekt aan zijn Vercingetorix-snor en zegt: 'Nou, de stoffeerder is een zwijn!'

 'De...'

 De stoffeerder inderdaad. De boter die hij verkoopt is margarine!'

 'O ja... En verder?'

 'En verder is er bij de pianowinkel net een indrukwekkende lading sardines binnengekomen, Ik ga er zo even heen als ik naar onze paarden ga kijken...'

 'Ja, ja... En verder?'

 'En verder, ' roept de jonge vrouw met bruin haar uit, 'en verder is het een schande dat we drie stuivers moeten betalen voor een prei. (...)

 'Ja, ja, ja..! Maar alstublieft, hoe zit het met de oorlog?'

 ' De oorlog?'

 Vercingetorix staart me aan, zijn argeloze blauwe ogen wijd open. Ik verlies mijn geduld: ' Ja, de oorlog natuurlijk, verdorie. Wat de mensen horen, wat ze lezen wat u doet!'

 De blauwe ogen worden klein van het lachen: 'O ja, natuurlijk, de oorlog... Welnu, dat gaat... Dat gaat heel goed. Maak u niet zo druk...'  

Punt en komma

 De molenaarszoon professor Piet Vroon was zo nieuwsgierig, dat hij niet alleen zich eens aan een molenwiek liet vastbinden en de hele omwenteling zo meemaakte. 

 Ook toen hij een oogoperatie moest ondergaan. Dat – vertelde hij me - zonder verdoving  wilde. Het gebeurde. Hij zag alles, met zijn andere oog.

Maar had achteraf veel vragen. Oa. over de stream of consciousness. Van William James. Ook in de nieuwe bundel van Bernke Klein Zandvoort ‘Veldwerk’ komt veel waarneming voor. oals in dit gedicht:

 ‘gelezen dat we met onze ogen knipperen

niet, zoals eerst werd aangenomen

om onze pupildobber half in de wereld

half onder een laagje water te houden

maar omdat de korte zwarte beelden

onze hersens rust gunnen, zoals komma’s

dobberend op de pagina, midden in een zin

een moment van donkerte invoegen

om de lezer tijd te geven

het voorgaande naar beelden te vertalen

doen we met onze ogen dan niets anders

dan het bijeenknipperen van een stromende werkelijkheid?

Knal

 De hevigste knal, de hoogste vlam. Daar gaat het om met oudjaar in Den Haag, vuurwerkstad. De Japanse kanonslag bestaat nog, maar zevenklappers en gillende keukenmeiden nauwelijks meer.

 De mooiste knal waar ik bij was voltrok zich aan het eind van de Laan van Meerdervoort, bij het eindpunt van lijn 2. Daar stond zo'n zg. 'alarmcel' met de tekst BRAND, ALARM, POLITIE, waar zich soms een eenzame fietsagent meldde bij het hoofdkantoor. Een burger heb ik er nooit zien binnengaan.

 Behalve wij. We maakte bommen uit zwavel, kaliumchloraat en koolstof, gekocht bij de kleine drogist. 'Voor scheikunde op school.'

Ik had begrepen dat een ontploffing in een afgesloten ruimte tien keer zo hard knalt. En zo vulden we fotoblikjes met chemicaliën, wikkelden er ijzerdaad omheen en legde de bom in de alarmcel, met een brandende krant er onder.

 De volgende ochtend waren alle ramen van de alarmcel wit uitgeslagen of gebroken.

 De knal van mijn leven.

Toekomst

 Zes jaar oud was hij, en ging nu naar de Lagere School. Een dreigend gebouw met overhangende dakranden en lange gangen met glimmend zwarte tegels tot boven kindhoogte, met daarboven een streep okeren decoratie, ook van glimtegels. De hele gang door hingen kinderjassen aan haakjes.

 Er werd hem een leeg haakje aangewezen met het nummer 53. 'Dit is voor jouw jas. Je kunt hem nu wel uittrekken. De klaslokalen keek je binnen als je door de gang liep. Klas­sen vol kinderen waarvan sommige rekentafels repeteerden. De armen over elkaar.

 Eindelijk weer thuis vroeg hij tante Lien hoe lang dat zou gaan duren. 'Zes jaar', zei ze. 'En dan?' vroeg hij.

 'Dan ga je naar het gymnasium.' Hoe wist ze dat?

'Hoe lang duurt dát?'  'Ook zes jaar.' 'En dan?'

 'Dan ga je eerst in militaire dienst, en dan studeren'.

 Tante Lien was beslist helderziend.

 'En hoe lang duurt dat?' Haar schatting bedroeg zo'n acht jaar. Twintig jaren toekomst waren dat, bij elkaar. 'En dan?'

 'Dan ga je trouwen en krijg je kinderen. En een baan.'

Competitiekaart

 Wilde je in een competitie spelen, al was het adspiranten 4D, dan moest je naar de sportkeuring en daarna kreeg je met inlevering van een pasfoto je competitiekaart.

 Die kaart moest je voor de wedstrijd inleveren bij je elftal­leider. Een oudere heer met een hoed, die nog voor de oorlog in het eerste had gespeeld. Die leverde onze kaarten in bij de scheidsrechter, die zich intussen had verkleed in het aparte kleedhok dat daarvoor was.

 Daarna werden we voor hem opgesteld en riep hij de namen af: Van Erp, Van der Zande, Kantelaar... Je moest dan 'ja meneer' zeggen, hij vergeleek de foto met het gezicht en zei 'ja' als het klopte.

 Scheidsrechters waren mij onbegrijpelijke personages. Altijd piekfijn in het zwart en met voetbalschoenen aan. Maar nooit schopten ze een bal. Grensrechters waren de elftalleiders, die hun clubdas als vlaggetje gebruikten.

 Terug naar de clubtent waar de man in het zwart bij mij kaart was aangeland. 'Noordhoek'. 'Ja meneer.'

 Na afloop werd ik aangeklampt door de rechtsbuiten van de tegenpartij, die naar mijn naam informeerde. En ja, hij zat op de Zuiderpark HBS waar mijn vader een gevreesde leraar Duits was. Nog ze ik zijn grote ogen van schrik: 'Is dat je vader?'

 Twee werelden botsten op elkaar. 

Vestibule

 Wat ook verdwenen is: de vestibule. Waar de kapstok hing met daaronder vaak een 'bijzettafeltje' met daarop twee houten hondjes met kleerborstels in hun bekken.

 De vestibule scheidde het woonhuis van de straat. Jassen werden er uitgetrokken, bewonderd en opgehangen. Soms aangenomen door een bediende.

 Tussen de vestibule en de gang zat de zg. tochtdeur. Vaak opgehangen in klapscharnieren.' We stoken niet voor de bur­en.'

 Een vestibule is een ruimte, maar ook een vrouwelijk lichaamsdeel. Het vaginaal vestibulum is de anatomische naam voor de ingang van de vagina: de ruimte tussen de genitaliën die zich buiten het lichaam bevinden, de vulva, en de interne genitaliën, de vagina. Zie, een vrouw is een huis, is een vrouw, met receptieruimte.

 Het woord komt van het Latijnse vestibulum. Ook in de Medische wetenschap heet het zo. Zelfs het Witte Huis heeft een vestibule, die zo heet. Zij het zonder borstelhondjes.

 Waar laat je tegenwoordig je jas? Op het bed. De slaapkamer is vestibule geworden.

Plaatsbepalingen

Wie? Waar? De tweede bundel van Bernke Klein Zandvoort heet 'Veldwerk'. En kun je lezen als proeven van moderne archeologie. Onder­zoekingen, waarnemingen. Soms kort en nabij, zoals:

 'Van alle plekken in mijn lijf

woon ik het meeste in mijn linkerwang'

  

Slaap, wakker worden en alles er tussenin. Zoals slapeloosheid:

  'er is een nacht in de nacht

soms word ik daarin wakker

dan bekijk ik gedachten

het gebouw waarin ik slaap

 

hoe tussen betonlagen het wezen van de stad

met dekens meevalt naar beneden

 

hoe tussen alles wat rechtop blijft staan

de mensen besloten te gaan liggen

 

in alle helderheid kom ik mezelf in mijn borstkapel tegen

(poem poem

(poem poem)

(poem poem)

(poem poem)

           tot de beklimming van de dag

 

waar ik wakker word achter gesloten ogen

met de eeuwig irritante vraag of dat wat niet gezien wordt er ook niet is

 

dat in een schelp een audio-opname kan blijven hangen

geloofde ik tot minstens negentien

Kerstkist

 Over de kerstviering hing bij mij thuis een dreiging. Je zag het aankomen. Mijn grootvader, de ouderling, werd opgehaald en was de enige gast. Mijn jongere broer, die op voet van oorlog leefde met mijn vader, zocht moeilijkheden, bijvoorbeeld door bekken te trekken als opa langdurig uit de Bijbel moest lezen.

 Ook de muziek was problematisch. Mijn vader had gedacht het op te lossen met een grammofoonplaat. Op het label van deze EP stond Deutsche Grammophon Gesellschaft en 'Jesu Joy of mans desiring' en J.S.Bach, de melodie die de organist elke zondag aan het begin van de dienst in opa 's kerk speelde voor hij in zijn kerkepak met het collectezakje rond moest. Er kwamen veel knopen in het zakje terecht.

 'Dit herken je vast wel vader'. Maar opa herkende niks, hij was toondoof. Een zg. 'brommer'.

 Toch was er een lichtpuntje met kerst. 's ochtends, als mijn vader uitsliep pakte mijn moeder de 'kerstkist' uit haar jeugd uit. Vol gebroken kerstballen en pieken, maar ook met de glazen vormpjes voor zandtaartjes, waar mijn broer en ik de kaarsestompjes van vorig jaar in mochten smelten en laten stollen met oude lonten.

 Stak je die aan en liet je deze bootjes drijven in de grote glazen schaal, dan kreeg je een schouwspel van spiegelende vlammetjes, bedacht door haar lang gestorven moeder.

 Licht van lang geleden.

Verdwalen

 De vioolstad Cremona, waar Stradivarius vandaan kwam is gebouwd in een stervorm. Vele kaarsrechte wegen leiden vanuit het centrum, met zijn kathedraal en het baptisterium naar de steden in de Povlakte rondom, waaronder Brescia, waar ik vandaan was gekomen.

 Zuchtend zakte ik neer naast de twee reuzenleeuwen die de kerkpoort bewaken. Hoe was ik hier gekomen? En hoe kwam ik weer terug bij de auto? Ik probeerde verschillende uitval straten. Stuk voor stuk. Maar steeds kwam ik weer langs onbekende gebouwen.

 De weg vragen? Vergeet het. Wat is verdwalen? De zonnestand kon niet helpen, er was geen zon. Wat herinnerde ik me. Dit sportveld? Of was de wedstrijd al afgelopen? Nee. Dit hotel? Evenmin. Al vlug ben je ook de windrichtingen kwijt.

 Mijn vriendin schoot te hulp. En leerde me dat vrouwen anders verdwalen dan mannen. Waar ik was uitgegaan van de logica van de plattegrond zocht zij naar winkeletalages.En dat werkte. 'Ja, dit jurkje heb ik eerder gezien.' Het witte jurkje met gele noppen bracht ons drie afslagen verder bij een ander sportveld, waar nog gevoetbald werd.

'Ja, hier.' De blauwe Peugeot stond onnozel, een zijstraat verder. Het werd donker.

Pagina's