Truus Roeygens en het vergeten

 Kan vergeten leeg zijn? Het mijne is vol driftig rondtas­ten. Je weet of je iets ooit geweten hebt of nooit. Toch kies ik dit gedicht uit het nieuwe Liegend konijn van Truus Roeygens (1964) uit Brugge, een debuut. Om de kwallen en meer. Ze spoelen aan bij Oostenwind, eens was ik een middag lang bezig ze terug naar zee te geleiden. Vergeefs.

 'je staat op de strook met kwallen

die als vergrootglazen naar het blauwe licht staren

 

je ziet dat ik mijn voeten verlies in water en probeer mijn gedachten te redden

je zegt dat duinen als neuzen uit het zand steken en dat er een meeuw

 

laag en wit tusen mijn lippen hangt

je hebt het nooit zien gebeuren

 

maar je kunt het je wel voorstellen

je probeert het, het siert je

 

maar zo werkt dat niet

water en vuur kunnen niet worden gescheiden,

 

het kan niet, maar heel even kwam alles terug

de suikerboonmossel, Legovuurtorens, onze dag- en nachtspieren

 

ik geef je de leegte van vergeten

 

welke leegte is dat niet?'

Planet of the apes?

 Dit intrigerende beeld komt uit de film Planet of the apes (1968) van Franklin Schaffner waarin ruimtevaarder Charlton Heston in een verre toekomst belandt. Hij ziet daar nog net de top van het Vrijheidsbeeld boven de resten van een verwoeste aarde uitsteken. De apen hebben de planeet overgenomen.

 Je gaat je de tsunami's indenken die hieraan vooraf gingen.

 Dit als vervolg op mijn verhaal van gisteren over de architect Soane en zijn schilder Gandy, de 'ruïnebouwers' die rond 1800 net zo in de toekomst keken.

 Er bestaat ook een schilderij van Hubert Robert uit 1808 met de denkbeeldige ruïne van de Grote Galerij van het Louvre.

 In tijden als die van de Franse Revolutie lijkt alles mogelijk.

 In het heden, met klimatologische rampen in zicht wordt Planet of the apes opeens voorstelbaar. Veel staat op losse schroeven wat - net als architectuur - tot voor kort onwrikbaar leek.

 De ruïnes van de toekomst lijken steeds dichterbij te komen.

 

Soane en Gandy

 Een architect die werkelijk eindigde als ruïnoloog was de Engelse architect John Soane (1753-1837), die je niet kunt noemen zonder de man die levenslang zijn werk zichtbaar maa­kte, de schilder Joseph Gandy (1771-1843)

 Romantiek, de tijd van 'follies' als een vervallen tem­peltje dat je in je park liet bouwen. De beroemdste is die van de Bank of England, die werkelijk gebouwd is en in 1925 gesloopt. Soane had hem graag als ruïne gebouwd. Gandy - die in Rome geweest was - heeft toen het vol­tooide gebouw geschilderd en daarna de bank als ruïne.

 Waarom? Dat vraagt Christopher Woodward zich af in zijn boek 'In ruins'. En hij komt met de verhalen die Soane ophing bij de ruïnes die hij werkelijk gebouwd heeft. In 1802 liet hij dit persbericht uitgaan: 'Er zijn onlangs op het landgoed Pitshanger in Ealing overblijfselen ontdekt van een antieke tempel die ik voor de liefhebbers van de oudheid zal beschrijven': De ruïnes van een zuilengalerij achter de keukens, met een altaar dat suggereert dat dit de plek van een Romeinse tempel was, en na verdere opgravingen werd een grote hoorn ontdekt, die me laat concluderen dat het een tempel was gewijd aan Jupiter Ammon'.

 Deze 'vondsten' werden gepresenteerd aan vrienden die naar de summer fair in Ealing kwamen. Natuurlijk was het een grap, bedoeld om de modische handel in oudheden belachelijk te maken. Het gaat verder als Soane bij de sloop van het verbrande oude parlementsgebouw in de ruïnes van het oude Hogerhuis een monnikencel van een 'Padre Giovanni uit de 13de eeuw vindt met de inscriptie 'Alas poor Fanny'. Een liefdesgeschiedenis? Nee, Fanny was de naam van de hond van Soane.

Huis

 Geobsedeerd door huizen - binnen en buiten - als ik ben blijf ik in de bundel van Guillaume Apollinaire (1880-1918) 'Het raam gaat open als een sinaasappel', vertaald door Kiki Coumans, haken aan het gedicht 'Oceaan van aarde', opgedragen aan de schilder Chirico, waarin de Eerste Wereldoorlog doorklinkt.

 'Midden in de Oceaan heb ik een huis gebouwd

De ramen zijn rivieren die uit mijn ogen stromen

Overal over de muren krioelen inktvissen

Hoor hun drie harten slaan hoor hun monden op de ramen kloppen

                        Vloeibaar huis

                        Gloeiend huis

                        Gezwind seizoen

            Vliegtuigen leggen eieren

            Opgepast we gaan het anker uitwerpen

Opgepast we gaan inkt spuiten

Het zou mooi zijn als u uit de hemel kwam

De hemelse kamperfoelie klimt

De aardse inktvissen pulseren

En zovelen van ons zijn hun eigen doodgraver

Bleke inktvissen in de krijtkleurige golven of bleekmondige

            inktvissen

Rondom het huis is deze oceaan die je kent

En die nooit stil is'

Dromen

 In gedichten komen nog wel eens dromen voor, verder lees je ze zelden meer. Ik droom vrijwel elke nacht, altijd langs de zelfde lij­nen. Zoals Gerard Reve het een keer noteerde uit de mond van een jongen die droomde van een huis dat ook weer geen huis was in een stad die ook weer geen stad was etc..

 Waar zou die passage staan?

 Bij mij is het stramien eenvoudiger en altijd eender. Ik moet iets oplossen dat ononplosbaar is. Zoals een adres vinden in Rotterdam dat ook weer niet Rotterdam is. In een buurt die ontstaat terwijl ik zoekend de ene na de andere straat in rijd, me verstrikkend in een opgebroken omgeving.

 Er is altijd haast bij. Er moet iets worden opgelost en het is mijn verantwoor­delijkheid.

 Met romans lezen overdag vergaat het me vaak net zo. Ik begin te lezen, maar val al lezend in slaap. Dat geeft niet want ik lees in mijn slaap gewoon door, zij het dat het boek gaandeweg verandert. Maar terwijl ik doorlees bedenk ik dan vaak 'dit kan nooit', Nescio is nooit in Amerika geweest en ik was daar ook niet bij.

 Soms denk ik in zo‘n droom: 'Ik droom dit dan misschien, maar zo is het boek wel beter'.

Tags: 

Remco’s portret

 Vorig jaar, tijdens een huldiging moest ik in de Amsterdamse Brakke Grond het podium op om met Remco Campert te praten over onze 'radiojaren'. Hij beklom het podium over het trapje rechts, ik kwam over het trapje links. We kwamen allebei op leunend op een stok. Een komische vertoning. Wat Remco onderstreepte door te zeggen 'twee wrakken'.

 De zaal lachte. Ik liet een aflevering van de Harm en Miepje Kurk-story horen en daarna een hoorspelfragment waarin Remco zelf speelde, een verhaal dat verwees naar zijn jeugdjaren in Kijkduin bij Den Haag dat ik goed ken, waar mijn moeder woonde en mijn grootvader, de gewezen kapitein, de fietsenstalling pachtte.

 En nu lees ik het portret dat Mirjam van Hengel van hem schreef: 'Een knipperend ogenblik'. En blijken we nog meer te delen dan ik al wist. Haagse jaren (je hoort het nog, er zit geen spoor van Amsterdam in zijn stem), maar ook de Veluwe. Zie daarvoor ook de verhalen in mijn boekje 'De gabardine regenjas'.

 De intocht van de Canadezen. Bij hem Epe, mij was het Zutphen waar ze in huis kwamen. Een van hen, een timmerman, timmerde van overgebleven hout wat later 'het Canadezenkastje' heette om mijn schaarse speelgoed in op te bergen.

 Nu moet ik ophouden en verder lezen - bladeren deed ik al genoeg. Mirjam van Hengel heeft het onmogelijke gedaan. Een portret gemaakt waarvan je meteen zegt ‘ja, sprekend’.

ps. Er zijn nog een paar ex. van de Gabardine regenjas, bijna op. Te bestellen bij uitg. Avanti door een mail naar yolnus@xs4all.nl

Tags: 

Tuintip

 Toegegeven, ik praat onder het water geven soms tegen de planten op mijn balkon. Zoëven nog tegen het voor mij naamloze aanwaaisel dat eindelijk blauwe bloemen voortbrengt, met kelken die zich 's avonds toevouwen. Zou het helpen? In haar dichtbundel 'Verzonnen grond' geeft Désanne van Brederode deze 'Tuintip' in dichtvorm:

 'Soms moet je planten voordoen/ hoe te bloeien.  Gewoon met groen/  beginnen en de ruggengraat/ geleidelijk ontrollen/ tot hart en hals rechtop gaan staan,/ maar zwenk- en wuifbereid.

 Wervels waartussen/ dun koperwater kleine blaadjes vormt/ ribben die plots in samenhang/ gaan zweven, generfd en geur-/ doorlatend durven worden:/ de keuze tussen lelie, lisdodde en dille/ hoeft niet gemaakt, citroenen/ en amandelen niet af­gewacht./ Vooral: geen wenkend/ zuiden denken aan de horizon.

 Het zijn maar pogingen/ tot een post-bloesemkunde en het mag/ op ademhalen lijken of op breken,/ op beide tegelijk. Het kan/ aan ongestemde vingers toch/ die hoge oermuziek ontlokken/ die enkel opmaat blijft./ Een reiken al naar herfst,/ het afschud­den van winter:/ glanzend interval/ of wankel pauzenummer - / het liefste zonder wortels,/ in verzonnen grond.'  

Zie, 't zijn vorstinnetjes!

Geur en smaak van het verleden

 Toen ik elf jaar oud na het 'knippen' van mijn amandelen wakker werd in het Haagse kinderziekenhuis kon ik nauwelijks eten, maar werd me voorgehouden dat ik een ijsje zou krijgen. Het ijsje kwam, maar het smaakte bijzonder vies. Naar smeerolie of zoiets.

 Dat ging over, wel bleek dat mijn reuk en smaak uitzonderlijk scherp waren geworden. Vooral voor de geuren van andere mensen. In het bijzonder de tantes die op bezoek kwamen. Wat er niet voor geuren in al dat ondergoed huisden, in hun bontjassen aan de kapstok. Als ik van school thuiskwam kon ik meteen in de gang al ruiken wie er op bezoek was.

 De laatste jaren leerde ik van de architect Pallasmaa dat de zintuigen altijd samenwerken. Als je iets ziet moet je wel iets horen, als je tante Bella ruikt zie je haar ook en hoor je haar stem.

 In de woorden van Baudelaire 'spreken zintuigen met elkaar'.

 De Madeleine van Proust, het cakeje dat hem naar zijn jeugd terugbracht is fameus. In eerdere versies is het overigens een gebakken boterham. Ik was in Commercy, waar ze gemaakt worden en je ze bij je ontbijt krijgt: mierzoet.

 In een gedicht in de Fleurs du mal, getiteld Het parfum verklaart Baudelaire het zo: 'Diepzinnig toverwerk van het herboren verleden dat ons, heden, dronken maakt!'

 In 'Gekleurd verleden' roept Cretien van Campen de tijden op dat foto's en film nog niet alle verleden opeisten. Bij een brief werd vaak een geurend souvenir gevoegd. Flaubert en Louise Colet voegden ook zakdoekjes handschoentjes en geurende haarlokken bij hun brieven. Van 11 augustus 1846:

 'Ik leid een dromerig bestaan in de plooien van je japon, onder de lichte krullen in je haar. Ik heb er hier een paar. O wat ruiken ze lekker! Als je wist hoe ik aan je stem dacht, aan je schouders, waarvan ik de geur zo graag opsnuif!'

Het nieuwe Liegend Konijn is er.

 Hij is er! De tweede editie (2018/2) van de halfjaarlijkse keuze van Jozef Deleu uit wat Vlaamse en Nederlandse dichters hem stuurden aan nieuwe gedichten. Vaak van dichters van wie je nog nooit hoorde. Zoals Marieke Maerevoet (1948) uit Bornem. Hier aan haar de speeltafel in haar eigen casino. met 'rien ne va plus':

 'als de dag nog even treuzelt voor hij de nacht ingaat,

glippen de herinneringen binnen. geruisloos nemen ze

mijn stoelen en banken in, nestelen zich in mijn zetel, lezen

mijn boeken, passen mijn kleren. ze neuzen in kasten,

en in lades, dragen mijn lievelingsgeur op hun huid,

in hun haren.

 

 in de zomer volgen ze me naar het terras, drinken wijn

uit hoge glazen, lachen om niets en blijven op steeds

eendere muziek eindeloos dezelfde passen herhalen.

wil ik ze herschikken, herroepen, herdopen, ze zetten

tanden en nagels in, plooien wijd hun stekels open.'

Vatklant

 Je vulde het 'binnenblik' met olie en zette het ondersteboven in de houder naast de oliekachel. Onderin de kachel lag een touwtje asbest. Nu moest de bodem gevuld worden met een laagje stookolie en daar gooide je dan een lucifer op en weldra verspreidde zich een behaaglijke warmte door het huis.

 De oliekachel liet heel de nacht weten dat ie brandde. Was je even wakker dan hoorde je hem zichzelf bijtanken uit het bin­nenblik, dat onderin een mechaniek bezat dat de dichter Bernlef de 'koper­en tepel' heeft genoemd. De tepel sloeg naar binnen als er olie nodig was en tankte zo de kachel bij, met een karak­teristiek geluid. Kadunk, kadunk. Er zal geen opname van bewaard zijn.

 Later woonde ik beneden en werd bevorderd tot 'vatklant'. Er kwam een olievat op het achterplaatsje, de olieman reed elke maand voor en rolde zijn slang door het huis uit om mijn vat bij te vullen.

 Meteen maakte hij dan de kachelbodem schoon, want die ging op de duur roeten. 'En nam afscheid met altijd dezelfde zin: 'Hij brandt weer Rivierablauw meneer'.

 Met de komst van het aardgas verdwenen deze woorden. 

Pagina's