IJsland

 Gisteren zag ik nogmaals de film over de twee gebrouilleerde IJslandse broers en hun door het besmettelijke scrapie aan­getas­te gehoornde schapen, die 'geruimd' moeten. Van Kerstmis is in hun verlaten dal weinig anders over dan een kwijnend kerstboompje. Er wordt geen woord aan vuilgemaakt.

 Het loopt verkeerd af. De dood en de sneeuw winnen. Precies wat hier en nu verdwenen is. Geen rendier trekt hier een rinkelende arreslee voorbij. Maar de kerstliedjes en de kinde­rkoren zijn in de winkelcentra nog niet verklonken en Andre Rieu houdt samen met Boris Johnson in Londen de stemming erin.

 Mijn grootvader de ouderling, de schrijver van een mooi essay over de onverenigbaarheid van Christendom en Verlichting, zit onder de kerstboom en herkent in zijn toondoofheid Bachs 'Jesu joy of mans desiring' niet. 'Kom vader, dit spelen ze toch elke zondag bij jou in de kerk'.

 ''t Zegt me niks.'

 Zo kom je in IJsland.

Beeldtelefoon

 Sinds enkele dagen heb ik een beeldtelefoon. Niet alleen anderen zie ik, ook mezelf, pratend. Een voortdurende selfie. Voortdurend zie ik wat anderen, met wie ik in contact sta, zien.

 Het is als op straat, waar vooral vrouwen hun uiterlijk check­en in winkelruiten. Bij mij aan de overkant doen ze dat in de ruit van een kapperszaak. En dan volgen de bekende gebaren. Het haar bijwerken met wat ik noem de 'handkam', het met de vingers als tanden van een kam door het haar heen gaan voor je doorloopt.

 Mag niet te lang duren. Er moet een zekere achteloosheid uitgaan van het aan jezelf voorbijgaan. Een korte blik is voldoende. Waarbij ofwel de conclusie 'kan er wel mee door' ofwel het besluit die avond het haar te wassen. De kapper is gesloten, helaas.

 Ook de lichtval is nu makkelijk te controleren. Ieder mens heeft in z'n gezicht een goede en een 'minder voordelige' kant. In Hollywood bestonden catalogussen met de onvoordelige kanten van filmsterren. Alle cameramensen, belichters, regis­seurs en grime­urs kenden die.

 De beeldtelefoon maakt me overbewust van mijn eigen 'kanten', waar­door ik steeds zit te bewegen, maar ook van die van ande­ren. V­oor het begint zou ik iedereen willen 'neerzetten'. De poede­rdozen moeten ze zelf maar hanteren. 

 Deze kwelling zal pas ophouden als iemand de beeldloze telef­oon uitvindt.

Gouden plaat

 Stierf in 2016. Dit zijn voor mij Eddy-dagen. Een eeuwigdurende schemering. Een keurige man, die zich nogal geneerde voor de honderden brieven die hij in de jaren '40 van meisjes kreeg. Hij bewaarde ze in een kist in het schuurtje.

 Toen wij een tentoonstelling over de jaren '50 maakten kwam hij. Een bijeenkomst in een afgedankte gymnastiekzaal. Ik kondigde hem aan, hij stond op van het gymnastiekbankje en boog. Het werd een comeback, na een periode waarin hij alleen nog voor bejaard publiek optrad..

 Eddy vertelde me van zijn eerste gouden plaat (voor 'Zonnig Madeira'), die bij hem ingelijst boven de schoorsteen hing. Op zekere dag dat hij alleen thuis was kon hij het niet laten hem uit z'n lijst te halen en op de draaitafel te leggen.

'En je gelooft het niet Wim. Wat ik toen hoorde...' (hij sprak je altijd bij je voornaam aan).

'Een accordeonpotpourri van de Drie Jacksons'.

Ze hadden een willekeurige plaat uit de ramsj goud gespoten. Eddy was wat beduusd door zijn succes als eerste Nederlandse pops­ter. In z'n schuurtje bewaarde hij een kist met fanmail.

'Wim, als je eens wist wat die meisjes toen durfden schrij­ven'. 

Christiani was de eerste Nederlander met een elektrische gita­ar, de hij net op tijd uit Amerika had weten te importeren.

'Als je platen uit die oorlogstijd hoort met een elektrische gitaar is het ofwel de mijne of iemand had hem geleend.'

Tags: 

Moezel

 Mijn eerste bergen waren die links en rechts van de Moezel. Die meteen de wens opriepen ze te beklimmen. Meteen. Hoe hoog ze ook waren, hoe ver hun toppen.

 In de Moezel het ik nog gekanood met tante Nel. In de tijd dat je ter hoogte van Winningen nog een afgedamd eiland had dat maakte dat de versmalde hoofdstroom extra hard ging. Iets meer stroomopwaarts in de rivier springen en je werd op grote snelheid stroomafwaarts gevoerd.

 Met om je heen aan beide rivieroevers een spoorlijn, waarlangs stoomlocs naar Trier of Koblenz reden. Nu is de rivier gekana­liseerd.

 De namen van mijn kaartje sjeesden voorbij: Cochem, Traben-Trarbach. Bernkastel-Kues. Weisswein en meer Weisswein. Niet voor mij, dat werd Traubensaft of Johannisbeerensüssmost.

 In ons hotel 'Zum Rebstock' was een 'Bundeskegelbahn' waar serieus gekegeld werd door mannen met witte broeken en petjes met insig­nes erop. Ik mocht kegeljongen zijn. de ballen die aangekomen waren in de hellende houten goot leggen vanwaar ze met donde­rend geraas terugrolden naar de werpplaats.

Geluiden die voortbestaan.

Louis Lehmann

 Als voorproefje van de biografie van de dichter, scheepsarcheoloog, componist en surrealistisch kunstenaar is er nu een boekje van Jaap van der Bent en uitgever Paul Abels. Zijn improvisatievermogen verliet hem tot het laatst niet. Toen lopen steeds moeilijker werd dook hij de steel van een spade op, die voldeed als kruk in het ziekenhuis.  Dat we bevriend raakten kwam door de muziek. In zijn wekelijkse radiorubriek kon je alles verwachten, van Moreau Gottschalk tot calypso of rap.

  Wij hebben veel radio gedaan, zijn composities werden uitgevoerd door Guus Jansen en anderen. Louis zong, speelde wat gitaar en piano.

 En achterin het boekje vind je dan onze eerste 'common groun­d':   

Het is troosteloos

te kijken naar een waslijn

met een oneven aantal sokken

 En soms, als het vochtig weer is

hangen ze er

dagenlang, dagenlang

 Uit de jasjes, die Louis Lehmann (1920-2012) tekende in zijn kleerkast, steken schimmige handen. Alsof hij zou voortleven in zijn kleren. De tekeningen staan afgedrukt in het boekje 'Kleren' dat Alida Beekhuis in 1998 maakte, samen met gedichten over kleren.

 'Als 'k dood ben zijn mijn kleren rare dingen.

De overhemden, nieuw of dragensbroos,

de pakken hangend waar ze altijd hingen,

steeds wijzend naar omlaag, besluiteloos.'

 uit: 'Luxe' (1966, kort voor hij geen gedichten meer publicee­rde): 'Dichten, je kunt het of je kunt het niet. Je hoeft er niets voor te weten.' Daarna werd hij scheepsarcheoloog.

Spiegels

 Het nieuwe nummer van Kunstschrift heeft als thema Spiegels. In de kunst, waar geen zelfportret ontstaat zonder dit hulpmid­del. Je zal wel moeten, tenzij je tot de gezegenden of ver­vloekten behoort wiens aanschijn ze niet loslaat. Die geen spiegel nodig hebben om te weten hoe ze er uit zien.

 Ijdelheid, vanitas Het spiegeltje aan de wand van de boze stiefmoeder in Sneeuwwitje. En als smakeloze toevoeging altijd weer die schedel op tafel. Of in de spiegel. Alsof je ooit zou vergeten dat je een keer zult sterven.

 Wat in dit nummer nauwelijks voorkomt is de spiegel als vijand. De gruwel van het hebben van een uiterlijk. Zodat iedereen kan zien hoe je er uitziet. Niet goed. Een levensla­nge strijd.

 Zo vaak als ik te beginnen met mijn moeder en haar hopeloze finishing touches voor ze de deur uit ging heb staan kijken naar etalages van parfumerieën. Pas nog ontstond er een lipst­ick met de naam Maybelline, naar de eerst hit van Chuck Berry. En toen hem eens gevraagd werdnaar wie hij dat liedje had genoemd zei hij 'The only Maybelline that I ever knew was a cow.'

Nog een laatste blik in de spiegel. Is het echt zo erg? In Den Haag zeiden ze dan 'Als ik zo 'n kop had ging ik er naast lopen.'

Saltus

 Laatste dag. En weer wam ik er langs. Nu sloeg ik af. Het Keizer Wilhelm‑monument markeert de Porta Westfalica waar de Weser zich door het Teutobergerwoud boort. De plek die ik op school leerde als het saltus (van de vierde) teutoburginiensis. Waar ve­ldheer Varus als eerste romein het onderspit dolf tegen de Germanen van Arminius, ofwel Hermann. En Caesar tot de verzuchting bracht: 'O Varus geef mij mijn legioenen weer'.

 Nu staat daar het beeld van Kaiser Wilhelm, waar ik temidden van een schoolklas met juffrouwen uitzag over de laagvlakte

 Vanaf het terras op het keizerlijke monument met uitzicht op de Weser en de Jakobsberg tegenover de televisietoren is het mooi uitkijken.

 Maar het Denkmal zelf tart alles wat Duitsland aan Wil­helminische pracht heeft voortgebracht.

 De schoolklas fotogr­afeerde zichzelf, niet de keizer.

Sneeuw

 Eerst de weg van Lucca naar Viareggio, waar de zwarte hoeren in een lange rij staan, de rug naar zee. Achter Carrara rij je de bergen in. Voorbij de graafmachines en happers die onder witte stofwolken het blikkerend marmer afvoeren.

 Ik steek een paar stukjes in mijn zak. Marmer is een week ges­teente. Makkelijk te bewerken, maar het slijt en vervuilt ook snel.

 Eenmaal boven op de Apennijnenrug kijk je terug, over wat eruit ziet als een sneeu­wlandschap aan zee.

 Hier kwam het blok marmer vandaan dat de David van Michelan­gelo werd. Die nu binnen gezet is en door een kunststof-versie vervangen.

 Er is een bos daarboven met een visvijver. Je kunt er een hengel huren. Vang je wat dan moet je daarmee naar een jongen met een weegschaal, die afweegt wat je moet betalen.

Pivo

 'Zull'n we dan nog maar een pivootje nemen?' vroeg de robuuste Nederlander die we op het Kroatische eiland Krk ontmoetten toen de rij bij de slager almaar langer werd. We waren met z'n zessen in een geleende stationcar.

 Het adres van Anton Pilot, waar we zouden logeren, was mak­kelijk te vinden. Aan de haven, waar de gepensioneerde loods nog steeds woonde. Het eiland Krk bleek een kale, hete vlakte. De bevolking duldde toeristen, maar was bits en mismoedig onder Tito. Koken zouden we zelf. De slager rook je tot in de wijde omtre­k aan de geur van bedorven vlees. De andere b­oodschappen waren macaroni en staatswijn. Om met Peter Sellers te spreken: 'The Procu­pac is not only the best wine in Jugos­lavia, it is also the only wine in Jugoslavia.' We kenden hem van het restaurant in de Amster­damse Frans Halsstraat waar de ober je steevast ver­welkomde met 'Kent u onze Procupac'. 

 Van Krk herinner ik me vooral het schreeuwen van het kleindochtertje van Anton Pilot, dat Zanica heette en haar moeder die haar de ganse dag nariep 'Zanica'.

 Een van ons werd ziek. En zo kwamen we bij de lokale dokter, die snel met haar klaar was: 'Schwanger'. Snel terug dus, over de Karawanken.

Alles rijmt

Pauline Pisa keert weer van haar balkon op het Kanaleneiland. En fietst. Met QUINTUS JOHANNES KWABBENBROEK

Veel ben ik vergeten,

maar niet zoals hij fietsen kon,
het lange stuk bij Maartensdijk,
zijn zadelbibs, topvlees!
De schouders hoog,
alsof hij vleugels droeg
en verend vloog.
En dat ik tussen duim en wijsvinger
zijn bleke wangen tot blossen schudde
en wachtte tot hij au riep.
En er was:
een hand weggestoken in een bandplooibroek,
een Rob de Nijs tussen zijn tanden,
een opspelende mondhoek,
een spencer met een vlek,
een melksnor,
een permanente hoest,
een nicotinelok,
een knobbel op de linker wreef,
een advertentie in de krant.
Tags: 

Pagina's