Over de schepping en de gebrokenheid ervan. Waarin Sjechinah - ofwel de Aanwezigheid (ook wel genoemd Inwoning) Gods in de wereld - de bruid is, de jonge vrouw die zich 'de ogen heeft uitgehuild'. Zij huilt omdat de schepping zal plaatsvinden, plaatsgevonden heeft in een leegte die God daartoe in zichzelf heeft samengetrokken - een ballingschap, die Hij zichzelf oplegt. Het begint met 'Tuin der lusten, nou nee':
'Het veld van de heilige appelbomen is/ de plaats waar god huist in zijn wereld, haar huwt./ Ik heb de Sjechinah tentoongesteld gezien:/ gazen bruidsjurk met glasscherven gesierd, lege huls/ de goddelijke aanwezigheid. Blinde muren rondom -/ zij heeft zich de ogen uitgehuild: om het ontbreken,/ het gebrokene dat van de schepping is de pit.
In dorre woestijn kan een appelboomgaard/ heilig zijn - maar hier? Met maaltijdsnacks en volop/ drinkyoghurt in de aanbieding, en een hulplijn/ voor seksueel misbruikte voetballers van gevorderde leeftijd?/ O de bloesem, zo broos, eenmalig en toch deel/ van de afmattende eeuwige voortgang: bloei, bevruchting,/ welken. Iets van de god zelf, van de god zelf verbannen.
maakt in hem afgrond. Daarom schreit zij, nu al,/ de Sjechinah, terwijl het scheppen nog beginnen moet,/ met, straks in 't aardse paradijs, bijvoorbeeld/ die ene appelboom - spil van de wervelwind,/ godsadem die ons uit zal werpen. Gesjochten zijn we/ totter dood. Maar de tuin bloeit voort, verborgen/ plek in ons waar een god zichzelf toegang verbood.'