Canyons of my mind

 Op 29 augustus 1969 trad de Bonzo Dog Band op in Paradiso. In een minifestival op een lange, warme avond, Alles liep uit. Radio-opnamen van het orkest maken bleek vrijwel onmogelijk.

 Hoe kreeg je microfoons op de juiste plaatsen op een overvol podium waar niet alleen het drumstel van 'Legs' Larry Smith maar ook de talloze attributen een plaats moesten krij­gen. Ik had ze die middag zien komen. Kartonnen dozen vol instrumenten uit de pawnshop, een tuinslang met een trompetmondstuk, robot onderdelen van Roger Spear, waaronder het elektrische been. Een gipsbeen met een gitaarelement erin. Die avond zou hij tijdens de show de 'mad professor' spelen, in stofjas met soldeerbout in de weer omdat zijn robots steeds weer weigerden. Ik ben later bij hem thuis in Londen wezen filmen. Kijk op Avondlog.

 Maar de kern van het orkest was de schrijver en voordrachtskunstenaar Vivian Stanshall. Over hem heb ik later nog eens uitvoerig gepraat met orkestleider en gitarist - en vooral hulp en toeverlaat - Neil Innes. Nu waren ze uitgeput, de band had net een Amerikaanse tournee overleefd.

 En toen kwam het magische moment. Na het duistere, doorrookte optreden werden de zijdeuren van Paradiso geopend. En een heldere zomerzon bescheen het gezelschap; kermis artiesten. Stanshall zat naast me op de rand van het podium. Er volgde een interview zonder woorden. Over het einde van de Bonzo Dog, dat hierna spoedig zou komen.

Van Oudshoorns lamp

 De dagboeken van J. van Oudshoorn (1934-1943) zijn een - zeer Haags – toevluchtsoord voor me. Twee delen uitgebracht door de bibliofiele Statenhofpers met zelfs zorgvuldig herdrukte brieven inclusief envelop en zo meer. Dit onder het kopje ‘Lamp’ (1941):

 ‘De professor was zóó verdiept in zijn lectuur, dat hij niet bemerkte, dat de lamp uitging! De meeste menschen praten zoo verder – over een leven nà dit leven, over wat er bij hun begrafenis al dan niet moet gebeuren – zonder, naar analogie van den prof, te beseffen er toe te zijn overgegaan iets te doen, waarvoor intussen de spontane mogelijkheid kwam te vervallen.

 M.a.w.: waar in het gewone laag bij de grondsche leven de lamp plotseling uitgaat, zal ook wel zonder meer met leven worden opgehouden = Terwijl bij zg. vluchten naar het bovenaardsche doorgepraat wordt, ook al schijnt voor praten als zoodanig het geestelijk licht sinds lang niet meer. In dit verband ook Hegels uiteen willen schuiven van een voorhang, dat een “Jenseits” zou moeten versluieren. Iets aan de overzijde, iets nieuws willen vinden, zonder te beseffen, dat dit neerkomt op een zoeken naar de bril die men nog op heeft = ‘

 ps. Ik kende een vrouw die in halfslaap op haar zolderkamer een gordijn opzij kon schuiven waarachter haar al lang gestorven moeder en grootmoeder geanimeerd in gesprek waren.

Gezichten

 Wat maakte Taxi Teheran van Jafar Panahi uit Iran zo goed? Wat maakt zijn nieuwe '1, 2, 3 faces' zeker zo goed? Hij heeft een filmverbod in Iran, maar maakt toch de ene film na de andere.

 Ik denk dat het zijn werkwijze is. Hij filmt 'zoals het gaat', al bewaakt hij de dramatische lijnen secuur. Als hij in een uithoek bij Azerbeidzjan samen met een min of meer bekende actrice gaat zoeken naar een weggelopen meisje dat actrice wil worden - en ook een toelatingsexamen haalde in Teheran - komen ze bij oer­conservatieve bergbewon­ers terecht, waar meisjes die actrice willen worden onbestaanbaar zijn. Ze heeft dan ook gedreigd met zelfmoord.

 Panahi blijft kalm, is steeds regisseur en psycholoog tegelijk.

 De enige acteurs zijn hjzelf en de tv-ster uit de grote stad. De dorpsbewoners zijn overtuigend wat ze zijn.

 In de slotscene valt een detail op, dat niet wordt uitgelegd maar wel opvalt. Als de luxe wagen met de drie gezichten de berg af, het dorp uit rijdt zit er opeens een stervormige barst in de voorruit die er eerder niet was. En je herinnert je de massieve oudere broer van het meisje dat aan het toneel wil, die een enorm kabaal heeft getrapt - meisjes horen dat niet te willen - en daarna door zijn moeder het huis uit gestuurd is. Hij zit op de stoep voor het huis met een grote steen in zijn hand.

De lach van Chlebnikov

 Het laatste grotere werk van Velimir Chlebnikov (1883-1922), vertaald en ingeleid door Aai Prins en uitgegeven door MBondi, draag ik al een tijd mee. Zangezi is een profeet. In een soort theaterstuk wordt hij omringd door figuren als 'Lach', 'Eros', een aantal genummerde 'Voo­rbi­jgange­rs', maar ook sprekende 'Bergen, verre bergen.' 

 Toen de revolutie van 1917 kwam werd hij overstemd door het kabaal van de futuristen en werd iets halverwege een clown en een visionair. Eind 1920 trok hij met het Rode Leger mee naar Perzië, een mislukte veldtocht. Toen hij stierf stond op zijn kist 'De eerste president van de wereld'. Hier is het personage 'LACH' aan het woord:

 'Als een gems over bergen van rede/ Trippelt de lariekoek luchtig/ Dat is het credo/ Van mij, een speknek, machtig en lustig./ In ijzeren zeeleeuwendraf/ Volbreng ik mijn reizen. Bloeiend is mijn lach/ In het flonkerend ijzer/ Met mijn flonkerend ijzer./ Met mijn machtige hand in de zij, Schud ik mijn enige oorring. / Met schaterbrokken brand-/ hout stook ik mijn blauwe verstand./ En klaterlachend wijs ik naar degeen/ Die achter het gordijn verdween./ Uit, die schoenen van de rede!/ Hier heb je m'n zwetende tenen! (...)'

 Wacht tot 'LEED' aan het woord komt!

Tags: 

Maria van Gelre komt

 De Française (1380-1429) die van het Parijse hof werd uit­gehuwelijkt aan de ambitieuze Reinald, hertog van Gelre kwam in een verre boerse uithoek terecht waar ze misschien net zo exotisch was als Clais Voncke, die in het najaar van 1405 in Nijmegen verscheen met zijn kameel.

 Maar de hertogin leerde snel, ook de taal. En uit het portret dat Johan Ooster­man van haar schreef leer ik dat ze in Gelre rondreisde  met haar hofhouding, waaronder haar papegaaien, soms wel 60 kilometer op een dag naar Hattem, Zutphen of Lobith. In al die plaatsen moesten hertogelijke residenties op orde gebracht worden, waarvan de rekeningen zijn bewaard: 'tegen mijnre gnediger vrouwen komste'. Ze kreeg ook af en toe bezoek van 'Francricxsche heeren', kennissen uit haar verleden aan het Franse hof.

 Reinald liet veel bouwen en fokte vee. Een herenboer.

 Maria's uitgebreide gebedenboek, met prenten die doen denken aan de gebroeders Van Limburg wordt de kern van de tentoonstelling over haar in Nijmegen, vanaf 13 oktober in het Museum het Valkhof.

 Hofhouden op het Nederlandse platteland, in Grave of Zutphen, dat kon! Maar Maria bleef kinderloos. Toen Reinald stierf was het afgelopen.

Hapschaar

 Komt van 'happer' (vastpakken) en 'chair' (vlees) en betekent veel, van 'iemand die een grote mond opzet en wartaal uitslaat' tot 'penningmeester'. Vooral is het de titel van de hoogstpersoonlijke 'encyclopedie' die Anneke Brassinga in 1998 maakte en die nu gelukkig herdrukt is.

 Vat jezelf eens samen! Maar ze doet het, in regels als:  'Intimiteit is een teer punt, soms ook een botte tuinschaar.'

 En monologen als: 'Vannacht, in de volle vuilniszak, lag ik urenlang ouderwets te woelen en te malen Er zat een oude, tandeloze rat aan de buitenkant te peuteren, dan kun je nog beter een fluwelen kunstgebit hebben. Zo'n zak is erg gehorig. Ik knipte een gebocheld schemerlampje aan - altijd nog wel een uurtje stroom in zo'n afdankertje - en grabbelde wat losse flarden van een oud telefoonboek uit de koffieprut en overige niet nader te noemen restanten van een hoerenkasthuishouden. Heb ik die rat voorgelezen, tot hij in slaap viel - ik hoorde zijn gesnurk. Niet lang daarna, zo gaan die dingen, zijn ijselijke doodskreet (...).'

 En iets als: 'Niet bestaan. Nooit bestaan hebben. Maar op zoek zijn naar iets zijn, schreeuwend van verlangen naar al is het maar een suikerzakje zijn. Van het schoteltje getild door vingers, opengescheurd, niet eens aandachtig maar verstrooid, en leegstromen, oplossen. Bestaan hebben.'

Autogezichten

 Zo goed als huizen gezichten hebben, waarin ramen ogen worden en deuren neuzen, zo hebben auto's gezichten die angst of juist vertrouwen inboezemen. 

 In de dichtbundel 'De bedwelmingsman verroert zich' van Hans Dekkers staat het eenvoudige 'Een Simca', waarin de auto een gezicht heeft. En ja, de Simca Aronde die bij mij in de straat stond had een opengesperde mond met chromen lippen en zacht geloken ogen. Zo dat je haar in het langslopen wel even moest aanraken.:

 'zoals hij aan opa's hand bij het elektrische/ knetteren en vonken van een bovenleiding/ van een trolleybus in Arnhem/ voor het eerst ozon rook

 zo is alles nieuw in de Simca/ op weg naar Italië de raampjes open/ de geur van de bekleding, de haarspeldbochten,/ het opgestoken haar van zijn moeder,/ talloze kapsels die nog zullen volgen

 de Simca met zijn lachende gezicht als voorkant/ cabine van de toekomst, verschiet, de tijd die zal zijn,/ hapt met een grijns eindeloze wegen weg'

Zeee

 Vanmiddag stond op het leitje van de red­dingbrigade: 'Temperatuur zeewater 13 graden'. Waarheen nog? Het is al laat, de drank is bijna op, het feest sterft. In Den Haag was het stilzwijgende antwoord 'naar de zee'. Het wordt koud, de stelletjes die zich gevormd hebben warmen zich aan elkaar en schuilen in hun jaskragen. Eenmaal aan de duinrand is er altijd een jongen die verhalen vertelt waar gedempt om wordt gelachen tot het stil wordt en alleen het geluid van de branding en het zicht op de onein­digheid, de einder overbl­ijft. Het was Johnny van Doorn die het vastlegde door het woordje zee met drie e's te spellen: 'zeee'. Zo sprak hij het ook uit: 'zeee'.

 Het wordt al licht. Op de tentoonstelling 'Aan zee' in het Haags Gemeentemuseum hangen foto‘s van Stephan Vanfleteren van de Zeeuwse kust onder de kop ‘Verlangen naar verstilling’. Erik Lindner schreef er dit gedicht:

 ‘Einderstrepen die de zee de lucht in trekken/ strepen in zee

de zon ligt in de kom van de wolken/ die haar vorm ontnemen

paarden stapvoets in een rij op het zand/ strandpalen tot diep in het water met op elk hoofd een vogel

een schip in het wit van zijn schuim/ de lichtstippen op mijn ooglid

vrachtschepen die het water van zich wegduwen

zandbanken in de baai/ golven die ernaast aanspoelen

krekels in het helmgras/ voetsporen waarvan de hielen de harde laag zand openbreken

zand met maar enkele schelpen/ in elkaar uitlopende vlekken op de zee.’

Olga, een Duitse

 Olga, de Duitse dienstbode die meemaakt hoe niet alleen haar geliefde maar een heel volk de draad met de realiteit verliest.

 De vraag van haar leven wordt. 'Waarom denken Duitsers te groot? Steeds weer?' De fabel van Lebensraum!

 In de nieuwe roman van Bernhard Schlink - bekend van 'Der Vorleser' - moet het antwoord komen van Olga's levensgeschiedenis, die de van de jaren rond 1900 reikt tot haar dood in 1971, als ze omkomt bij een poging van de RAF het standbeeld van Bismarck op te blazen - het grootheidswaanzinige genius dat - meent zij - haar leven verziekt heeft.

 Te groot, te veel. Ook voor haar jeugdliefde Herbert is Pommeren waar ze opgroeien te klein, hij wil de wereld veroveren, trekt met de Duitse koloniale troepen naar Duits West-Afrika (tot 1915, nu Namibie) en vecht met de Herrero's en daarna zoekt hij het bij de Noordpool, waar Amundsen hem voor is. En verdwijnt. Onvindbaar.  

 Daar ligt de sleutel van dit wereldomspannende verhaal: Olga blijft hem brieven schrijven, poste restante in Tromso, die pas na haar dood door de schrijver worden teruggevonden. Het lijkt wel of hij ze niet verzonnen heeft maar in een archief gevonden, zo 'echt' zijn ze.

Illusionisme in Korea

 Het nogal onbegrijpelijke stadsmeisje Haemi ontmoet na jaren haar oude dorpsgenoot Jongsu weer en vraagt hem meteen op haar kat te passen. Maar wat hij na haar vertrek ook zoekt, er is geen poes in het appartement. Wel een etensbakje.

 Haemi lijkt zelf ook een geestverschijning. Ze heeft een passie voor verdwijningen en verdwijnen. Een illusioniste is ze ook. Zonder duidelijke aanleiding pelt en eet ze aan tafel een onzichtbare mandarijn. Ze kan een beetje toveren.

 World Cinema loopt op z'n eind en ik had het geluk de Koreaanse film Burning - vrij naar een kort verhaal van Murakami - te zien.

 Dat zit vol onbegrijpelijkheden, waar regisseur Lee Chang-dong losjes mee speelt. Haemi keert uit Afrika terug met ene Ben, die graag 'greenhouses' in brand steekt - de uit doorschijnend plastic gemaakte groentekassen op het Koreaanse platteland. Maar waarom? Haemi verdwijnt en Jongsu zoekt haar. Heeft ze als kind dagenlang in een waterput gezeten? Was er een waterput in het dorp? 

 Bij Murakami is onoplosbaarheid vaak het eigenlijke onderwerp.

 Maar het boerenland aan de grens met Noord-Korea is prachtig.

Pagina's