Maeve Brennan en de haarkam-man

 Maeve Brennan was een Ierse die naar New York kwam en tot haar dood in 1993 korte verhalen schr­eef voor de New Yorker. Over New York. Gebundeld in oa. 'The Long-Winded Lady'. Wat deed ze? Ze keek vooral uit het raam en wandelde.

 In 'The man Who Combed His Hair' ziet ze in 1964 elke dag een man z'n haar kammen, met een zakkammetje in z'n ene hand en het modelleren met z'n andere. Er zijn in totaal vijf mannen die op een rijtje achter mekaar lopen. Een andere loopt met een fles wijn over het grote, rommelige dakplat onder haar ramen, waar alles gebeurt. Die fles houdt hij voor zich uit 'alsof die hem de weg wijst'. Hij loopt voorop, de man met de kam is de laatste in de rij. Er heerst een hittegolf.

 De man die steeds z'n haar kamt leent een kammetje van een schoenpoetsjongetje. Hij draagt altijd het zelfde: een 'green plaid Eisenhower jacket'. Dat is het militaire 'field jacket', waar het spijkerjek van afgeleid is.

 Er gebeurt niets tot de haarkammer bij een stalletje met zonnebrillen aankomt. De eigenaar draagt er ook een. En de haarkammer gebruikt de glazen daarvan als spiegel. Ze kennen mekaar.

 Maeve Brennan zegt dan 'ik weet dat we allemaal alleen maar herinneringen aan mekaar zijn, maar toch zou ik het niet prettig vinden als hij naar mij toe kwam en me in m'n gezicht keek alsof ik een spiegel was. Nog minder prettíg zou ik het vinden om hem in z'n gezicht te kijken en te zien dat ik mezelf daar verstopte.'

Kijkduin revisited

 Op Kijkduin is een foto‑expositie in de oude winkelpassage. Nog wel tenminste, schrijft me de inrichter, de op Kijkduin geboren Theo van Os, want die passage wordt binnenkort gesloopt. Theo maakt een website over de geschiedenis van zijn geboortedorp.

 Een spannend dorp. Ik woonde vlakbij en in haar Remco Campert-boek 'Een knipperend ogenblik' gaat Mirjam van Hengel uitvoerig in op Remco Camperts Kijkduinse jeugd, eind jaren ’30 toen hij daar met zijn moeder woonde en net als ik later in de duinen achter het dorp speelde. Het stuifzand is altijd door zijn gedichten blijven waaien.

 In de jaren '50 stond tegen het duin in de puinvlakte van de Atlantikwall nog het Kijkduinschooltje waar Remco en Wim Bloem, zoontje van Kijkduinbewoners dichter Jacques Bloem en Clara Eggink op zaten. Na de oorlog gingen daar ook kinderen uit mijn straat heen, met bus M (abonnement aan een touwtje om de nek).

 Onderaan Kijkduin lagen nog de resten van de Duitse tankgracht, waar ik kikkervisjes ving tussen verroeste vaten. 

 In de jaren twintig en dertig was Kijkduin al 'een enclave van kunstenaars'. Dada‑kunstenaar Kurt Schwitters woonde en werkte er eerder. In collages uit die tijd zijn Kijkduinse buskaartjes verwerkt.

 Kijkduin was tussen 1921‑1923 gebouwd, door Duiker en Bijvoet met bungalows met rieten daken. Door de veranda's en overstekende daken denk je aan Frank Lloyd Wright. In een ervan woonden mijn grootouders en mijn moeder, sinds 1933. Ik ga Theo van Os Kijkduinfoto’s van mijn grootouders - de gepensioneerde zeekapitein- uit de gelukkige jaren ’30 sturen.

Tags: 

Wie wij zijn

 'Net wat voor jou' zeggen ze en de moed zakt me in de schoenen. Wat gaat er rond? Wie ben ik? Geen idee? De Vlaming Paul Demets waagt in zijn nieuwe bundel 'De Klaverknoop' pogingen en komt bij de innige verknoping met behuizingen, familie, met al wat ons omgeeft. Moet er een huis verbouwd worden?:  

 'We zijn in ons element, meten de afstand

en krijgen hoogte van elkaar. We wachten op mannen

in busjes. De laadruimtes nog in hun vingers. Er zijn

verplaatsbare delen. Met hen vinden we een grond

 

om hier te staan. We kijken naar hen uit

op dezelfde plaatsen. Ze kunnen bouwen,

ze zwerven rond op werven, ze willen aan de slag.

Ze hangen van de procedure af. Ze vervoegen ons.

 

Ze komen in ons huizen. Ze reizen niet, ze blijven.

Ze waren hier altijd al. Ze kloppen aan en zien ons

zitten. We doen alleen open als het ons past.

Hun ogen breken geluidloos door het glas.'

T.M.F.Steen

 'Binnenkort' (sinds 1972 de vaste aankondiging) verschijnt bij De Harmonie het verzameld werk van T.M.F.Steen, met een inleiding van K.Schippers.

 Tom Steen (1927-1969) was typograaf bij het Algemeen Handelsblad en vooral een productief schrijver van stukken over film, strips en taal en al wat daarbij komt, in tal van bladen. Steen wist alles. Ik ontmoette hem op het kantoortje van uitgevers Thomas Rap en Jaco Groot op de bovenverdieping in de Reguliersdwarsstraat ('boven de kapper'). Daar zat hij vaak en vertelde. Hij sprak je altijd aan met je volledige naam: 'Zeg Wim Noordhoek, wist jij dat...'. Ik kreeg langspeelplaten van hem voor mijn radiowerk, waar ik jingles uit monteerde, oa. van Mr.Magoo.

 Steen rookte hash, nogal veel. Op een dag kwam hij binnen met zijn verzameling pijpjes en chillums, of ze die wilden opbergen, want hij rookte niet meer.

 In het nieuwe nummer van Piet Schreuders' Furore blijkt hij postuum medewerker van dat blad te zijn geworden. Geen toeval, als iemand een voorloper en inspirator van Piet Schreuders genoemd kan worden is het T.M.F.Steen. In dit nummer schrijft hij over de Duitse Atlas Filmhefte, een liefhebbersblad. Waaruit ik nu oa. leer hoe het met de hand inkleuren van stukjes in Tati's 'Jour de fête' toeging.

 Leefde Tom Steen nog dat zou ik hem vragen naar de zwartwitte tv-serie 'Headline Press Service', over een persbureau, bemand door vier identieke reporters met kleine hoedjes, in de band waarvan soms briefjes staken, en als baas bullebak Jim Backus: 'You're fired, get out!'. Waarna de glazen deur met de letters Headline Press Service weer eens sneuvelde. Backus, die nota bene ook de stem van Mr.Magoo deed.

Tags: 

Bloot

 'Bloot', heet de tentoonstelling in het Bergense Kranenburgh die ik vanmiddag zag. Niet 'Naakt'. En inderdaad, je word bedolven onder de lullen zonder man eraan en de kutten zonder bijbehorende vrouw. Alsof losse lichaamsdelen iets unieks kunnen bewerkstelligen bij de toeschouwer. Waarom maakt wat in Kranenburgh te zien is zo'n ouderwetse indruk? Eens, lang geleden waren het symbolen, van erotiek, het verbodene en werd er schande van gesproken. De laatste golf kwam over ons in de jaren '60. Phil Bloom, het PSP-affiche.

 Bloot stond voor open en eerlijk. Puur natuur etc. Maar als er geen overtuigend verhaal is zegt bloot ook niks.

 En dan, het maakt bij mij altijd meer los als tipje van de sluier dan als platte waarheid. Zoals de reuzenlul van Atelier van Lieshout, die alle fantasie doodslaat. Liefst kijk ik mijn ogen uit naar de kussenachtige plasticplooien van Kim van Erven die een onplaatsbare geilheid in me losmaken. Of de 'borduursels' van Berend Strik in zijn serie 'Baroque'.

 Kenneth Clark zegt in zijn klassieke 'The naked and the nude': je hebt bloot, dat is zonder kleren en je hebt naakt, dan is er iets met een lijf gedaan dat het - wieweet - tot kunst maakt. En dan krijg je de 88-jarige Mieke die zich - echt en puur - ontkleedt in een SP-spotje. Zou het?

Arjen Duinkers vragende goudvis

'Een goudvis', de nieuwe bundel van Arjen Duinker bestaat uit vragen. Al­thans, de zinnen eindigen bijna alle met een vraagteken. Zodat de vraag rijst wat is een vraag? Je hebt ze in soorten. Die naar de bekende weg. Die waar geen antwoord op is. De retorische. Vragen die je kunt stellen aan jezelf of aan anderen. Of alleen de toon waarop? Zo doemt een wereld op van louter vragen. Heel geruststellend. Genummerd ook. Dit is nummer 43.

 'Maar hoe komt ze aan die gek?/ Had ze het niet moeilijk genoeg met zichzelf?/ Ze zag het zo laat op de avond niet allemaal even goed?/ Die gozer is toch compleet van het padje af/ Heb je wel eens in zijn ogen gekeken?

 Zullen we het maar niet over later hebben?

  Lag jij een keer in bed met een vrouw/ Die zei dat ze barones was?/ En?

  Maakt het uit of ze gelijk hebben?/ Winnen ze er iets mee?/ Gaan ze later dood?/ Ze zijn ons toch nog een vakantie schuldig?

 Of ik in de war ben?/ Omdat niemand me ooit een agenda ziet gebruiken?/ Omdat ik meestal om de hete brij heen draai?/ Omdat ik een dak boven mijn hoofd heb?/ Omdat ik jam maak? 

 Omdat oom Frans een stomerij wilde beginnen,/ In Houston, Texas, of all places?/ Omdat het waait?

 Hoe komt die meid aan die gek?'

 Een goudvis wordt uitgegeven door 'Douane'

Tags: 

Annekes Paradijstuin - vervolg

 Maar hoe dan verder? Hier is als antwoord op gisteren het tweede deel van de Paradijstuin. Eigenlijk het tweede van vier, als 'postludium' (naspel), geschreven in 2016 bij een project op de Buitenplaats Kasteel Wijlre en de Maastrichtse Academie, getiteld 'What about a garden'. Verder dus met de boomgaard met 'Paradijstuin zonder adder, voor m.a. die het me beschreef'. Dat is schilder Marianne Aartsen:

 'Zoete appelen van vergeten oogst hingen nog eetbaar

aan de boom, gekoeld in vriesnachten en ook overdag gesuikerd

 

Van astrale straling. Flitste

door dunnende struiken een maagdelijk jong ree, het uur kort voor

 

volledige donkerte, er waren gekken, jagers

en vlak voor onze voeten middenin het bos vol vurig dovend strijklicht

 

vluchtte een herfstdoorvoede rosse vos -

de redding was nabij die dag, we kwamen levend terug.

Anneke’s Paradijstuin

 Kreeg van Anneke Brassinga een tweeluik in tekst uit de serie ‘Verborgen tuinen’ met twee schilderijen van Marianne Aartsen. Gemaakt in 2016 in Maastricht. na lezing van Zur Kabala und ihrer Symbolik (1960) van Gershom Sholem.

 Over de schepping en de gebrokenheid ervan. Waarin Sjech­inah - ofwel de Aanwezigheid (ook wel genoemd Inwoning) Gods in de wereld - de bruid is, de jonge vrouw die zich 'de ogen heeft uitgehuild'. Zij huilt omdat de schepping zal plaatsvinden, plaatsgevonden heeft in een leegte die God daartoe in zichzelf heeft samengetrokken - een ballingschap, die Hij zichzelf oplegt. Het begint met 'Tuin der lusten, nou nee':

 'Het veld van de heilige appelbomen is/ de plaats waar god huist in zijn wereld, haar huwt./ Ik heb de Sjechinah tentoongesteld gezien:/ gazen bruidsjurk met glasscherven gesierd, lege huls/ de goddelijke aanwezigheid. Blinde muren rondom -/ zij heeft zich de ogen uitgehuild: om het ontbreken,/ het gebrokene dat van de schepping is de pit.

 In dorre woestijn kan een appelboomgaard/ heilig zijn - maar hier? Met maaltijdsnacks en volop/ drinkyoghurt in de aanbieding, en een hulplijn/ voor seksueel misbruikte voetballers van gevorderde leeftijd?/ O de bloesem, zo broos, eenmalig en toch deel/ van de afmattende eeuwige voortgang: bloei, bevruchting,/ welken. Iets van de god zelf, van de god zelf verbannen.

 maakt in hem afgrond. Daarom schreit zij, nu al,/ de Sjechinah, terwijl het scheppen nog beginnen moet,/ met, straks in 't aardse paradijs, bijvoorbeeld/ die ene appelboom - spil van de wervelwind,/ godsadem die ons uit zal werpen. Gesjochten zijn we/ totter dood. Maar de tuin bloeit voort, verborgen/ plek in ons waar een god zichzelf toegang verbood.'

Regina de Groot

 Ze was de verlegenheid zelf. Dook altijd weg achter anderen. Maakte zich zo onzichtbaar mogelijk. Ze sprak met de zachtst denkbare stem. Dat hoorde je als ze voor de klas moest voordragen. Je hoorde ook haar zachte g. Opeens stond ze daar en werd gehoord en gezien.

 Ze had Engels kunnen zijn: rossigblond, lang haar. Ze droeg lichte jurken met een werkje. Het gedicht dat ze had uitgezocht was het kortste uit de schooluitgave 'Epiek en lyriek', het Geitenweitje van Jacqueline van der Waals. Ze droeg het uit het hoofd voor, maar zo zacht dat de leraar haar vroeg opnieuw te beginnen en dan verstaanbaar. Het verschil was niet groot. En, sneller heb ik een gedicht nooit horen voordragen:

 'Op het geitenweitje/ Staat het kleine geitje/ Bij de groote geit./ Geiteke, wat moet je/ Met je fijne snoetje,/ Dat zoo klaaglijk schreit?

Met je bleeke bekje?/ Geiteke wat rek je,/ Trek je aan het touw?/ Snuffende aan mijn mouwen.../ Met je lief vertrouwen/ In zoo'n vreemde vrouw!

In mijn handen stop je/ Nu je jonge kopje:/ Zeg, wat moet ik doen?.../ Op het geitenweitje/ Staat het kleine geitje,/ Als een wittigheidje/ In het prille groen.

Daarna vluchtte ze terug naar bank. Een jaar later was ze van school verdwenen.

Op weg naar de grote black-out

 Eind dit jaar neemt VPRO-radioarchivaris Nienke Feis afscheid. En de vraag is wie volgt haar op. En het eerlijke antwoord: niemand. Immers Nienke weet niet alleen hoe sinds de vroegste radiotijden uitzendingen werden opgeslagen, maar ook waar ze te vinden zijn, waar het over ging en wie het waren die voor de microfoon kwamen.

 Er valt een peilloos radiogat. In zijn boek 'Chronicles of a liquid society' vertelt Umberto Eco hoe hij zich voorbereidt op de grote stroomstoring die ooit zal komen. Wat dan? De wereldgeschiedenis valt uiteen, demagnetiseert, is niet meer afspeelbaar. Als back-up heeft hij de wereldl­iteratuur in druk, op goed papier, netjes ingebonden, want boeken houden het honderden jaren uit.

 Immers, onze moderne communicatiemiddelen zijn gericht op verspreiden, niet op bewaren.

 Oud-radiochef Jan Westerhof heeft intussen heel wijs, de geschiedenis van 100 jaar radio geboekstaafd in een standaardwerk 'We waren erbij'. Een incunabel die op 6 november verschijnt. Ooit zal ik het raadplegen bij het licht van een kaars.

Tags: 

Pagina's