Zwemboot

 Mijn vriendin droomde veel. Een soms voorkomende droom­soort noemde ze 'zwembootvliegen'. Ze zweefde dan gewichtloos boven een wateroppervlak, dook er soms even in onder of steeg er boven de lucht in. Heel aangenaam. Daaraan dacht ik bij 'De Zwemmer' in de nieuwe bundel 'Nachtboot' van Maria Barnas:

 'Er is iemand die naar huis wil zwemmen.

Hij zwemt in een rechte lijn

 

door zwembaden sloten een fontein

en spreekt met niemand over zee

 

of heimwee. Hij spreekt met niemand.

Er is een holte in hem als een ondiepe kelder

 

waarin hij een paard levend begraaft.

Hij schudt de aarde op.

 

Het past precies als het dier op de zij ligt

en de adem inhoudt. Adem in!

 

Er is een holte als een heelal waar je in kunt

vallen en vallen tot het niet meer uitmaakt

 

waar je vandaan komt. Er is het paard

dat de benen strekt de stank van mensen

 

van zich afschudt en naar zee golft.

Tags: 

Tussen leven en dood

 In de bundel interviews met W.G.Sebald (1944-2001) 'Auf ungeheuer dunnem Eis' heeft hij het veel over fotografie. foto's uit zijn verzameling of zelfgemaakte. Voor hem zijn - meest zwartwitte - foto's een onmisbare schakel tussen leven en dood.

 Waarop berust de magie van de foto? Hij geeft het voorbeeld van de Viewmaster, zoals hij er als kind een had: 'Je had het gevoel: 'met het lichaam ben je nog in de gewone, kleinburgerlijke werkelijkheid. Met je ogen ben je echter al heel ergens anders: in Rio de Janeiro of bij de Passiespelen in Oberammergau of wat het ook was. Dat gevoel heb ik altijd bij foto's, ze oefenen een aantrekkingskracht op de toeschouwer uit en lokken hem op een ongelooflijke manier uit de werkelijke wereld in een irreële wereld, in een wereld dus waarvan je niet weet hoe hij in elkaar zit, maar waarvan je vermoedt dat hij bestaat.' 

 Hierbij een foto van mijn moeder en tante op Kijkduin omstreeks 1935, op het punt uit te gaan naar de grote stad Den Haag. Een auto zal ze wel komen halen. De roodharige Bé draagt witte schoenen en heeft een ruiker van uit stof gemaakte bloemen in haar handen. Ze draagt een 'cloche'­ hoedje. Haar witte schoenen met hakken zijn opmerkelijk op het schelpenpad. Het huis aan de Katwijkselaan zou afgebroken worden. Zie daarvoor ook mijn boekje 'De gabardine regenjas'. 

Tags: 

Beiroet als familiegeschiedenis

 Een stad als een geschiedenisboek, Beiroet. In zijn grote roman 'Een overbodige vrouw' vervlecht de Libanees-Amerikaanse schrijver Rahib Alamedinne (1959) het verhaal van de 72-jarige Aalia en haar familie met dat van de stad. De vrouw is een 'omgevallen boekenkast' bijna on­gemerkt sluipen toepasselijke citaten uit de wereldliteratuur het verhaal binnen. Van Pessoa tot Brodsky.

 De Palestijnse kampen Sabra en Chatila en de misdragingen van de staat Israël zijn de achtergrond van veel vaak komische huiselijke beslommeringen. Oorlog is het altijd wel. Maar er zijn belangrijker dingen:

 'Mijn moeder draagt een gehoorapparaat dat haar linkeroor omcirkelt en binnendringt, een recente aanwinst maar geen recent model. Wat aanvankelijk het logo van de maker lijkt te zijn achter haar oor weet die illusie niet in stand te houden bij nadere inspectie. Het gaat om vormeloze handgeschreven kapitalen in paarse inkt die, als ik beter kijk, de woorden vormen: 'AU SECOURS!' (...) De klap van de voordeur leidt haar af. De bedomptheid van de atmosfeer verandert lichtjes, zodat ik merk hoe muf de kamer ruikt, een mengsel van oude sigarettenrook, naftaline en okselzweet.'  

 Een genot om te lezen, in de vertaling van Adriaan Krabbendam. Uitgegeven door Meridiaan.

Zweetdoek

 Christus draagt zijn kruis naar Golgotha, onderweg staat Veronica, die zijn bebloede en bezwete gezicht afwist met een zweetdoek. Twee wonderen: er blijft een als menselijk herkenbare afdruk van zijn gezicht op de doek achter...

 ...die nog steeds tentoongesteld wordt in Manoppello in de Abruzzen, en ook de lijkwade van Turijn heeft een gezicht.

 En verder: Veronica is - als alle heiligen - een beeldscho­ne, prachtig aangeklede vrouw.

 In de Bijbel is van dit alles niets terug te vinden. Achter Veronica staat een soldaat die de veroordeelde Christus - hier niet in beeld - met een zg. kettingmorgenster - een bol met ijzeren punten aan een stok met ket­ting tot spoed aanmaant.

 Gekleurd houten beeld - uit de Schoufour-Martin collectie - nu in Boijmans. maar niet opgesteld.

 Veronica draagt een hoofdtooi waaruit twee koorden met kwasten hangen en een puntig diadeem met zg. pendeloques ('hangers') en spiraalvormige oorschelpen. De zweetdoek is haar in de loop der eeuwen uit handen gevallen.

 ps. De Tien Geboden verbieden het maken van 'afgodsbeelden' en al wat daar op lijkt, maar de ontsnappingsclausule luidt dan dat de godheid in Christus mens geworden is en dus wel mag worden afgebeeld. 

Zielsverwantschap

  Bij mij landde aan het boekje 'Matthijs Maris, tragiek van den droom' (herdruk van 1945, geschreven in 1939). De schrijver, beeldend kunstenaar Willem Arondéus, was medeorganisator van het opblazen van het Amsterdams bevolkingsregister en werd in 1943 gefusilleerd.

 Al lang daar voor voelde hij zich 'zielsverwant' met Matthijs Maris. Zodat je het boek leest met de gedachte wat kunst met heldendom te maken heeft of kan hebben. Een opwelling was het niet, integendeel, een tot in details - inclusief verkleedpar­tij als agenten - uitgedacht plan met vele deelnemers.

 Arondéus zegt het in de inleiding bij zijn verhaal over zijn Matthijs Maris zo: 'Het zijn steeds de droomers, in wie onver­wacht en onweerhoudbaar, de geestdrift voor een grootsche werkelijkheid, voor de hevige werkelijkheid van het heroïsme, het hevigst doorbreekt. Het lijkt maar zoo, in het kleine alledag, of de droomers voor het leven vluchten, geen moed tot daden, geen wil tot overwinning hebben, het lijkt maar zoo - in waarheid zijn droom en heroïek van een bloed, beide kennen zij de diepe vervoering, de wilde romantiek, de dronken overgave aan de Idee'.

 Aldus instemmend aangehaald door inleider Martinus Nijhoff.

 Het zwerfboek kwam uit de nalatenschap van de erudiete mev­rouw Van Solkema, die het aan mijn zwager gaf, die bij haar de thuiszorg deed.

Tags: 

Dogman

 De titel kijkt je heel de film van Matteo Garrone aan van het lichtbord boven de hondentrimmer en verzorger: 'Dogman'. Deze hondenman is een underdog. Iemand die zich in alle situaties als vanzelf onder­schikt. Hij wil zo graag 'een van de jongens' zijn en dat probeert hij door ze te slijmen, als parttime dealer, als allemans vriend.

 Maar zo verdien je geen respect. Dat krijgt hij alleen van de honden die hij verzorgt, zijn ware vrienden. En van zijn dochtertje, dat alles doorziet.

 We zijn in het straatarme Molise, aan de Adriatische kust, in een verloederd badplaatsje, waar hondenman Marcello probeert in leven te blijven met honden trimmen en uitlaten. En coke dealen. Dat laatste maakt hem het slaafje van een ex-bokser die hem graag vernedert.

 In Italië is het verhaal bekend, want waar gebeurd. Het eindigt ermee dat de hondenman uit angst de boxer helpt bij een inbraak, door hem verraden wordt - geen deel van de buit krijgt - en een jaar moet zitten. En dan alsnog, tot zijn eigen en onze verbazing, gruwelijk wraak neemt met een wat te lang uitgesponnen bloedbad.

 Mooi is wel dat hij dan met het lijk van de bokser midden in de nacht naar het voetbalveldje gaat om zijn 'vrienden' te laten zien dat hij heus geen slappeling is. Maar dat blijkt een hersenschim. Het veldje is leeg.

Wolk in broek

 Bij Chlebnikov was ik en nu land ik bij zijn navolger Majakovski (1893-1930). De lawaaimaker van het stel futuristen rond de Russische Revolutie. 'Een wolk in de broek' heet het door Marko Fondse in 1967 bezorgde Bezige Bij-deeltje met het opruiende vierluik.

 Uit de proloog: 'Kom bij mij adepten/ uit uw boudoir met naaldw­erk/ ambtenares van de engelenliga/ waardige ongerepte

die net zo rustig lippen doorbladert/ als uw kok een deel recepten.

Naar keuze ben ik de vleselijk wrede/ uit het hemelse stalenboek,/ naar keus

ook onberispelijk teder-/ geen man, maar een wolk in broek.

Daar is voor mij geen man, maar een wolk in broek.

Daar is voor mij geen Nice, geen bloemrijk lustoord/ Ik verheerlijk als poëtische peter/ manvolk zo belegen als een rustoord/ en vrouwen als een spreekwoord zo versleten.'

 En dan barst hij los, de voordrachtskunstenaar, de nieuwe messias. Met regels als: 'De straat torst haar lot verdoofd./ Gekrijs slaat steil uit haar keelgat./ Poezele taxi's met opstaande stekels/ en pezige koetsen stremmen haar strottehoofd. Voetgangers - feller dan tering/ slopen haar borst plat.

De stad heeft de weg met duister vergrendeld'

En iets als: 'Goed is het/ om in het gebit van het schavot gekwakt/ te brullen/ 'drinkt Van Houtens cacao!''

 Die hadden nl. een fabriek in Rusland, een symbool van buitenlandse kleinburgerlijkheid. Fondse haalt de grap aan waarin de paus zijn onze vader eindigt met 'Amen, Coca-cola'. Tegen betaling natuurlijk, sponsoring bestond al.

Knalgetuigen

 'Een kreet is de ramp niet' is de titel van de nieuwe bundel essays van Tonnus Oosterhoff. Wat me onmiddellijk bracht naar een nooit verschenen boek dat ik 'De knalgetuige' had genoemd. In een politieverslag had ik gelezen over de twee soorten getuigen van ongevallen die ze daar onderscheidden: zij die werkelijk iets gezien hadden en zij die alleen de knal van een botsing hadden gehoord, waarna ze de ravage hadden waargenomen. 

 Toch konden ze tot in details beschrijven wat zich had voorgedaan, Die kwam van links en gaf geen voorrang en die ander.. etc.Tonnus Oosterhoff begint een essay met een beschrijving van de omgang met het hedendaags informatiebombardement:  'Was onze kennis van de wereld nog maar zoals die nooit geweest is: ordelijk, hiërarchisch. Vandaag de dag loopt het de spuigaten uit: sociale media en andere internetbronnen, ook tv, krant, boek en medemens storten zonder ophouden informatie in oog en oor. Interpreteren, filteren, een betrouwbare ordening aanbrengen, dat wordt aan de ontvanger overgelaten.'

 Kortom, iedereen weet alles en heeft overal verstand van. En dan begint wat men 'het debat' noemt. De Babylonische spraakverwarring van alledag, waarin elke spreker even veel gelijk heeft als de volgende.

 Waarna een beschouwing volgt van het collage-achtige gedicht N30 van Jeroen Mettes (1978-2006), dat 200 pagina's telt. Oosterhoff zegt: 'Het gigantische gedicht leest makkelijk weg, nergens krijg ik het gevoel dat de tekst de leessnelheid wil hinderen, integendeel! Ik herken talloze zinnen uit de wereld om me heen, bijna alle woorden, registers, toontjes, kleine afwijkingen in die toontjes; het ritme is, ik weet geen beter woord, lekker.'

 Zo wil ik lezen. Of doe ik dat al?

Schaduwen

 Je kunt het niet vastpakken. Het is er alleen soms, maar steeds anders. Zo lijkt het op een raadsel uit een sprookje. Bij de oude Grieken werden de doden 'schimmen' ofwel schaduwen. Het boekje 'Shadows, the depiction of cast shadows in western art' van Ernst Gombrich (1909-2001) is herdrukt en ook afgeprijsd.

 Meestal zie je ze over het hoofd, maar als de zon schijnt, 's ochtends vroeg of tegen het eind van de middag, als ze lang worden, moeten ze wel opvallen. Dan beginnen ze te 'werken'. En 's nachts bij maanlicht helemaal.

 Vreemd, ik dacht al lezend meteen aan Polanski's Fearless Vampire Killers', waar je wordt ingepeperd dat je een vampier altijd makkelijk herkent: hij of zij heeft geen schaduw. En dan die slotzin als ze met hun sleetje over de besneeuwde heuvels verdwijnen: 'And from there the evil spread all over the world'.

 Schaduwen zijn immaterieel, maar toch zo menselijk. Gombrich laat zien hoe de schilderkunst ze is gaan gebruiken om figuren te dramatiseren, ook door het geraffineerde 'doorlichten', immers schaduwen zijn niet zwart, je ziet de persoon of het lichaamsdeel waarop ze vallen er doorheen, zij het spaarzaam. De spanning tussen licht en duister.

 Onze wereld wankelt, niets is zeker. 

 Deze Christus van Benedetto Diana (1510) laat het zien, de schaduwen in zijn handen en op zijn borst zijn niet zwart, ze brengen hem tot leven. Je hoort hem.

Tags: 

De eeuwigheid van J. van Oudshoorn

 Het verstrijken van de tijd keert telkens weer in de dagboeken (1934-1943) van J. van Oudshoorn. Dit uit 1942. Na opmerkingen over oa. tandenborstels  die nergens meer te krijgen zijn komt een bespiegeling over 'Verleden' waaruit dit over wat hij noemt een 'eeuwigheidsmoment':

 ‘De pijn, die er ligt in de sensatie van het weder intens beleven van 'grauw' verleden (open ramen, huiskamer Leiden Zaterdags avond), de smart van het mysterie 'voorbij', wordt milder door het besef der mogelijkheid, dat dit toenmaals beleefde, waarnaar thans zoo heftig terugverlangd wordt (omdat dit voorgoed onbereikbaar is) niet dieper ondergaan werd dan het in dit huidige moment zelf (wat een stijltje!) beleefde, waarvan tegelijk het betrekkelijk reële tot bewustzijn komt. Met andere woorden, qua beleven vertoonen zoo verleden en heden geen graads-verschil meer en de dramatiek van een 'voorbij' heft zich bij wijze van spreken op tot 'eeuwigheidsmoment'.'

  En zo verder. Meesterlijk dat terzijde over zijn eigen 'stijltje'. Hij schrijft daarna nog: 'Weder-ontwaken boven winkeldeur Leiden is meer dan reminiscentie, dat is reeds vragen: wat gebeurt er, waar ben ik 'thans' ='

  Die winkeldeur waarboven bij eens logeerde keert vaak terug.

  NB. De dagboeken, bezorgd door Jan Paul Hinrichs, zijn te krijgen bij de Statenhofpers van meesterdrukker Jaap Schipper www.statenhofpers.nl

Pagina's