Szymborska‘s monument

 De herdenkingen zijn geweest. Wat rest in Europa zijn de monumenten, de verregende linten en de dode bloemen. Franse monumenten zijn de indrukwekkendste. Nederland deed in 14-18 al niet mee en houdt het meer op zwijgen. Schrijf er maar eens over. Wislawa Szymborska deed het in haar 'Kus van een onbekende soldaat'. Te vinden in 'Zwart lied', haar vroegste gedichten. Vertaald door Ad van Rijsewijk:

 'Zo gestoken door een kogel,

dat alle menselijks me vreemd is

behalve de tijd, die mij zal missen

tijd als een warme windvlaag -

ik verstrijk. Vreugde van de strijd

is voorbij. Strijd om vreugde,

de droom van vernielde poorten,

ligt voor jullie. In de houding kameraden.

 

Herberg - grijze heimwee -

als de treurwilg jankt.

De moeder nog twee, drie, brieven

- stuurt ze, vier schrijft ze er.

Voordat ze afstand verminderen

als vermoeide vliegers -

de wereld zo groot, de wereld zo groot,

die zal ik in de kleine wond leggen.

 

Een slecht grafschrift, dichters,

huilend om de dood van de held.

Hij zou om jullie gedicht versomberen als

om de dood van een vreemde.

Hij wilde geen held zijn

voor jullie versteende meisjes,

toen hij jullie, met de hand van gisteren

een vertrouwde hand zond: een kus.' 

De wereld van het spoor

 In een doodgewoon leven van de Tsjech Karel Capek komt de lezer binnen in het parallel universum van de spoorwegen. En net als de stationschef wil hij niets liever dan daar bij horen. Bij de feilloze dienstregeling, de geur van verbrande olie, de getuite oliekannen en de smeerpunten op de locomotieven.

 Zoals Capek het schrijft: 'Zo'n station is een wereld op zichzelf; het hangt meer samen met alle andere stations die het verbinden dan met de wereld aan de andere kant van het hek.'

 Immers: 'Naar de stad ga je alsof het een vreemde streek is, daar zijn we niet langer op eigen grondgebied en we hebben er vrijwel niets mee gemeen. Hier hangt het opschrift VERBODEN VOOR ONBEVOEGDEN, en wat er achter dat bordje is, is alleen voor ons; jullie anderen mogen blij zijn dat we je het perron op en de treinen in laten gaan.'

 En dan komt de zin die het samenvat: 'Zo'n exclusief en besloten koninkrijk is jullie niet gegeven. Wij zijn als een eiland dat aan ijzeren rails hangt, waaraan dan weer andere eilanden en eilandjes zijn geregen; dat is allemaal van ons en door middel van spoorbomen, bordjes en verboden van de andere wereld afgescheiden.'

 Als jongen zag ik iets van die wereld op het stationnetje van Eerbeek op de Veluwe: de laadbonnen achter de traliewerkjes achterop de goederenwagons, waar hun herkomst en bestemming op stond. Van Krefeld naar Eerbeek. Wat zou je anders wensen dan daar deel van zijn, er werken.

 Mijn broer was lid van de Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het Spoor- en Tramwegwezen die eens per jaar naar het laatste nabije stoomdepot reisde in Kleef. Waar ze allemaal op de foto gingen, op treeplank van de loc, met de pet van de machinist op.

Tags: 

De gabardine regenjas

 De meeste vrouwen die ik ken leven niet meer. Wat niet betekent dat ze er niet meer zijn. Binnenkort komt er een bundel met 21 korte verhalen waarin ik ze opzoek en beschrijf.

 Voor een jongen blijven vrouwen raadselen. Vrouwen leiden je de wereld binnen. Ik leerde ze kennen door de kleren die ze droegen. En hoe die aanvoelden.

 De eerste die ik van nabij leerde kennen was mijn moeder. Maar ook bij haar bleef de bevreemding.

 Het boek van ongeveer honderd pagina's bevat historische foto's en werd vormgegeven oor Els Kort. Het ligt nu bij de drukker en verschijnt in een kleine oplage bij uitgever Avanti onder de titel De gabardine regenjas.

Spoorgeluk

 In de volmaaktheid ligt het geluk, Ik lees 'Een doodgewoon leven' van Karel Capek, vertaald door Irma  Pieper, waarin een station beschreven wordt in het oude Oostenrijk-Hongarije waar de orde en regelmaat van de spoorwegen hun zegen brengen. Het is een klein doorgangsstation, maar zesmaal per dag komen er exprestreinen langs, die hier natuurlijk niet stilhouden.

 Toch staat dan het voltallig personeel in de houding op het perron om de internationale verbinding de gepaste eer te bewijzen. Het is een station 'als van suikerwerk, petunia's in alle vensters, overal manden met lobelia's en Oost-Indische kers; een tuin vol seringen, jasmijn en rozen. En ook langs de loods en de seinposten was het een groot bloemenperk. En alles moest blinken, de ramen, de lampen (...). En dan: 'Daar om de bocht doemt met hees gedaver de machtige hoge borst van de expreslocomotief op, de oude heer doet drie stappen vooruit, en daar dendert het al voorbij, de machinist groet met zijn hand, op de treeplankjes van de trein salueren de conducteurs, de oude heer staat in de houding - de hielen tegen elkaar, de schoenen glimmend als een spiegel - en brengt waardig zijn hand naar de rode pet. (Vijf passen achter hem, die interessant bleke beambte met die hoge pet en een broek die glimt van het zitten, ietwat nonchalant saluerend dat ben ik).'

 En dan, dan komt de vervulling van deze droom: 'Als wonderen konden geschieden, opdat rechtvaardige zielen de beloning en de roem zouden krijgen die hun toekomt, dan zou op een goede dag een internationale sneltrein (die van 12.17) aan het perron stilhouden en zou de keizer zelf eruit stappen; hij zou twee vingers naar zijn pet brengen en zeggen: 'Mooi hebt u het hier, meneer de stationschef. Ik heb al vaak naar dat station van u gekeken.'

 En ik denk aan mijn oom Bob, die altijd verheugd remde als een overweg dichtging. Dan op zijn horloge keek en zei 'De twaalf drie en veertig is laat.' Hij kende dienstregelingen - ook die van het goederenverkeer - van buiten.

Tags: 

Kort

 Hans Christian Andersen schreef het kortste sprookje. Zo herinner ik het me, maar ik kan het nergens meer vinden: 'Hompe dompe viel van de trap. Maar hij mocht toch met de prinses trouwen.' Kan het korter?

 Zo is er ook het iets minder korte verhaal Gibs auf! (Geef het op!) van Franz Kafka (1883‑19­24) uit november/december 1922. Hier in de oervertaling van Nini Brunt.

 "Het was heel vroeg in de morgen, de straten schoon en leeg, ik ging naar het station. Toen ik een torenklok met mijn horloge vergeleek, zag ik, dat het al veel later was dan ik gedacht had, ik moest mij erg haasten; door de schrik over deze ontdekking was ik niet zeker meer van de weg, ik was in deze stad nog niet zo goed thuis. Gelukkig was er een agent in de buurt; ik liep naar hem toe en vroeg hem ademloos naar de weg. Hij glimlachte en zei: 'Van mij wilt u de weg weten?'

 'Ja,' zei ik, 'omdat ik hem niet zelf vinden kan.' 'Geef het op, geef het op,' zei hij en keerde zich met een grote zwaai om, zoals mensen die met hun lachen alleen willen zijn."

 Alles zit er in.

Jacob Israël de Haan in Palestina

 Nu de Verenigde Staten hun ambassade naar Jeruzalem verplaatst hebben, volgens Trump al drieduizend jaar de 'eeuwige hoofdstad' van Israël is het goed te lezen hoe anders het daar nog maar honderd jaar terug was. In de levendige biografie die Jan Fontijn schreef over Jacob Israël de Haan, de joodse dichter en in de jaren twintig correspondent in Palestina van het Algemeen Handelsblad, die in 1924 door zionisten vermoord werd.

 Palestina was na WOI aan Engeland toebedeeld als mandaatgebied. Er woonden vele bevolkingsgroepen, veel Arabieren en toenemend Joodse immigranten, waarvan de zionisten een eigen Joods Nationaal Tehuis wilden stichten, waarbij geweld niet werd geschuwd. Probleem was en bleef dat Palestina bewoond was, door anderen.

 De Haan probeerde alle partijen recht te doen in zijn verslagen. Zo ging hij kort voor zijn dood op bezoek bij emir Abdullah van Jordanië, die zei: 'Ik zie geen Joodsche meerderheid in Palestina... en dan nog overal rondom Arabische landen. Gij kunt niet leven in Palestina zonder vrede, ik bedoel werkelijken vrede, met de Groote Arabische Gedachte.' (...) De Emir benadrukte dat alle Arabische landen open liggen voor de Joden, alleen zouden ze geen bijzondere politieke rechten hebben, ook in Palestina niet.'

 De Haans kritiek op het zionisme leverde dreigbrieven op. Bijvoorbeeld deze van 'De Zwarte Hand.':

 'De Haan!  Bij dezen deel ik u mede, dat gij, indien gij ons Land niet voor den vier-en-twintigste van deze maand verlaat, zult worden doodgeschoten als een geemene hond.'

 En zo geschiedde. Lees die biografie!

Oh Lucy!

 Van Carolijn Visser leerde ik dat in Shanghai de Chinezen behalve hun eigen vaak ook een Engelse naam gebruiken. Daaraan dacht ik bij de tragikomische film Oh Lucy!, waarin een cursus Amerikaans-Engels voor Japanners ook begint met een nieuwe naam. Lucy heet eigenlijk Setsuko.

 Een nieuwe taal leren betekent een nieuwe identiteit aannemen. Bij de cursus hoort een blonde pruik. Knuffelen en ook een nieuwe, over gearticuleerde spraak, te oefenen met een balletje in je mond. Een Japanse die een Amerikaanse leert nadoen is onverwacht oerkomisch.

 Taal is weer eens ingrijpender dan je denkt. Wanneer twee zusters en de dochter van een van de twee als gevolg van de cursus bij hun leraar in Californië belanden, blijkt hoe ingrijpend. Hoe beklemmend de Japanse manier van leven is, vooral voor vrouwen, daarover gaat Oh Lucy! Niet toevallig gemaakt door een vrouw: de debuterende Atsuko Hirayanagi.

 En als het drietal dan al ruziënd in Californië is aangeland blijkt de echte vraag te zijn: Wat is erger Japan of Amerika? Waarna zich een dramatisch slot ontvouwt waarin Lucy eindelijk Setsuko mag zijn, maar dan echt.

Tags: 

Kapper

 Net lees ik wat W.G.Sebald zei over zijn kappersangst. Die uit de oorlog stamde. En van zijn Fascistische vader kwam. Hij definieert de Fascistische haardracht zo: 'Geen haar die niet parallel aan de andere lag.'

 'Met deze haardracht werden de kinderen in de naoorlogse tijd geterroriseerd. Het was een verschrikkelijke ervaring dat je elke twee weken onder dwang naar zo'n kapper werd gestuurd. Tot de dag van vandaag voel ik als het winter wordt de ijzige wind op mijn schedel.'

 Die kou op mijn hoofd voel ik nog net zo. In Den Haag, in de Appelstraat, was een hypermoderne jongenskapper, waar je nek werd uitgeschoren met een van de zes tondeuses, waarvoor de stroom langs verchroomde kabels uit een rail aan het plafond kwam. Boven op je kop werd de haarlok dan tenslotte schuin afgeknipt, zodat hij 's ochtends nat achteruit gekamd kon worden tot een kuif. Wat niet lang bleef zitten. Vandaar al die scheve lokken op de voorhoofden.

 Hoe kregen Duitse jongetjes als Winfried Sebald (even oud als ik) hun haar dan zo mooi in het gelid? Antwoord: brillantine.

 De topattractie in de Appelstraat was als het knechtje eens per uur het luik uit de vloer lichtte, waar hij al het jongenshaar van de vloeren dan in veegde. Die kruipruimte vol jongenshaar moet er nog zijn.

Tags: 

Stiltes

 Ieder mens draagt stiltes met zich. Als geuren. In de nieuwe bundel van Leonard Nolens, 'Balans', komt een gedicht 'Stiltes' voor, waarvan de titel - het meervoud - al heel veel zegt, en de eerste regel weet hoe drukkend stilte kan zijn.

 'Eenzaamheid had veel bekijks/ waar ik vandaan kom, het stikt ervan daar./ Sommige stiltes liepen de gang op/ en neer te bokken, andere zaten/ te lachen in kale lokalen en vrienden/ te maken en plannen, allemaal stiltes van sukkels met roemvolle biografieën./ Ze hebben zich feilloos verslikt in elkaar.

 En sinds ik mijn groep daar verliet is het zaak/ zijn stiltes van me af te schudden/ ze liggen me dwars in het gehoor./ Ze leggen knopen in het klankbeeld van de hand die dit allemaal zegt./ (Ook pianisten bestrijken van hoog/ tot laag een breedte met adem, twee handen/ telt hun mond en tien vingers hun stem.)

 Was Leen er nu niet, geen stapsteen verder/ dan in vogelvlucht een dorpskom,/ een straat, een zucht hiervandaan,/ dan had ik geen been om op te staan,/ dan zat ik beslist in het stadspark verdwaald/ al die stiltes met misbaar te verzwijgen/ in schimpschriften, scheldbrieven zonder adres./ Gelukkig heeft eenzaamheid hier geen bekijks.'

Tags: 

Houten plooien

 In hout gesneden gezichten en figuren krijgen een expressie die steen of brons mist. De hand, de messen en scalpels van de houtsnijder blijf je zien in het materiaal. Ook in kleurhoutsneden als die van Wendelien Schönfeld.

 In Boijmans hebben ze Middeleeuws hout dat ik nooit oversla, al is de pas verworven collectie Schoufour-Martin nu weer opgeborgen. Er wordt altijd bij vermeld wat de soort en kwaliteit van het hout is liefst lindehout. En daarbij - als ze gekleurd zijn - wat er in welke tijd voor verf op gestreken is.

 Wat je kunt zien zijn meestal losgesneden figuren uit wat heet retabels, Beeldengroepen bedoeld voor achter het altaar, dat immers een tafel is waaraan het Avondmaal gegeten wordt. Brood en wijn, dit is mijn bloed, dit is mijn lichaam. En daarachter dan taferelen uit de lijdensweg of heiligen.

 In hout. Hout is dicht bij huis, aanraakbaar, bezield, misschien omdat het van een levende boom stamt. Jozef was timmerman, en de zwijgende goedmoedigheid zelf, maar wat hij maakte is niet bekend. Geen beelden zoals die van  Tilman.Riemenschneider in Würzburg.

 Houtsneden zie je weinig meer. Hout is geduld. Een missnede en je kunt opnieuw beginnen. W.F.Hermans gaf een bundel de titel 'Houten leeuwen en leeuwen van goud'.

Pagina's