Avondwater

 Water verdubbelt de wereld, en meer dan dat, schilders deden er hun voordeel mee. De diepte onder het oppervlak trekt, lokt, jaagt angst aan. Dat merkte ik toen ik met Willem Brakman roeide over de Scheveningse waterpartij.

 Ook Guillaume van de Graft (1920-2010) wist er van, getuige de verdrinking in het gedicht Nachtwater:

  ''s Avonds ging hij op pad, hij ging/ fluitende door de schemering/ omdat de lucht veranderd was/ in iets dat lichter is dan gas.

De bomen stonden naast elkaar/ als hengelaar naast hengelaar/ langs de waterkant van de straat,/ de huizen stonden in beraad.

En langzaam steeg de maan omhoog/ als een geestelijk vissenoog/ en toen dat in de hemel steeg/ liep hij huiverend voort en zweeg.

Want zelfs al zou het boomlatijn/ voor hem niet ontoegankelijk zijn,/ het was alsof alles rondom/ verdronken was en voortaan stom

en hij veroordeeld, hij alleen,/ woorden te spreken en het scheen/ alsof bij elk woord dat hij sprak/ water onhoudbaar binnenbrak.'

 Het rijmt! Pas achteraf merk je hoe bevreemdend dat werkt..

 Dit uit de bloemlezing 'Er loopt en gedicht voor mij uit' die Ingmar Heytze maakte uit het werk van zijn oude vriend Van der Graft (2016).

Klein gebrek geen bezwaar

 Wim Brands, die het best wist, had er plezier in mij in gezelschap te jennen met mijn doofheid. Ik verstond hem in een vergadering soms niet en dan riep hij 'versta je me nou? zie je hij verstaat me niet!'. In triomf want ik was zijn chef.

 Mijn onaangename vader was de eerste die zei 'je wordt doof, daar moet je wat aan laten doen'. Het hinderde hem./ Of ik er last van had interesseerde hem niet. Doofheid kan op weinig mededogen reken­en.

 Hoorapparaten zijn ondingen omdat het microfoontje achter het oor veel te ver van de sprekers vandaan is. Er komt allerlei vertroebelend geluid tussen de spreker en mij.

 Als je slechthorend bent moet je de mensen vragen te articuleren, maar dan gaan ze vaak tegen je loeien en dat helpt niet. Bovendien vergeten ze het na vijf minuten weer. Ik ga daarom zo dicht mogelijk bij sprekers staan, als het kan. Vergaderingen mijd ik. Ik heb zeer veel bijenkomsten met sprekers en voordrachten uitgezeten zonder iets te verstaan. Dan ga je naar achterhoofden en gezichten kijken of je laat je gedachten gaan. Mijn doofheid brengt ook een vervorming van het geluid mee, zodat ik muziek slecht kan volgen.

 Het is in mijn hoofd niet stil, integendeel, de buitenwereld komt heel gevarieerd binnen. Het hoge register, zwaluwen en merels doet het goed, het bouwen van stellingen en sirenes ook. Eigentijdse Hollandse brabbelspraak op radio of tv is nauwelijks te volgen. Ik zet de Belgen aan.

 Bij ons thuis in Zutphen kroop ik als vijfjarige onder het buffet (zoals een dressoir bij ons thuis heette) als de tante langskwam met haar 'koperen luistertrompet' zoals  Gerard Reve hem omschreef. Wij spraken ook over de ovalen plaatjes achterop de fietsspatborden van vroeger met SH erop. 'Ja, dat was ook mooi!'

Roos van Rijswijks geesten

 Roos van Rijswijk verzamelt internationale 've­rhalen van geesten'. Dat begon zo: haar nuchtere grootmoeder ver­telde eens 'dat ze op een nacht haar buurman in de gang tegen was gekom­en. De volgende dag kwam ze erachter dat dit on­mogelijk was: hij bleek die nacht te zijn overleden.' In de haar bijlage bij Tijdschr­ift Terras vind ik dit, uit Seoul (Zuid-Korea):

 'Rondom, rondom, een cirkel is de eeuwigheid./ Het pand is een kokerpand: rondom, rondom liggen de zieken krom te slapen.

 Ik doodde de tijd en overbodigheid door me in een/ droom tot een bal te draaien/ gewrichten hoeken neus in navel./ Om mijn bed de eindigheid door witjassen/ bevochten.

 (Kleffe rijst en natte kool, verzonken groenten/ en bouillon)

 En de maan beschijnt de ronde binnenplaats als/ de tijd mij eindelijk. En de maan bleekt, holt, koelt, ik sta en drijf/ rondom, rondom, de gangen door, de cirkel/ is een eeuwigheid.

 Dit is waar ik blijf: waar mijn huid een ander/ voelde. Waar warme handen naalden waar/ strenge handen wasten,/ waar handen, handen, handen./ Ik ben een dode man. Ik ben gelukkig/ Geen familie zat er rond mijn nest, de zusters moesten extra lopen./ Ik was een rijk en moeilijk mens. Ze liepen,/ rond, rond, terwijl om hen heen de doden/ slopen.

 En nu ik: rondom, rondom de ether-eeuwigheid./ De fenolfinale, het lysol- en alcoholnirwana./ Het lichte doorschijnlijf zo oud als bij verlaten./ Een spookzak medicijnen zet de achtervolging in./ Ik ben hier niet alleen gestorven; traag/ word ik met de anderen vervlochten.'  

Doof

 Het was bij een drukbezochte poëziepresentatie dat ik in de lege gang achter het zaaltje Rudy Kousbroek trof, zittend op een bank langs de muur. Hij wees op het zaaltje waar het woord gevoerd werd en zei 'ja sorry, maar ik versta er toch geen donder van'. 'Ik ook niet,' zei ik. En zo raakten we in gesprek over doofheid.

 'Je kan beter blind zijn,' zei Rudy bitter, 'dat wordt gerespecteerd. als je ze niet verstaat denken ze dat je gek bent.' 'En gaan ze tegen je schreeuwen,' zei ik, 'terwijl het aankomt op articulatie.' 'Nederlanders brabbelen,' ging Rudy verder. ‘En daarom praten dove mensen zo veel in gezelschap,’ zei ik, ‘ zichzelf verstaan ze tenminste.’  Er is over doofheid en de vele varianten daarvan weinig geschreven. Ik kwam het nu tegen in het gedicht 'Doof' van Fiona Sampson, vertaald door Menno Wigman en Willem Groenewegen, dat in het nieuwe Tijdschrift Terras staat:

 'Luister je wel je luistert

naar de wereld denk je

ook al hoor je jezelf

keer op keer de donkere taal

 

van de wereld haar schaduwplekken

onder de bomen voorbij de lampen

het donker dat van je voeten valt

zo diep dat je er doorheen zou kunnen vallen

 

aldoor en hoe luidruchtig de wereld

is met het donker tussen de bomen

dat krast als parkieten kronkelt door

het gras het peilt het midden

 

in je oog de donkere taal van de wereld

door je omhoog komt terwijl je valt

lieve zelf lieve eenzame zelf val je

klankloos woorden vormend zonder geluid’

Tags: 

Mooi

 Ik ben niet mooi, ik  doe mooi, zei mijn als aantrekkelijk bekend staande collega. En ze vertelde het verhaal van Marilyn Monroe, die met een vriendin over straat liep. Onopgemerkt. 'Wat raar, zei de vriendin, niemand herkent je.' Waarop Monroe zei 'O, wacht maar, zal ik haar even doen?' En ze liep als een filmster. En jawel, draaiende voorbijgangershoofden alom.

 Baldassar Castiglione schreef in 1507 aan het hof van Urbino zijn 'Boek van de hoveling'. Waarin hij ten strijde trekt tegen de 'gemaaktheid' van de Italiaanse Renaissance. Anton Haakman vertaalde het. Er is nu een uittreksel.

 Hertog Guidobaldo regeerde, zijn vrouw Elisabetta organiseerde het hofleven. Op zekere dag ontstond een wedkamp, hoe zag de ideale hoveling eruit. Baldassar Castiglione legt het uit aan de dichter Ariosto. Daaruit:

 'U hebt vast wel eens opgemerkt dat een vrouw op straat, op weg naar de kerk of iets anders, of tijdens het spel of bij een andere gelegenheid, de zoom van haar rok zo optilt dat ze zonder erg haar voet en vaak een stukje van haar been laat zien? Vindt u de vrouwelijke gratie en verfijning van haar fluwelen laarsjes en haar glanzende kousen niet een buitengewoon bevallig gezicht? Dat bevalt mij en naar ik vermoed u allen zeer, want iedereen is van oordeel dat verborgen en zelden geziene bevalligheid bij zo'n vrouw eerder natuurlijk is en aangeboren dan geforceerd, en dat zij er niet op uit is daarom te worden geprezen.'

Brakman en Vestdijk (2)

 Depressies en angstaanvallen waren toen ik er mee kennismaakte raadselkwalen waarover fluisterend werd gesproken. Er waren goeroes als Laing, Foudraine, jawel wie is van hout ligt nog wel eens op Koningsdag. Valium zag ik komen, zepinen in vele varianten, prozac en godweet wat nog meer. De ontdekking van de hyperventilatie.

 Wat helpt voor wie? Wat werkt averechts? In de brieven van Brakman en Vestdijk, allebei arts en bevoorrecht in contacten met de farmaceutische en medische stand vind je dat in het duister tasten terug. Wat Willem aan middelen voor zijn vriend Simon opsnorde staat er haarfijn in, dosering en al. Hij vond de medicatie die Vestijk goed bekwam. Hij kon weer schrijven. Er kwam een vriendschap uit voort. En unieke, nu gebundelde brieven. Deze is van Brakman, 9-10-'64:

 'Beste Simon

 Hartelijk dank voor je brief die me oa. vertelde dat je de vakantie weer hebt overleefd. Mijn pessimisme hier wordt mij ingegeven door mijn ervaring die mij heeft geleerd dat juist in de vakantie bijzonder veel mensen ziek worden, blijkbaar valt de vakantie van vira, bacterieen coccen en allerlei virulente sapjes niet in dezelde tijd, wat dan weer een nadeel is van de vakantiespreiding.' (...) Waarna de brief heel Brakmanniaans verspringt naar muziekmaken en als dat te tijdrovend is de aanschaf van een geluidsinstallatie. Dan volgt: 'Aan lawaai heb ik altijd een bijzondere hekel gehad, dat wijst op muzikaliteit, Chopin kon niet tegen het verschuiven van een herfstig blad over de stenen (wat een luxe om zo ' afwijking te kunnen hebben), zijn oog was minder gevoelig, want mooi was ze niet, onze George [Sand, WN]. Toen ik in dienst trad bij bij de verenigde textielbedrijven en mij aan de hand van mijn chef voor ging stellen aan allerlei bazen en chefs in die daverende en donderende fabrieken had ik het genoegen al handenschuddend op het gebrul van zo'n chef die al lachend zijn naam schreeuwde, keihard terug te schreeuwen 'klootzak.. boerenlul...'. (...) 

Brakman en Vestdijk

 Nico keuning is bezig met de biografie van Willem Brakman en stootte op mooie dingen als zijn briefwisseling met Simon Vestdijk, die hij als arts voorzag van middelen tegen angst en depressie waaronder hij leed. In deze brief wordt zijn stofwisseling onderzocht in Zeist..Juist verschenen en verrassend...

 Doorn, 14-6-62

 Beste Willem,

 (...) Om half acht 's ochtends vervoegde ik mij, nuchter (ik bedoel niet-bezopen), in het Zeister ziekenhuis lab. Er was niemand. Eindelijk ontdekte ik achter een loket een soort hitje, en ik zei, dat ik om half acht gestofwisseld moest worden of hoe zij zich wenste uit te drukken. Daarop greep zij loom een telefoon, en ik hoorde: 'Zeg, die en die, zeg eens aan die en die, dat ze haar nest uitkomt, er is hier iemand, die moet half acht geholpen worden. 'Daarop bracht ze mij naar een leeg zaaltje, waar ik op een matras op de grond moest gaan liggen. Ik deed dit, wantrouwend gestemd door het nest waar iemand uit moest: als ze mij eens vergaten! Een half uur verstreek. Ik werd onrustig, ik voelde me als in een concentratiekamp, Van verder Zeist was alleen door de ramen het bovenste deel van een hijskraan te zien: als ze mij eens... Ik stond op, dronk water aan de kraan (wat niet mocht), at een biscuit (wat niet mocht), en toen er werkelijk niemand kwam, ging ik naar het loket om op te spelen en waarom ze niet haar nest uit kwam, en waarom ik daar vergeten werd. De depressie weg, kort maar, heel kort. Er was nu een ander, die mij superieur glimlachend uitlegde, dat ik eerst ánderhalf uur lang moest ontspannen.' 'Ontspannen!' krijste ik 'ik lig me daar gvd op te winden, vreet biscuit, zuip water als een hond, volledig overstuur, - ontspannen, laat ze gvd haar nest uitkomen, anders kruip ik er zelf bij'

(...)

Na een kwartier kwam de nesthoudster. Een prachtvrouw, Wim. Ik overdrijf niet: Jij zou alles en alles hebben opgegeven voor deze vrouw. Donker, een gloedblik, uiterst wulps, toch beheerst, en met het moquante lachje der wetenden. 'Bent u die meneer die dacht dat ze hem vergaten?'

Tags: 

Tuin

 Behalve het slot van Candide ken ik weinig overtuigende verhalen over tuinieren. Of het moest het gedicht van Frank Koenegracht zijn over de gestrande tuinaanleg van zijn vriend H.H.ter Balkt: 'Tuinman boos op tuin'.

 Sarah Hart blijft kampioene. Maar nu heb ik 'Het jaar van de tuinier' van Karel Capek, waarin een tuinier begint met niets op woeste en ledige aarde, en alle tuin voor het eerst wordt gezien en ondervonden. Neem deze langverwachte weldadige regenbui als de hitte verstikkend wordt en de atmosfeer akelig drukkend. Maar dan: 'Aan de hemel rollen de wolken over elkaar heen, maar ze brengen de aarde, noch de mensen verlichting. Plotseling echter barst aan de horizon de storm los; er steekt een vochtige wind op en daar is hij, de regen, bij bakken uit de hemel vallend, stromend over het plaveisel. Men hoort de aarde bijna ademhalen, het water gorgelt, klettert en slaat tegen de ramen, tikt met duizenden vingers in de goot, vormt lange beekjes en spettert in poelen. De mens kan wel schreeuwen van vreugde. Hij steekt zijn hoofd uit het raam om in het hemelse vocht verkoeling te zoeken. Hij fluit, gilt en zou niets liever doen  dan zich naakt in de gelige riviertjes gooien die door de straten stromen.'

 En dan: 'Als bij toverslag is de stortbui plotseling opgehouden. De aarde schittert onder een zilveren nevel. In het struikgewas begint een uitgelaten merel luidkeels te zingen.'

 En daarmee is de kous niet af. 'Meiregen, daar word je groot van' zegt de buurman als ik doorweekt thuiskom. Maar mijn vader predikt 'groeizaam weer'.  

PS. Nagekomemde boeken: Het compostcirculatieplan van Anton Valens en Vallend hout van MIek Zwamborn..Nagekomen planten: de tomatenplanten en de couorgettes.

 

J.C. van Schagen

 De dichter die zichzelf samenvatte in de regel 'Ik ga maar en ben'. Niet te overtreffen. Hij werd 94 (1891-1985), schreef veel en bewaa­rde alles zonder te schiften. Ingmar Heytze, die in 2008 een kleine bloemlezing maakte schrijft 'De dichter zelf zal er niet mee hebben gezeten, de postume bloemlezer des te meer die voelt zich een opkoper die de inhoud van een grote rommel­zolder moet komen taxeren.' Veel is er over de doden en de dood. Zoals:

 'ík heb mijn doden om me heen genomen

tot mantel

ze staan daar - dag en nacht

ze zwijgen

het is of ze iets van me wachten

of ze iets vragen willen soms

iets zeggen?

ze zien me aan

ze weten het

 

dat ik ze tot mijn kinderen heb genomen

want ik alleen nog weet ervan

wie is er buiten mij gebleven

wat is buiten mij dan stenen onverschilligheid?

ze hebben niemand meer

zo hulpeloos

zo eindeloos verlaten

staan ze maar om me heen te zwijgen

de weerlozen

die niets meer hebben dan mijn tranen

 

en hoe moet dat nu toch straks

als ik bij hèn zal staan?

Oorlog om de hoek

 Mei 1940. Het is oorlog, maar waar? Er wordt gevochten aan het eind van de Laan van Meerdervoort. In de Duitse aanvalsplannen begint daar de inname van de regeringszetel, wieweet de arrestatie van Hare Majesteit. Waar ging het mis ? In 'Het Wilde Westen', een geschiedenis van de Vruchtenbuurt, beschrijft lokale geschiedschrijver J.M.Knaud het.

 Hoe oorlog je straat, je huis binnenkomt zagen we in Syrië en Irak. Van hoe de oorlog Den Haag-West binnenkwam is nauwelijks film.

 Het vliegveld Ockenburg was 's ochtends veroverd door parachutisten, die oprukten naar Meer en Bosch. Maar dan. De boerderij Wijndaalders Woning wordt in brand geschoten en, schrijft Knaud, 'Een simpele ziel belt de Haagse brandweer. En die stuurt zowaar een wagen die luid bellend over de Laan van Meerdervoort herwaarts snelt. De bemanning, vervult van heilig blusvuur beseft blijkbaar niet waaraan zij begint. De Duitsers schrikken zich dood van dat rode, geheime en bellende wapen en openen prompt het vuur op de blussers, die schielijk de brand de brand laten en er met doorzeefde wagen ijlings vandoor gaan, terug naar Den Haag.'

En wat later:

 'Bij Ockenburg is mijn broer met zijn troep al 24 uur in gevecht met de parachutisten. De commandant kruipt naar hem toe: 'Zeg Knaud, je woont hier in de buurt nietwaar?' 'Ja, op de Thorbeckelaan' 'Nou, ik zal je laten aflossen. Ga naar huis, neem een bad en rust wat uit. Tot straks.'

 En zo komt hij thuis. Gooit z'n geweer en patroontassen onder de kapstok en neemt een bad. Want hij ruikt naar bloed, zweet en kruitdamp.'

 Met dank aan buurtgenoot Wim de Bie.

Pagina's