Alfred Schaffer bekroond

 Met de zojuist met de P.C.Hooftprijs bekroonde Afred Schaf­fer - en natuur­lijk Yvonne - werkte ik aan 'Oorlog en pap', het gedenk­schrift van Johnny. Alfred, een polyglot die net zo goed Zuid-Afrikaans sprak als Johnny van Doorns. Hij doceert nu weer in Stellenbosch. In 2006 verscheen zijn 'Schu­im'. Waaruit 'Indien'. Hij is alweer terug naar Zuid-Afrika. Dit heet 'Ik heb je al verzonnen, worstel en kom boven'

 Dit is de eerste dag en kwam je als geroepen, is hier ergens een toilet?

Lopend naast elkaar, jij met een vinger nu en dan bevallig door je haar,

ik met mijn levertraangezicht. Vermoedens als een zware on­weersbui,

Gewoon een uurtje winkelen kun je dit niet noemen. Wat zal ik zeggen,

 

 dat ik hier niet op berekend was? Geen voorgevoel waarin je 's ochtends niet bleef liggen, je nog eens uitrekte. Wat zal ik zeggen,

dat ik hier niet op berekend was? Geen voorgevoel waarin je 's ochtends

niet bleef liggen, je nogeens uitrekte, een been uit bed, de warme lakens,

naast de wekker die je voor een gapend gat behoedt, dat ik je bijna ruik -

wat ik zal herinneren is chemisch vastgelegd. Dat we hier zijn uitgestapt,

 

 nota bene tussen tegenliggers, trams, glazen torens, huizen­hoge spiegels

waarin de hemel verder drijft. Wat wil je horen, liefste anagram, zou je

me kennen als ik nu niet naast je liep? Dat zou je zeker willen weten he,

je kwijlt al uit je mond. Ik geloof dat ik je mag. Nou daar drinken we op.

 

Trudemarie

 Vorige week is mijn Keulse 'tante' Trudemarie gestorven. Ze was een ongetrouwde lerares aardrijkskunde in Keulen en had een broer die priester was. In Duitsland ben je Evangelisch of Katholisch.

 Eens zag ik haar grote ouderlijk huis aan de Klettenberggürtel. Kleine, vooroorlogse ramen in een duistere erker. Ze had ons gezin daar te eten gevraagd. Dat kon omdat haar gevreesde ouders er niet waren. En daar verscheen een Duitse pronkmaaltijd zoals ik nooit had gezien. De oorlog was aan dit huis voorbijgegaan. Het kristal en porselein ongebroken. Vooral de groenige glazen Rijnwijn fonkelden dat het een aard had. Trudchen verscheen op haar paasbest en diende een reerug op, waar dure zilveren vleesvorken in staken.

 Zo was het hier voor de oorlog dus geweest. Een dag later zag ik het gerestaureerde klooster Maria Laach en de Nürburgring.

 Alle overschietende, vele tijd las ik in de boekjes van Rein­hold das Nashorn uit de kinderkrant van de Stern.

 Een neushoorn kan grappig zijn, in Duitsland.

Vis

 Toen W.G.Sebald als docent Duits in Norwich terecht was geko­men  wandelde hij veel door Kent, waar de kust precies ander­som ligt als de onze. Lees 'De ringen van Saturnus'. En hij vertelt over de vis en het vissen. In dat boek staat op pag. 71 de foto van de wonderbare visvangst in Lowestoft. Elk haringvrouwtjekon per keer 70.000 eitjes leggen, die als ze bleven leven de haringvloot zouden bedreigen. Ze lagen een paar voet diep op het strand. En nog wat: dode haring fosforiseert, geeft licht.

 Vissers tot de rand van hun kaplaarzen in een enorme berg haring. De haringstand is sinds de jaren '30 enorm achteruit gegaan. Sebald loopt langs de vloedlijn en ziet nog wel op regel­matige afstand vissers met hengels en transistorradio's. Veel vis is mis­vormd, genetisch aangetast. En dan de aan­g­espoelde rotzooi, resten van een duistere beschaving.

Meestal vangen ze nauwelijks meer iets. Alleen als er kabeljauw tegen de kust aan zwemt of zeldzame schol, brasem of kar­pers.

Ik denk intussen aan de plaat met Sea Shanties, zeemansliederen uit Hamburg, die mijn vader eens cadeau kreeg. Wat je je ook voorstelde bij de foto's, niet dat die mannen ooit zouden zingen.

Des Kaisers neue Kleider.

 Mijn eerste leerboek Duits was dat van Verdenius, Verdenius en Schouten. Het bevatte ook een aantal korte leesoefeningen, die uitmuntten in braafheid. Ik ken ze nog deels van buiten.

 'Der Vater, die Mutter und die Kinder wollen eine Reise m­achen. Der Junge heisst Karl, das Mädchen Mariechen.' Ik weet alleen de laatste regel nog: 'Die Lomotive pfeift, und bald ist das Dorf nicht mehr zu sehen.'

 Het interessantste verhaaltje was voor mij dit: "Gesternabend stelle Ich mal das Radio an. Und was höre ich da? Ein Hörspiel: 'Des Kaisers neue Kleider.' Das machen wir auch mal. Ich bin der Kaiser du bist der Minister und Heinrich ist der Hofmarschall.'

 'Kann Ich nicht Kaiser sein?'

 'Nein das geht nicht. Jetzt sind die Rollen verteilt und das Spiel kan anfangen.'"

 Onvergetelijk, de rol van de regisseur: 'Nein das geht nic­ht.'

Schemer

 In de kinderboeken die mijn grootvader naliet - veel kruis­tochten, winterse kou, Chr. van Abcoude en Joh. Braakensiek en vooral het jongetje dat aan een schaatswedstrijd moest meedoen om een pond reuzel te winnen voor zijn moeder - was het nog winter. Wat reuzel was? Rijkdom, vet.

 Winteravonden begonnen als de schemering inviel. Een vreemd verschijnsel. Ik denk dat Johan Cruyff en Sjaak Swart ook nog in de schemering hebben leren straatvoetballen in het halfdon­ker.

 Erg moeilijk, vooral met een tennisbal. Je ziet de bal nauwe­lijks aankomen, hij duikt plotseling op uit het duister. En dan?

 Lastig was ook de bal over de stoeprand heenkrijgen. Je klemt hem tussen beide schoenen en wipt hem omhoog.

 Soms zoek ik nog op straatmuurtjes getekende clubdoelen. Een getekend doel met daarin met krijt de naam van de club van de buurt: VUC, LENS (het katholieke Lenig en snel­), Laakkwartier, VCS of ADO, dat in alle jeugdafdelingen won.

 Verdwenen.

Berenmachine

 Mijn broer heeft het ver geschopt in de werktuigbouwkunde. Tenslotte ontwierp hij machines voor fabrieken van voedingswa­ren. Zoutjes, drop, wat niet al. Stagneerde zo'n nachine dan stond heel de fabriek stil, terwijl hij razendsnel naar de onderdelenfabriek in Frankrijk reed.

 Reden we door Breda, dan stopte hij soms bij een groot formaat snoepwinkel en zei ''Wach jij even hier dan ga ik kijken hoe onze producten erbij liggen. Bij elke nieuwe soort dropjes hoorde een reclamecampagne en een ontwerp voor een display in etalages.

 Toen ik hem vertelde wat toen mijn favoriete zoutje was, dat was de Cornuco, veerde hij op en zei 'Die maken wij.'

 Het was een variant op popcorn. We stonden in de garage waar hij zijn Harley Davidsons b­ewaar­de.

 'Ik kan voor jou een Cornuco maken zo groot als van hier tot achterin de garage.'

 De laatste tijd eet ik graag 'Pom-Bar'. Dat zijn vrolijke beertjes van aardappelmeel. Wat me opviel toen in zo'n zak openmaakte was dat ieder beertje anders was. Soms staken ze hun pootjes om­hoo­g, dan weer wuifden ze naar je. Ze zaten of stonden.

 Een ingewikkelde machine voor Hans om te bouwen.

 Maar laatst bleek weer dat hij nu een machine heeft ontworpen die geisoleerde ramen voor caravans fabriceert.

Viltbord

 De Haagse zondagsschool waar ik naar toe gestuurd werd als mijn ouders uitsliepen of aan seks deden, werd gehouden in de nu gesloopte school aan de Dovenetelweg. Er was daar een at­tractie, die al snel weer verdween: het viltbord.

 Waarmee het Bijbelverhaal in beeld gebracht wordt door vilten afbeeldingen uit de Schrift op een met vilt bespannen school­bord te kleven.

 De Kerst was eenvoudig: Jozef en Maria met het ezeltje en als vervolg Maria met het kindje.

 Verder lag er van allerlei in de doos, van de oase met kamel­en en palmbomen, en natuurlijk Jezus en een groep discipelen. De vilten achtergrond verbeeldde geel woestijnzand.

 Wat het viltbord de das omdeed was de geringe kleefkracht van vilt op vilt.

 Je wist dat vroeg of laat, midden in het verhaal de meest gebruikte figuur, Jezus natuurlijk, zou loslaten en op de grond vallen.

 En het klasje 'Jezus valt juffrouw' zou roepen en hem zou oprapen. Hoe een vallende Heiland in het verhaal in te passen? Wie had hem te pakken?

 Het bleef daarna stil in de klas.

Andere tijden

 Jammer dat er in onze tijd geen overlevering bestaat van hoe de macht vroeger werd uitgeoefend en overgedragen. Maurits niet langer de keurig gekozen Van Oldenbarnevelt op het Bin­nenhof laten onthoofden.

 De Doge van Venetië werd democratisch gekozen en heus niet zo vaak vermoord. In de brieven die Lord Byron uit zijn Venetiaa­nse tijd Wordt vermeld hoe het mode was op de bin­nenplaats van je palazzo wilde dieren te houden en hoe toen een bronstige olifant ontsnapte, die over het San Marcoplein heen en weer galoppeerde en een lading boomstammen, die op de kade lag alle kanten op smeet. Byron liet zich door zijn gondelier nabij roeien.

 Wat te doen? De politie bellen? Dat was toen het Oostenrijkse bezettingsleger, dat de olifant niet te pakken kreeg. Pas toen er een groot kanon op het San Marcoplein werd aangereden en begon te vuren zakte de olifant ineen.

 Byron beschrijft hoe hij een kanonsbal de olifant aan de ene kant zag binnendringen en de kogel er aan de andere kan weer uit zag komen. Toen was het gebeurd. Byron liep mank. Kwam hem iemand tegemoet dan bleef hij stil staan tot de ander uit zicht was.

 Byrons huishouden werd in die tijd bestierd door 'la for­nari­na', een bakkersvrouw die hij als maîtresse huurde van de lokale bakker. Dat was toen heel gangbaar. Ik bedoel, 'Andere tijden' moet wat verder terug in de tijd.

De machine van Marly (1684)

 Het was Rudy Kousbroek die met wees op de 'Machine van Marly'. Het ingenieuze systeem dat de fonteinen van het kasteel in Versailles liet spuiten. Zo hoog als ze lagen, er moest iet­s bedacht worden om het water om hoog te krijgen. Lodewijk XIV bemoeide zich er zelf intensief mee.

 Ik ging kijken, zoals Rudy het al eerder had gedaan. Een dag later stuurde hij me een pak documentatie. In Marly ligt de plek waar het water uit de gekanaliseerde Seine werd opgepompt en naar het aquaduct, hoog op de Seine-oever gebracht dat tenslotte de fonteinen deed spuiten.

 Water oppompen. Daarvoor charterde Lodewijk twee mijnbouwin­genieurs uit Luik, de gebroeders Renkin Sualem.

 Het water werd maar liefst 162 meter omhoog gepompt. Per etmaal ongeveer 5000 kubieke meter. De constructie duurde 30 jaar en werd op 13 juni 1684 in gebruik genomen in het bijzijn van de koning. Het was de grootste machine ooit vervaardigd.

 De schoepenraderen in de rivier zorgden ook voor de aandrij­ving van de pompen. En dat maakte zoveel lawaai, dat Mme Dubarry (maitresse van Lodewijk XV) klaagde over haar nachtrust.

 Zestig onderhoudsmonteurs hielden de machine draaiend.

 Van de machine is niets meer over.

Paard

 'Naar de Kleine Komedie,' zeg ik. De jonge chauffeur wrijft met z'n hand over zijn gezicht, aarzelt en slaat linksaf. 'De Kleine Komedie, de Kleine Komedie,' mompelt hij voor zich uit. Hij zal een Hindoestaan zijn. 'Altijd maar recht door nu.'

 'Ik weet het wel, maar...'. Ik pas op met routes aan taxichau­ffeurs uitleggen, ik zwijg. 'Ik ben er geweest,' zegt hij dan zacht. Heel lang geleden. Aan het eind van de Kalver­straat? Heb ik dat goed?'

 'Bijna. Aan de Amstel.'

 'Ach ja, de Amstel. Ja, weet je ik was daar voor een kinder­voorstelling. Van school. Afscheid van de zesde klas.'  Ik vraag wat voor een voorstelling dat was. 'Ridders,' zegt hij.

 'Deed je zelf ook mee?' 'Ja.' Weer dat peinzende. 'Moest je een rol uit je hoofd leren?'

 'Nee.' 'Wat deed je dan?' 'Ik, o ik was paard.'

 Als Hollander ga je niet lachen als een alloch­toon je vertelt dat ie in De Kleine Komedie opgetreden heeft als paard. Ik vraag: 'Zo'n paard met twee jongens erin?'

 'Ja zo was het.' 'Was jij de voorkant van het paard of de achterkant?'

 'De achterkant,' zegt hij. Je zag niks, er zaten allemaal lappen om je heen. Het was niet zo leuk hoor.'

 Paard. Half paard. Ook een rol. Hij kreeg natuurlijk een ridder op z'n nek. Het zal warm geweest zijn in het paard. Ik overweeg hem te troosten met het verhaal van het meisje dat in zo'n voor­stelling moest optreden als bosbes, in een koor van bos­bessen. Maar die zag tenminste iets en ze mocht zingen. Nee, dit ligt te gevoelig.

 We stoppen bij de Kleine Komedie. Ik reken af. Voor ik het portier dichtgooi kan ik niet laten te vragen: 'Wat was je liever was ge­weest?'

 'Ridder natuurlijk.' Hij draait en scheurt weg.

Pagina's