Pijnbomenbos

 Toen tante Jo voor het eerst van haar leven in het bos was geweest en gevraagd werd hoe ze het gevonden had zei ze 'Mooi, maar wel een beetje slordig'. Bij navraag bleek ze zich te hebben geërgerd aan de rondslingerende dennenappels en dode takken.

 In 'Het zakboekje van het pijnbomenbos' van Francis Ponge (1899-1988), die ook wel de dichter van de dingen werd  genoemd, wordt het bos van zoveel kanten, bij zoveel weer en in alle seizoenen bekeken dat naar een zekere volledigheid wordt gestreefd.

 Op 12 augustus 1940 schrijft Ponge: 'Eindeloos veel gezichtshoeken en zigzagbewegingen maken het pijnbomenbos tot een stuk natuur dat geschikter is dan wat ook  voor de rust en de bezinning van de mensen.

 Geen geritsel van bladeren. Maar er liggen zoveel dunne naalden tegen zowel de wind als het licht geschikt dat het temperend werkt, tot een bijna volledige opheffing, een wegvallen van de aanvallende eigenschappen van de elementen, en het intense geuren vrij laat komen. Het licht en ook de wind worden gedempt, gefilterd, geremd, omgezet in iets milds en, bij wijze van spreken, goedaardigs. Terwijl de stammen van de bomen volkomen onbeweeglijk staan, worden de kruinen alleen maar wat gewiegd...'.

 En even eerder: Je voelt je heel aangenaam daaronder, terwijl in de kronen iets heel harmonisch en muzikaals gaande is, iets heel zacht vibrerends.'

(vertaald door Christian Hendrikx, uitgegeven door Koppernik)

Tags: 

Stoeptegel

 Toen ik in een nieuwbouwstraatje in Loenen aan de Vecht bij Anil Ramdas thuis kwam wees hij me trots zijn erf. Heel zijn voor en achtertuintje waren betegeld, met stoeptegels van dertig bij dertig, vier en een halve centimeter diep. Heel Surinaams, legde hij uit. Wie het zich in Paramaribo kan permitteren liet zijn tuin betegelen. Normaal was de oprukkende wildernis, de modderpoel. De tegel als symbool van beschaving.

 In de nieuwe bundel van Geert van Istendael, die 29 dingen en 1 afscheidszang heet gaan het over dingen. Van beddenlaken tot deurklink. En zie daar is de tegel, die in België - het kas­seienland - 'betontegel' heet.

 'Miljoenen en miljoenen en miljoenen.

dertig bij dertig centimeter, grauw

en ruw, op stoepen, op perrons, op pleinen.

Zij dienen glanzende en vuile schoenen,

heerscharen norse knechten, zwijgend, trouw,

steun, onvoorwaardelijk, in elk seizoen.

Altijd gelijk. Op hen heeft tijd geen vat.

Wat mos misschien dat aan hun voegen vrat.'

Tags: 

Ode aan het meisje van het weer

 Al vele jaren vertelt Frank Deboosere me het Vlaamse en wereldwijde w­eer en eindigt getrouw met te zeggen morgen is de beurt aan Sabine. Dat is ook al vele jaren Sabine Hagedoren. Sabine eindigt altijd met een close in beeld geglimlacht 'Daaag' waaraan ik zeer gehecht ben. Maar zij kondigt nimmer Frank aan. Luuk Gruwez schreef een ode aan - wie anders dan Sabine:

 'Van alle  professoren, kletstantes, handlezeressen is zij/ mij verreweg het liefst, ook als zij gaat voor neerslag/ en neerslachtigheid, voor weer dat jeukt en kriebelt/ in een mannenkruis. Zie hoe zij over winterdag en zomernacht/ regeert: misschien heeft zij haar zon wel zelf verzonnen .

 Een ander stelt ons bedelstaf en boedelschuld, failliet/ of lange ziekenboeg of liefdesleed in het verschiet,/ de laatste zucht die het heelal nog rest. Haar zorg/ is die voor morgen, overmorgen, maximum een week./ En welke zotte wolken daarvoor van belang.

 Deskundig kijkt zij om naar hoe het pas voorbije is geweest/ hoewel het weer een beetje toch van alle tijden is, wat wij ook/ zelf al grondig hadden vastgesteld. En als zij echt niet buiten/ natheid kan, dan tovert zij ons gauw dat dagelijkse lachje voor/ waarvan er niemand weet: is het uit troost of spot?

 Maar welk raar kapsel hangt vandaag weer aan haar kop?/ O meisje van het weer, hoezeer lucht het ons op wanneer/ het scherm zo'n pracht antiycloon vertoont. Zo een die louter/ om jezelf lijkt opgebouwd en die ons in the long run wil voorspellen/ dat het, zo niet met jou, met elk van ons wel goed zal gaan.

uit: Het Liegend Konijn 2018/1

Montaigne, het reizen en het denken

 Wat denken is weet ik niet. Er overkomt me iets, maar wat? Het brein rust nooit, dag en nacht. William James benoemde in 1890 de 'stream of consciousness' waarbij ik me een snelstromende rivier voorstel waarin je steeds emmertjes laat zakken en weer ophaalt, benieuwd naar de vangst.

 Sinds er 'Denkers des Vaderlands' bestaan, staat het denken in hoog aanzien. Wat het ook mag zijn. Met de bijna induttende penseur van Rodin als boegbeeld. Liefst ga ik te rade bij Montaigne, zijn essays of in dit seizoen zijn door Anton Haakman vertaalde en begrijpelijk gemaakte Reis naar Italië.

 Het reisverslag uit 1580-1581 waarin alles tezamen komt. In de schitterende inleiding legt Haakman eerst Montaignes stijl van reizen uit. Niet 'ergens heen' maar 'achter zijn neus aan', behalve de zoektocht naar kuuroorden om genezing voor zijn nierstenen en andere kwalen. Hij hield van omwegen. En zei dan dat hij als het aan hem lag nergens anders heen ging dan naar de plek waar hij zich bevond, en dat hij (dus) niet kon verdwalen of omwegen maken...

 Anton Haakman zegt het in 1993 het zo: 'Montaigne dacht zoals hij reisde, en hij reisde zoals hij dacht. (...) Hij denkt niet, en hij reist niet om een doel te bereiken, hij is alleen maar van plan zich te bewegen. Hij kan van plan veranderen, hij kan van mening veranderen. (...) Wanneer hij in de Essais, 111, 9 zijn manier van reizen, zigzag, grillig en kronkelig, vergelijkt met de loop van zijn gedachten, zou men daar na het lezen van Reis naar Italië zelfs aan kunnen toevoegen dat zijn manier van reizen lijkt op de kronkelige, grillige loop van zijn in­gewanden, die in dit boek een niet te verwaarlozen rol spelen­.' 

 Montaigne onderscheidt geen hoofd- en bijzaken: 'Ik doe niets anders dan komen en gaan; mijn oordeel gaat niet steeds vooruit, maar schommelt en zweeft her en der.'

Tags: 

Does it matter?

Verdwenen stadsbeeld. In heel Europa behalve in Nederland en Zwitserland waren er zitplaatsen in de tram met bordjes Kriegs­beschädigte, Mutilé's de guerre, War invalids. Al het lagere personeel in Bush House, het BBC-hoofdkwartier dat eruit ziet als een schip, was oorlogsinvalide uit WOII. Ik werkte daar. De portier had maar een arm.

 Voor het literair tijdschrift Extaze vertaalde Nico van Apeldoorn oorlogsgedichten van de Engelse WOI-strijder Siegfried Sassoon (1886-1967, hij overleefde het). Een superieur sar­casme in teksten als 'Hindert het?'

 ‘Hindert het? - Als je je benen verliest?/ De mensen zullen vriendelijk zijn,/ En medelijden hebben om de pijn./ En ter­wijl zij gaan jagen in het veld/ Zit jij in de serre en kni­est.

 Hindert het? - als je niet meer kunt zien?/ Je kunt zoveel doen, ook al ben je blind;/ De mensen zijn aardig als was je een kind/ En ze duwen je rolstoel op het terras/ Waar je je hoofd draait naar waar de zon is... misschien.

 Hindert het - als je niet slapen kan?/ Je kunt drinken, ver­geten en vrolijk zijn,/ En de mensen stellen je niet op een lijn/ Met een zuiplap. Ze maken zich niet echt ongerust want/ Ze weten dat je gevochten hebt voor je land’

Alpen

 Ooit bezat ik de Agfa-photokarte, waarop voor de amateurfotograaf alle ideale standpunten stonden aangegeven, met het aangeraden diafragma erbij. De Alpen zijn uit ons gezichtsveld verdwenen. Maar niet uit dat van Miek Zwamborn, de Duimsprong (2013) is een Alpenboek.

 Mijn eerste nabije kennismaking met de betovering van Alpen was de toen fameuze 'Drie Passen tocht', langs de Furka, Grimsel en Susten. De ouderlijke auto werd gegidst door de Zwitserse schrij­ver Erwin Heimann, een kennis van mijn vader. Zijn instru­cties met zwaar accent aan de domme Hollander waren onvergetelijk. Dalend verkeer heeft altijd voorrang. De Postbus ook. 'Zurückschalten!'

 En nu, in de nieuwe editie van Tijdschrift Terras, onder de noemer 'Elders' vind ik reisnotities van Miek Zwamborn over de Flüelapas - die ik ook eens reed - waarin de uitzetter van de rood-witte wandelpaden optreedt.

 'In het voorjaar loopt hij met twee blikken verf omhoog. De rood-witte schildering moet van twee kanten te zien zijn, zodat wandelaars het pad van dal nar dal kunnen blijven volgen en niet op de gletsjer belanden. Sommige stenen zijn verschoven of verloren hun markering door de bleking van de zon. De kwast heeft zich vol met verf gezogen. Sporadisch belandt een rode spat op een nabijgelegen steen. Een witte druppel verlaat traag de rechthoek waarin hij thuishoort vlak nadat de schilder is weggelopen. Het veroorzaakt een rafelige wegwijzer. (...)’

 Vaak denk ik aan Lord Byron die daar ergens een gedicht schreef en onder een steen verstopte. Het is nooit teruggevonden.

Bloemen schilderen

 Vanmiddag in Singer bij de tentoonstelling van geschilderde bloemen en planten drong opeens tot me door hoe geniaal de zonnebloemen van Van Gogh zijn. Wat schilders ook proberen, bijna al hun bloemencomposities, hun perkjes en boeketten hebben iets doods, terwijl juist het omgekeerde bedoeld is: zomervreugd. Franz Kafka wilde geen snijbloemen aan zijn ziekbed omdat ze stervende waren.

 Is de tuin eenmaal aangelegd en staat hij in bloei, wat moet je? Vrouwen in witte jurken gaan er in zitten als toonbeelden van geluk.

 Schilders trekken alle trucs uit de kast om de boel tot leven te brengen, het repoussoir, het doorkijkje en zon die door bladeren schijnt.

 De zomer is een slecht schilderseizoen. Weinig structuur, veel te veel groen. Nee, dan de kale takken van de winter. Maar die zijn hier schaars.

 Natuurlijk, ik lees graag over schildersvrouwen die samen met hun echtgenoot aan tuinaanleg doen, zoals die van Jac. van Looy, maar meteen verlang ik naar mijn eigen onkruidbalkon waar alles dooreen woekert op een manier die in Singer ondenkbaar is.

 Een van mijn eerste keren in Parijs probeerde ik tot Monets tuin in Giverny door te dringen, maar verder dan naar het bruggetje staan staren vanachter een hek kwam ik niet. Het was daar toen trouwens nog totaal verwaarloosd, en erg mooi.

Tags: 

Uit het verband opmaken

 Nog even. Zoals bij elke kwaal is ook bij doofheid de schrale troost nooit ver. Al dat gekwebbel, wat mis je er nou aan. En dan al die pleidooien voor 'stilte'.

 De dove schrijver David Lodge vertelt in z'n 'Deaf sentence' hoe hij meermalen het Prado bezoekt om de bizarre schilderingen van de eveneens stokdove Goya te bestuderen. Hij bedenkt dat de verandering in diens werk voortkwam uit zijn plotselinge doof­heid na een ziekte. De gruwelen van de oorlog, de Heksensab­bath en zo meer. En vooral de hond die bedolven wordt door zand, wat zou kunnen staan voor oprukkende doofheid. Zette de doofheid zijn fantasie aan het werk? Maar nee, ook David Lodge moet toegeven, er is geen 'blessing in disguise'.

 Wat hoor ik dan wel? Ik hoef alleen maar het BING vertaalprogramma aan het werk te zetten op een Koreaans gedicht of de ondertitels voor slechthorenden bij de NPO om experimentele dichtkunst over me af te roepen.

 Vriendelijk, 'begrijpend' knikken wordt het. En ondertussen proberen 'uit het verband' op te maken waar het over gaat. Zoals ik dat op school al leerde met Grieks vertalen. Uit een paar woorden die je wel kent een verhaallijn opmaken. Dus Xenophon steekt met zijn mannen een drooggevallen rivier over. Voor je het weet heb je een cijfer 8. Maar als je voor die droge rivier een vlakte invult en je verhaal daaraan aanpast heb je opeens een 2.

 De dove moet volhouden en blijven vragen 'wat zeg je'. Al raken mensen geïrriteerd: 'Dat zeg ik toch'.

 David Lodge vergeet dat soms, verstaat dan niet de naam van het meisje, met wie hij later ook blijkt een afspraak gemaakt te hebben. En zo door.

Tags: 

The Cleaners

 Ik zag de verhelderende documentaire The Cleaners van Riesewieck en Block. Manila. Als kind ben je daar bang als vuilraper op de belt terecht te komen. Je hebt geluk als je eindigt als opruimer op internet. In het Katholieke Manila, waar de strijd tegen de zonde er diep in zit.

 In de film The Cleaners worden 25.000 contents per dag geruimd door de schoonmakers. Kinderporno, zelfmoord, geweld, seks met kinderen. Uitingen van 37 terroristische organisaties. De 'moderatoren' werken op eigen gezag, de chefs nemen steekproeven van 3%. Innemende, intelligente jongens en meisjes zijn het. Met veel gewetensproblemen. Dat verbaast het meest.

 Wie controleert de sociale media. Wie controleert de controleurs? Die vraag rijst altijd weer, bij Wikileaks en nu bij de censoren van Facebook, Youtube, Google.

 Natuurlijk kunnen sociale media makkelijk misbruikt worden. Steeds meer door politiek. Er zijn geen andere nieuwsbronnen in Myanmar zodat moordenaars van de Rohingya kunnen door gaan.  In Turkije komt niets op Facebook wat Erdogan onwelgevallig is. Anders is Facebook zijn Turkse markt kwijt.

 Van de ooit bezongen internet-vrijheid van meningsuiting is weinig over.

Hardhorend

 Over doofheid ging het, en hoe weinig daarover in de literatuur te vinden is. Nu wordt me David Lodge aangereikt. De Engelsman die onder de iets te grappige titel 'Deaf sentence'­ zijn ervaringen opschreef.

 Doofheid is niet dodelijk en valt onder de grappige ziekten, als de bof of de schijn-kwetsuren van helden van de slapstick.

 Mijn jeugdheld was Hergé's professor Zonnebloem die doofheid paarde aan verstrooidheid. Beroemde passage: Haddock: 'Mijn hoofd bonkt.' Zonnebloem: 'Roodvonk? Maar dat is een heel besmettelijke ziekte.' Wat hem niet belet na aanschaf van een hoorapparaat een maanraket te ontwerpen.

 Lodge bespreekt ook de zg. Lombard Reflex die ook mij in reflecterende ruimten teistert (steen, glas), en die ik leerde kennen als de 'staande golf', die maakt dat geluid weerkaatst tegen muren en ramen en zich tenslotte als 'white noise' verzamelt op halve hoogte. Zodat radiotechnici zeggen 'het geluid kan niet weg'.

 Intussen kijk ik veel naar de ondertiteling op teletekst, die in ons land door randdebielen wordt verzorgd, zodat ik vaak potsierlijke apekool lees bij wat politici - onverstaanbaar - zeggen.

 Als steun denk ik vaak aan mijn oude vriend, de dichter Louis Lehmann, die formuleerde: 'Waar de mensen ook naar toe gaan, de voornaamste reden blijft toch altijd het horen van hun eigen stem'.

Pagina's