Oorlog

 Gisteren schreef ik over mijn geëmigreerde Leersumse tantes. En over de Lomboklaan en de Uilentoren, die ik als kind al griezelig vond. Waarom? Er was daar in de oorlog iets gebeurd, zoals op veel plaatsen op de Heuvelrug en de Veluwe.

 En nu kreeg ik een werkstuk uit 2011 van een scholier uit de buurt dat veel oplost. Over wat er op 5 mei 1945 op de Lombok­laan gebeurde. Gebaseerd op 37 getuigenverklaringen.

 De plaatselijke SS zat ingekwartierd aan de Lomboklaan. Er volgt een confrontatie met de Binnenlandse Strijdkrachten, die wapens vervoeren. Er wordt geschoten. Na de schietpartij op de Lomboklaan arriveren verschillende SS-ers en burgers ter plaatse. Er zwerven ook Duitse militairen door het bos. Een chaotische situatie.

 De vuurwapens worden gevonden. Er vallen doden. Omstreeks 12.00 werden op de Lomboklaan burgers naar huize De Steiger gebracht. Er lagen daar drie lijken.

 Groepen burgers moesten door de Lomboklaan langs de lijken defileren.

 De naam van de schrijver van dit onderzoek ken ik niet. Hoe mijn tantes in De Steiger en later ook in de belendende Stroohoed (vanwege het rieten dak) kwamen te wonen weet ik ook niet.

Tags: 

Tante

 Het meisje rechts op de onscherpe foto is mijn tante Be, de jongere zus van mijn moeder, die mijn andere handje vast houdt.

 Dit is de Lomboklaan in Leersum in 1944, die vrij steil omhoog loopt naar die vreemde 'folly' de Uilentoren. Halver­wege woonden de tantes Be en Wies in het huis De Steiger. De tantes die kort na deze foto naar Nieuw-Zeeland emigreerden.

 Mijn vader had een hekel aan Be. Alleen als hij er niet was kon mijn moeder het echtelijk bed aan Be en haar v­riendjes lenen. Ik logeerde vaak in De Steiger en hoorde Be ongeduldig pianoles geven achter de schuifdeuren. Ze had conservatorium gedaan, maar het podium nooit bereikt.

 Wies ging eerst alleen naar Nieuw Zeeland, om poolshoogte te nemen. Mijn vader zag niets in emigreren en riep rond dat je daar 'ziekenhuisvlo­eren moest dweilen'. Be kwam na.

 Eenmaal daar viel alles tegen. Mijn moeder stuurde elke week de Libelle en de Margriet, wat daar hoogstmoderne bladen waren. Ze heeft niet meer gespeeld. Ik heb haar piano geërfd.

 En ze trouwde met de buschauffeur oom Ken, die mij een speldje van 'Bedford' stuurde, maar die ik nooit heb gezien. Samen keerden ze terug naar Engeland, waar hij vandaan kwam, naar Kent.

De tantes

 Ze waren de dochters van de bakker op Wolphaartsdijk in Zeel­and en wat men toen noemde 'overgeschoten'. De beide zusters van mijn grootvader kwamen terecht in het Westland. Honselersdijk, tegenover de veiling, tussen de kassen.

 Tante Bella gaf daar les aan de huishoudschool, tante Dien, die eigenlijk Dingena heette glimlachte stilletjes maar zei zelden wat. Ze deed het huishouden, las boeken en stierf al vlug. Dien was een mooi meisje geweest maar verlegen. De mannen die gekomen waren zinden haar niet. Bij tante Bella ben ik nog tegelmatig op bezoek geweest. Ik kreeg dan thee met een chocolaatje en een Peter Stuyvesant. De asbak had de vorm van een vis. Mijn vader loerde op de 'riem' die ze van een achterneef had geërfd, die omstreeks 1860 vanuit Den Briel was geëmigreerd. Een dubbele riem waarin je geld en papieren kon ver­bergen. Brieven ook. Ik las de brieven van neef, die altijd begonnen met 'Wij zijn heden goed gezond en hopen van u het zelfde'. Ik las hoe hij na aankomst met de trein naar Chicago reisde en het licht opeens uitging. 'k Docht 'k wier doot'. Van tunnels hadden ze in Zeeland nooit gehoord.

Kent

 Kent is de pleepot van Engeland geworden. Het stinkt een uur in de wind. De Guardian beric­htte gisteren over de vrachtrijders die zonder sanitair door Kent heen moeten en de klachten van de truckers en de inwoners van Kent, waar je doorheen moet naar Europa.

 Schijten, pissen of poepen in de buitenlucht. En afvegen met kastanjebladeren. Ik bewaar er mooie herinneringen aan. Maar hoe het dan wel zou moeten? Zoals in sommige Franse aires? Met was­tafels en pleepotten en eens per uur afspuiten?

 Dominic Cummings, de crimineel achter Boris Johnsons Brexit is gisteren vertrokken, maar de vrachtwagenrij staat nog in Kent.

 Er gaat daar veel mislopen. Ach waar bleef mijn eerste nachttrein naar Dover, in de stokoude wagon met schemerlampjes en een ontbijt geserveerd door oude mannen in witte jasjes met tressen.

 En dan naar de BBC, waar het hele lagere personeel bestond uit 'kriegsbeschädigte'. Overal mensen op krukken.

 En interessant: alle microfoons in dat oude gebouw dat zo op een schip lijkt waren identiek. Ging er eentje kapot, dat haalde je die uit de volgende studio. Wat deden we? Praten met Tariq Ali, in het Arts Lab oneetbare Lambs Chop eten, John Peel in z'n huisje spreken, International Times, de Roundhouse en Traffic. Daar houdt mijn Engeland op.

Redding

 Wie kan ons redden van Trump? Na lang piekeren weet ik het: 'Fred Flintstone'. Donald Trump in het kwadraat. Ik berg me in het stenen tijdperk, de tekenfilmwereld van Hanna-Barbera waar Yogi Bear het alter ego is van Fred. Met zijn maatje Booboo in het Jellys­tone Park altijd op jacht naar een onbewaakte 'Pickenick Basket', ter­wijl gezinnen langsrijden, roepend 'look-at-the-bear-look-at-the-bear'. '

 Een omgekeerde wereld van puin, vuursteen, gedresseerde dinosauriërs en loopauto's waarin Betty en Wilma de baas zijn. En waarin niets is veranderd. En toch overtuigender dan SponsBob Squarepants. Als ik Trump en zijn familie zie denk ik 'Yabedabedoo', de hyste­rische muziek, de donderende geluidseffecten.

 Een grap die Trump in zijn artiestentijd al pikte was 'You're fired', dat ik kende van de serie Headline Press Service met Jim Backus.

 En dan waren er nog Huckleberry Hound, Pixi & Dixie en Topcat: 'I hate those mieces to pieces.'

 Mooi zijn ook de stenen tijdperk toepassingen: een mammoet is door zijn slurf de waterkraan, de snavel van een vogel is de naald van een platenspeler, een Brontosaurus dient als bus of graafmachine. Een heel logische wereld, waar Trump precies in past. 

Pailletten, Posen, Puderdosen

 De poederdoos van mijn moeder was een wonder, ook omdat hij zelden werd gebruikt. Na het zien van de tentoonstelling van jaren '20-mode in Berlijn heb ik een beeld van de vrouwen achter de hoedjes. Ze kijken verlaten, licht wanhopig soms. Dat komt, leer ik, omdat er kort na de Eerste Wereldoorlog weinig mannen meer over waren. Kostwinners of minnaars waren moeilijk te vinden. De poederdoos! Je moest er goed uitzien als je uit dansen ging. Misschien is de ongenaakbare blik van mannequins een erfenis uit die tijd. 

 Er komt een 'nieuw vrouwentype': de 'Nachkriegsberlinerin'. Make‑up op straat werd normaal: poeder, rouge, lipstick, oogschaduw en mascara, die namen droegen als Rêve d'or of Tabu.

 Vrouwen emancipatie is zo moeilijk niet, dat bleek na de Eerste wereldoorlog in Berlijn en na de Tweede in Londen. Als de meeste mannen afwezig zijn of dood, gebeurt het. Extravagantie uit Frankrijk, in 1925 de Art Deco tentoonstelling in Parijs met Sonia Delaunay en Natalie Goncharova

 Uiterlijke verschijning geeft zelfvertrouwen. Op eigen benen. Breken met de conventies van het moedertje of de gechaperonneerde dochter. Alleen naar het danscafé, als burgermeisje, voor het eerst. Achter het stuur van een auto, roken, seks.

 En de mode: korte, praktische kleren. De Bubikopf, met pony, die de blik direct naar de ogen stuurt. Weg alle moeite van corsetten, eindeloos uitgekamd lang haar.  Filmsterren als voorbeeld (zwartomrande ogen).

 Emancipatie gaat samen met cosmetica, parfum en make-up. En dat is geen tegenstelling. De poederdoos, het symbool en dan je schminken in het openbaar.  Uiterlijk, onmisbaar in de strijd om het bestaan, denk aan Jean Rhys. 

 Op verpakkingen en flesjes zie je art nouveau, de art déco. De koninklijke kleuren, blauw en goud. Het korset kan weg, er komt elastisch ondergoed. De borsten kunnen weg, de billen ook. En dan wordt de rok korter en volgt de uitvinding van het vrouwenbeen.

De brug van Avignon

 Al in de veertiende eeuw waren er twee pausen, zoals er nu in Amerika twee presidenten zijn. Toen het conclaaf na de dood van Benedictus XI in 1304 wel erg lang duurde besloot de Franse koning een eigen - Franse - paus te benoemen in Avig­non: Clemens V.

 En in 1335 werd begonnen met de bouw van het Palais des Papes. Met zijn torens en kantelen lijkt het meer op een vesting dan op een paleis. Het was oorlog.

 Eerst werd de paus van allerlei ondeugden (ontucht, winstbejag, ketterij) beschuldigd en, toen dat niet hielp, probeerden ze hem te ontvoeren en in Frankrijk te berechten.

 Direct na de kroning waren door hem een hele rits nieuwe, Franse kardinalen aangesteld. Bijna alle fresco's die het paleis ooit sierden zijn verdwenen maar hier en daar is nog wat te zien van de grandioze bals en schranspartijen. En veel goud.

 Behalve een enorme burcht lieten de pausen ook metersdikke stadsmuren bouwen. Hij blonk uit in kostbare kleding, uitbundige feesten en de verfraaiing van zijn pronkpaleis. En dan de brug, de half afgebroken Pont Saint‑Benezet. 'Sur le pont d'Avignon, On y dance...'.

 Ooit telde de oeververbinding 22 stoere bogen maar er zijn nog er maar 4 van over. De rest is door oorlog en watersnood verloren gegaan. Vier bogen en een kapelletje is al wat nog rest.

 En toen? Op een gegeven moment waren er zelfs drie pausen en lag heel de Westerse wereld met elkaar overhoop. 'Sic transit gloria mundi.'

Afscheid

 Toen ik hem in 1972 zag was hij in gezelschap van zijn vriend Johnny Cash, die hem van de drank had afgeholpen en in wiens begeleidingsband hij speelde. Cash zei nog 'Hi honey' tegen mijn vriendin, maar ik wilde met Carl praten.

 Dit zijn de dagen van mijn afscheid van Amerika en daar hoort Carl Perkins bij. En de teenagers uit pakweg 1956, die dansten op de muziek van deze Carl, de gitarist die George Harrison bewonderde, zodat de Beatles drie nummers van hem opnamen.

 We praatten langdurig op de kamer van de vrienden in het Hilton. Carl was op een feest in een kasteel nabij Londen geweest en daar hadden ze hem allemaal omhelsd. Carl Perkins was iemand in Liverpool.

 Carl zei nog: 'Moet je horen, mijn zoontje kwam laatst van school en vertelde: 'Dad, you're in a book.'

 De juffrouw had het zelf gezegd. Er was een boek verschenen, een echt boek, over onder meer rock'n roll en daar stond z'n vader in, met foto. In een boek staan, dat was wat in 1972.

Carl was jong kaal geworden en droeg pruikjes, waarover hij grapjes maakte. En nu denk ik aan zijn liedje 'Leen me je kam'. Een teenage-stel komt thuis van een feestje, en hij moet zich nog fatsoeneren voor hij haar bij haar ouders thuisbrengt:

'Lend me your comb

It's time to go home

Gotta confess, my hair is a mess...'

Solipsisme

 Wie me nu werkelijk interesseert is de eenzame man in het Witte Huis, die blijft zitten tot ze hem door de poli­tie laten weghalen. De wanhopige schoonzoon, die zijn kamer binnenkomt en hem nog steeds aanspreekt met 'Mister President'. En moet zeggen: 'Mister President, u bent geen president meer.'

 Ik denk aan de film Dr. Strangelove waarin een aan de zelfde ziekte lij­dende generaal zich heeft opgesloten in een legerbasis van­waar de dodelijke raketten worden afgeschoten.

 De alternatieve werkelijkheden van machthebbers kunnen tot rampen leiden. Wie in de buurt is moet de rode knop goed verstoppen.

 Solipsisme (van solus, alleen, en ipse, zelf) is het geloof dat er maar een enkele waarheid bestaat, de zijne. De hele wereld, alle anderen waarmee gecommuniceerd wordt bestaan slechts in de geest van de waar­nemer. Denk aan de juichende mensenmenigte die Trump bij zijn inhuldiging als enige waarnam. Kim Yong Un herkende het. Vandaar hun merkwaardige vriendschap.

 Solipsisme is de naam voor deze ziekte, waarin alleen het eigen ik bestaat. Allereerst beschreven in 1886.

Omhoog

 Benedenaan het heiligdom van Vicoforte in Piemonte vroeg ik een monnik of hij wist hoe het mogelijk was dat de autoweg van beneden, ooit aangelegd om hele parochies omhoog te voeren en kortgeleden weer hersteld, in zo'n kaarsrechte lijn was aangelegd?

 Met een halte halverwege bij het ziekenhuis. Hij hield een helder betoog over zichtlijnen. Hier ontmoetten de 19de en de 20ste eeuw elkaar. We liepen naar het Belvedère parkje onder de alleenstaande klokketoren. Daar legde hij uit dat Jezuïeten in 1850 afstandsmetingen hadden gedaan, met als ijkpunten vier klokkentorens in de buurt, die hij ook aanwees.

Een moeder en twee kleine meisjes deden ingewikkelde spellet­jes met hun springtouw om ons heen, maar ik kon ze niet uit­leggen wat we aan het doen waren.

Daarna begon ik een onderzoek naar de werking van de nabije funiculare, die op waterkracht liep, met water aangevoerd door

de nabije beek. 

Eenmaal in het benedenstadje bleek de Maria op vernieuwde toegang vers geschilderd en lang niet gek. Rudy Kousbroek zou verrukt zijn geweest over de combinatie van de eeuwen hier. Waterkracht, schilderkunst en geloof. Een applausje van Leonardo.

Pagina's