De tijd van tante Lee

 Wie de macht heeft bepaalt hoe laat het is. Ik las dat in Noord-Korea de klokken een half uur vooruit zijn gezet. Ze lopen nu weer gelijk met de rest van de wereld omdat Kim dat wil. En meteen dacht ik aan de Juliaanse kalender, Toen keizers en pausen nog uitmaakten wat voor dag het was. Maar toch vooral aan tante Lee.

 Die ik leerde kennen in het meesterlijke verhaal van Leung Ping-kwan dat Audrey Heijns vertaalde voor het Chinanummer van het tijdschrift Terras.

 Tante Lee is de bejaarde, maar gevreesde cheffin van een textiel­fabriek. Die ze regeert met haar antieke zak­horloge, dat bekend staat om zijn precisie. Haar besef van tijd is haar besef van rechtvaardigheid. Te laat komen of te vroeg weggaan - althans volgens dit horloge - is fataal, zoals direc­teur Wong merkt.

 Het probleem is dat er iets mis is met het horloge. Maar niemand durft iets te zeggen. Iedereen is voortdurend bezig zijn eigen klokje aan de nogal wisselvallige tijd van tante Lee aan te passen. Dat horloge, loopt het wel gelijk?

 Als directeur Wong na 17.03 vertrokken is belt tante Lee om hem te ontbieden en Wong is ontslagen. Zijn opvolger belt tante Lee voortdurend om de tijd te vragen. Vergeefs. De tijd vers­chuift, het wordt steeds later. De levens van de werknemers raken ontregeld. Tot de verteller naar haar kantoor gaat en haar slapend aantreft. En de kans krijgt het beroemde zakhorloge van dichtbij te bekijken.

 Maar wat hij dan ziet mag ik niet verklappen. Lees het in Terras!

Voordeoorlog

 Opgroeiend tussen mensen die het over 'voordeoorlog' hadden als een paradijs waaruit we door de Duivelse Duitsers waren verdreven werd 'vooroorlogs' voor mij een toverwoord als het over de kwaliteit van kleding of voedsel ging.

 Hoe voordeoorlog was geweest zag je op foto's met kartelrandjes. Ideaal. Men reed voortdurend in open auto's naar het strand, waar de oude Scheveningse pier nog in zee stak. Meisjes droegen witte sokjes.

Zo zou het nooit meer worden. En ik kon er niet over meepraten. De laatste tijd hoor je wel zo over de jaren '60 praten, nog zo'n gouden eeuw. Nu '68 jubileert houdt het niet op. Zelf herinner me '60 als de tijd waarin de grote bek opkwam.  

Die nooit meer verdween. Doofheid werd volksziekte nummer een. Nadeoorlog.

Twee minuten stilte, Een goed idee. Volgend jaar een dag. 

Mei

 In mei 1968 was ik met twee collega's op radioreis naar Rome. Het doel was tweeledig: ik 'deed' een mislukt popfestival, waar ik met Italiaanse technici de Byrds, Pinkfloyd, Fairport Conven­tion en zo meer moest zien op te nemen. Ik schreef er eerder over. Jan Haasbroek en Peter Flik gingen naar de Uni­ver­siteit waar een 'revo­lutie' gaande was, met bezetting en al.

 Voor ons heel vertrouwd na Provo, dat zichzelf net begraven had. Na een weekje keerden we uitgeput terug. Wel had ik Gram Parsons opgenomen, de nieuwe Byrds-man die niet lang meer zou leven. Thuisgekomen viel ik in een diepe slaap, waaruit ik ontwaakte door hectisch getelefoneer. 'Het is nu in Parijs begonnen', luidde de boodschap. En of ik onmiddellijk mijn spullen wilde pakken.

 'Geen sprake van', zei ik. 'Dit is ouwe koek. Wij hebben Provo net gehad en nu komen zij nog eens aankakken.'   

 Een jaar later werd het nog erger. Amsterdam moest en zou Parijs navolgen. Het gerucht ging dat het Maagdenhuis bezet zou worden. Ik maakte er een klein berichtje van voor Propria Cures en zette er bij: 'Naar een aanleiding wordt nog gezocht.'

De onsterfelijke tram

 Jan Kuijper maakte een 'ruime keuze' uit de gedichten van Dèr Mouw (1863-1919) onder de klinkende titel 'Mijn taalorkest'. Alle uit zijn enige en omvangrijke bundel 'Brahman'. Dèr Mouw noemde zich Adwaita ('de tweeheidloze' in het Sanskr­iet). Hij vond wat rust in Brahmanisme en natuurbeschouwing. In zijn sonnetten komt soms de tram voor, zoals ik die zelf als kind leerde kennen. Met vonken onder de beugel, Zoals hier:

 'Vol winteravondschem'ring ligt de laan,

een buis, de wand hier, ginds grijswit als krijt;

de tram, een blok van gelig schijnsel, rijdt

tussen twee lichtrechthoeken af en aan;

 

soms knapt, verwaaiend links, rechts van de baan,

een boeket van meteoren los en smijt

blauwgroene sterren door de donkerheid,

waarin plots'ling zilv'rige sprookjes staan.

 

Zo glijdt de herinn'ring 't verleden door,

een lichtplek, schuivend langs steeds 't zelfde spoor

langs schimmen van verdriet, nevelig groot;

 

soms toont een feeërie van tov'rig blauw

hoe somber ligt het onderwerelds grauw

op 't vroeger leven, levend in de dood.'

Aanrakingen

 Sylvie Marie noemde haar nieuwe dichtbundel 'Houdingen'. Een zekere radeloosheid doet je er in vluchten, omdat je in het menselijk verkeer niet zonder kunt. Je 'geeft je dus houdingen'.

 Die vol betekenis zijn. Een houding vergt bewustzijn. Wie slaapt doet dat zonder houding. Een soldaat staat in de houding, want in het leger is er maar een houding. Wanneer je een dichtbundel 'Houdingen' noemt zijn aanrakingen niet ver. Alsof ze er om vragen. Hoe ver, hoe nabij kan een ander zijn? Die nabijheid vind ik mooi in dit titelloze gedichtje:

 'we zouden kunnen gaan zitten

in een koffierkopje.

 

je weet wel,

een klassiek,

met schuine wanden,

zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

 

geen mok, dat niet.

geen grote cilinder

met platte bodem

 

maar zo'n kleintje,

bol.

 

misschien dat we daarin

moeten investeren:

van alle kamers kopjes maken.'

Tags: 

Antjie Krogs proza

  In 2006 bracht ik een lange studiodag door met Antjie Krog. We namen een CD op van de selectie die ze uit haar gedichten maakte. Dat deed ze ter plaatse. Er lagen stapels fotokopieën, waaruit ze in razend tempo losjes strofen wegstreepte en hele gedichten terzijde schoof.

 Toen het klaar was en de geïmproviseerde bloemlezing opgenomen deed ze er nog een gedicht bij, over een rooie kat. Dat was ik, zei ze. Het eerste wat ze bij binnenkomst vroeg was thee met melk. Dat moest er altijd zijn. Om Antjie Krog heen is alles anders, niet zozeer door hoe ze praat, maar door hoe ze met de omgeving omgaat. Heel direct.

 Dat vind je ook terug in de prozabundel over haar vaderland, Zuid-Afrika en hoe ze opgroeide: 'Hoe alles hier verandert.' Soms zijn er stukjes in de derde persoon, zoals dit:

 "Ze hoort haar moeder zeggen: 'Mannen zouden eigenlijk bibliotheekboeken moeten zijn: geordend naar type. Dan kon je de ene week een klusjesman lenen, de volgende week een historicus, met zaaitijd een boer, en als alles vredig is een leuke romantische man.'

 Ze hoort haar broertje tegen een zwart speelkameraadje zeggen: 'Je moet je handen aan mijn moeder laten zien. Je wordt langzaam blank kijk maar, je handen zijn helemaal wit, je voetzolen ook. Je mag voortaan bij ons blijven.'"

Tags: 

Tytgats draaimolen

 Het drama van de jeugd van de jonge Edgard Tytgat was zijn val van wat in Brussel heet 'de paardjesmolen' op de kermis. Maar dan in het Frans. Zelf schreef hij: 'We klimmen op de paardjesmolen. Hij komt nog maar op gang, of ik val flauw. Iedereen in rep en roer. Vrouwen in zwarte kapmantel dragen mij naar huis. Mijn broer loopt bibberend en wenend achter ons aan.'

 Ze dachten dat hij dood was. Men bezocht hem 'op zijn sterfbe­d'. Zijn haar werd in een 'engelencoupe' geknipt. Daarna was hij lange tijd ziek en bedlegerig. Hoorde het geluid van buiten spelende andere kinderen van tweehoog. Zijn liefde voor kermisgasten bleef onverwoestbaar. Hij maakte zelfs een model-draaimolen die bewaard bleef.

 De mooie catalogus bij de Leuvense expositie die nu in Schiedam aanlandde heet 'Herinnering aan een geliefd venster'. Het venster als lijst van de wereld. Later liet hij een huis bouwen in Terkameren, waarvan het atelier hoge schuine ramen heeft die ver uitzien. Je ziet het op veel schilderijen.

 Ziekte keert later terug in z'n werk. Zoals in 'Voorspel van een gebroken liefde' (1928) waarin als vaker bij Tytgat twee scenes ineen vloeien. Met rechts een liefdestafereel en links de zelfde geliefde op de operatietafel die een been wordt afgezet.

 Hoewel hij schilderde in de hoogtijdagen van de avant-garde ging Tytgat volstrekt eigen wegen. Maakte portretten, landschappen architectuur.

 Vrolijke momenten genoeg ook. Zoals in het drieluik 'Het op zwier gaan van de drie heren' (1938), waarin een altijd aan zijn haardos herkenbare Tytgat in een bordeel zijn broek laat zakken.

Tytgat In Schiedam

 De Belgen komen. Lang waren schilderende vertellers hier niet welkom. Maar na Paul Delvaux, Jean Brusselmans, Rik Wouters tellen ze in onze musea mee.

 Nederlanders als Jantien Jongsma, een Duitse als Andrea Freckmann, de tekenaar Marcel van Eeden, de beeldhouwer Frank Halmans kwamen al eerder. Ook zij geven hun leven de vorm van een beeldverhaal, zoals de Heiligenverhalen in de Middeleeuwen.

Het Schiedams Stedelijk brengt nu Edgard Tytgat, een tentoonstelling die overkwam uit Leuven. Zo leefde Tytgat, vriend van Rik Wouters en Nel, met zijn vrouw Maria in Vorst en Watermaal. 

Bijna liet hij als kind het leven in de draaimolen op de kermis. Wat er in z'n werk van overbleef was een heel eigen mengsel van spel en ernst. Met een passie voor heiligenverhalen, variété en kermistheater, die in zijn ogen een en het zelfde zijn. Zijn wereld opent zich al in titels als 'Voorspel van een castratie', 'Voorspel van een gebroken liefde' of 'Uitnodiging tot het paradijs'.

Na zijn vroege tijd maakte hij verhalen als over de Acht Vrouwen, een lichtvoetig De Sade-achtig verhaal in vele prenten, waarin alle vrouwen uit zijn kennissenkring voorkomen, opgesloten in een bordeelachtig, maar zeer vriendelijk klooster. De prenten liggen hier uitgestald.

Heiligen, modellen, familieleden, ze spelen allemaal mee in Tytgats heel eigen, vaak zeer geestige autobiografie.

Heel bijzonder in Schiedam is het verfilmde verhaal dat zijn vrouw Maria over hun beiden vertelt.

Radio Monte Carlo

 Alfred Birney heeft een voor mij onmisbaar boekje geschreven over zijn Haagse jeugd. Rode draad daarin is de radio, in het bijzonder Radio Monte Carlo. waarop hij als kind een liedje hoort dat zoekraakt, maar altijd bij hem blijft. Radio was in de vroege jaren '60 het contact met de grote wereld buiten je huis, je straat.

 Monte Carlo was een middengolfzender als Radio Luxemburg, commercieel, met onbekende muziek, maar door de 'fasing' moeilijk te ontvan­gen. 's Avonds ging dat beter. Birney roept de dromerige wereld van het jongetje, zijn deels Indische ouders en musicerende grootvader meesterlijk op, omfloerst door het radiotoestel met het zachte gele licht: 'De afstemschaal met zijn betoverende muizentrappen vol namen van grote stations lokte...'.

 De glamour van Indische mensen. Zijn mooie moeder met haar lakceintuur die onduidelijk werk doet 's avonds in de stad. Zijn grootvader, de pianist op schepen, die zomaar verdwijnt. Ook komt voorbij de Hilversumse zendersluiting om middernacht, met de door Lex Karsemeijer bekorte versie van het Wilhelmus, die hem zoveel royalty’s opleverde - dat weet ik toevallig - dat hij er een villa van kon laten bouwen.

 Maar dit is al ver van Alfred Birney en zijn avonden, 'zwaar, vol van schaduwen' in de portiekwoning tegenover het Zuiderpark, waar hij vanuit zijn bed staart 'naar het lichtspleetje van de straatlantaarns tussen de gordijnen. Het kan zich verwijden en verdichten, glimlachen en vals kijken, naargelang de wind waait. Bij windstilte is het gordijnoog stil, zonder enig wenken, en word ik begluurd door de nacht. Als ik geluk heb laat een ontwakende zender zich opeens horen, eentje die 's nachts pas de lucht in gaat aan de andere kant van de aarde.'

Tags: 

Oorlogsdans

 Wat oorlog is hoor je van wie het aan den lijve ondervond. De foxtrot in deze film is de dans van de eeuwige wederkeer, die van generatie op generatie wordt doorgegeven in Israël. De vijand komt in heel de film niet voor, is een abstractie geworden. 

 Meestal gebeurt er niks. Oorlogsverveling. Geladen met weten dat er elk moment iets kan gebeuren. Of niet. In deze film van Samuel Maoz weergegeven in het dagelijkse laten rollen van een blikje in de container van de g­rensbewaking waarin vier jongens hun diensten uitzitten. Om te zien hoe scheef het ding staat. Of het wegzakt.

 Heel soms een auto controleren, dat is hun werk, meer niet. Totdat precies zo'n blikje uit een auto rolt en aangezien wordt voor een granaat. Het toeval speelt een grote rol in oorlogen.

 Zo blijkt soldaat Jonathan, wiens dood door de instanties aan zijn ouders wordt meegedeeld, alsook de rituelen bij zijn begrafenis, eigenlijk verwisseld te zijn met een andere wel gesneuvelde soldaat Jonathan. Maar op weg naar huis komt hij bij een ongeluk alsnog om.  

 Oorlog is een rituele dans. Dat wordt - net wat te veel - benadrukt door de vele shots van plafondhoogte. Alsof onze lieve heer toeziet op dit menselijk bedrijf. Dat de familie atheïst is lijkt daarbij geen toeval.

Pagina's