Hij stuurde het aan de weduwe van Willem Kloos, Jeanne van Stuwe en schreef erbij: 'Daarmede meen ik op mijn terrein gebleven te zijn, maar ook ditmaal, zonder grootspraak, iets van uitzonderlijke kwaliteit bereikt te hebben. Een stukje natuurbeschrijving, behoedzaam met het mysterie van de tijd doorweven.'
Hij kijkt naar de enige villa op het eilandje waar men bij petroleumlampen dineert. Een 'tijdeloze gewaarwording' die hij beschrijft als een déjà-vu. Namelijk de sensatie 'ditzelfde, naar verleden als voor de toekomst, reeds eenmaal zoo beleefd te hebben'.
En dan: 'Tot in haar geringste bijzonderheden wordt de nieuwe omgeving thans hèr-kend, vooraf geweten hoe een serveuse, naast de aanrecht bij de glazen ingangsdeur, met een vluchtige handbeweging aan de haardracht tasten en daarop zich naar de deur begeven zal, om die voor een vrouwelijke gast open te houden. Bijna meisje nog, tenger, zonder eenigen opschik. Alleen hierheen gekomen liet zij zich, behalve bij de maaltijden, met niemand in.'
Biograaf Wam de Moor zegt dan dat de zelfmoord van dit meisje 'de zachte kern vormt van het verhaal' en een afschaduwing vormt van Van Oudshoorns eigen doodsverlangen.
Ik vind haar 'handbeweging aan de haardracht' het mooist. Zouden er nog déjà-vues voorkomen? Je hoort er nooit meer van.