In de lobby van het hotel, temidden van overvloedig personeel, van pages, portiers, obers, een oorlogsinvalide liftbediende. Overal klinkt levende muziek, in de tearoom, het restaurant, van jazz tot strijkjes. En dan komt daar door de draaideur opeens een totaal verlopen dorpeling uit Saksen, Otto Kringelein binnen. Hij krijgt een kamer door bemiddeling van de oorlogsgewonde Doktor Otternschlag die aan 'Vlaanderen' maar een half gezicht overhield.
'Daar stond hij nu, in de hal van het Grand Hotel, de boekhouder Otto Kringelein, geboren in Fredersdorf, in zijn oude overjas, en de hongerige glazen van zijn knijpbrilletje dronken alles in ene keer in. Hij was uitgeput, als een hardloper van wie de borst het witte lint aanraakt (en met deze uitputting was hij bijzonder vertrouwd), maar hij zag: de marmeren zuilen met gipsornamenten, de verlichte fontein, de clubfauteuils. Hij zag heren in rokkostuum, heren in smokings, elegante wereldse heren. Dames met naakte armen in glimmende kleren, met sieraden, bont, uitzonderlijk mooie en smaakvolle dames. Hij hoorde verwijderde muziek. Hij rook koffie, sigaretten, parfums en de bloemen die op een tafel ter verkoop uit vazen puilden.'
En zo door. Een verslavend boek. De arme Kringelein, zo zal blijken, is dodelijk ziek, heeft al zijn spaargeld bij zich en wil nog een keer in zijn leven in een hotel als dit overnachten. Zojuist verscheen de negende druk, in het Duits.