Bril

 'Hij moet een bril.' Het was de schoolarts die het vonnis uitsprak. Meteen zag ik twee werelden. Die van de brildragers en die van de brillozen. De opticien op het Azaleaplein mat me een standaard jongensmontuurtje aan, beetje bruinig van boven, en naar beneden toe verlopend naar onduidelijk beige.

 Wat ik gehoopt had kwam niet uit. Geen paar extra wenkbrauwen geen schijn van volwassenheid, in de spiegel bleef het kindergezicht me aankijken. Bij mijn eerste competitiewedstrijd lag de bril in twee stukken in het gras en had ik een bloedende snee in m'n voorhoofd. Oppassen met koppen dus. Edgar Davids wist ervan. Er waren ijzeren sportbrillen, de monturen daarvan bleven wel heel, maar de glazen braken net zo goed.

 Lelijk ook. Later probeerde ik het probleem op te lossen door de poten zwart te verven met een viltstift. Geen gezicht.

 Vanmorgen kreeg ik een nieuwe bril, vandaar. Nieuw montuur? Nee, een korte tijd was de zwarte rand een beetje terug, maar dat is over. Het Arnon Grunberg 'brievenbus' model blijft. Zolang Arnon er is blijft de glimlachende brievenbus.

ps. De schrijvende fotograaf Ronald Hoeben had als jongen het zelfde probleem. Hij kocht in navolging van Roy Orbison tweedehands een zeer zwaar zwart montuur, maar daar zat wel een hoorapparaat in.

Kleeding

 'Wij zien een bizonder, nog meer in de lengte dan in de breedte, groot hoofd, op een betrekkelijk korte, vierkanten ges­talte, die nader uit een lang dik bovenlijf en korte beenen blijkt te bestaan.' Zo beschrijft Lodewijk van Deyssel zichzelf in augustus 1922. Tevreden is hij niet. Hij vervolgt in het stukje dat Harry Prick uitzocht voor het boekje 'Goddelijke gevoelingen' (in 1998 uitgegeven door Nico Keuning bij Reservaat) als volgt:

 'Dit moet de kleeding corrigeeren. De twee voornaamste te corrigeeren dingen zijn het grote hoofd op de kleine schouders en de korte beenen. Verder is, wanneer die aanwezig is, de algemeene dikte te corrigeeren.'

 En volgt een reeks tips, zoals: 'Dassen, smalle, dunne (die de dikke borst niet nog dikker maken). Overjassen: ulsters, ruig, met hooge kragen (die het hoofd niet te zeer afzonderen van de gestalte).' En in het algemeen, 'Kleeren: ruim en wijd. Sportkleeren (ruig). Pandjesjassen (die de afscheiding tussen lijf en beenen verbergen).'

 Vooraf gaan nog opmerkingen over hoeden - strohoeden oa. - die eindigt met 'kleine ruige jachthoedjes bijna zonder rand. Ook petten met recht vooruitstekende klep.'

 En dit alles ter correctie van een te kortschietende verschijning. Maar geldt dat niet voor veel kleding?

Opsommingen

 Hoe een schijnbaar willekeurige reeks voorwerpen, woorden, een samenhang krijgt.. De dichter weet er van. Wat 'associatie' genoemd wordt verbouwt steeds opnieuw de wereld. In 2017 schreef K.Michel in Maastricht vier gedichten, die vertaald werden door David Colmer. Een ervan heet 'Schaduwstemmenfeiten' en begint zo:

 'De ramen van de school/ staan open/ Op het pleintje ernaast/ is het vrijmarkt/ Wij zitten op een terras/ vlakbij het podium'.

 En dan, halverwege:

 (...) 'Twee voor een euro/ Uberhaupt schrijf je met een umlaut/ Rome werd in één dag gebouwd/ Alle wegen leiden naar de kassa/ Bis bis, niet goed, geld weg/ 'Patatje oorlog?' 'Ach doe mij een bal'/ Gisteren was ik de draad kwijt/ 'Zet je bril dan ook op'/ Gisteren trok ik per ongeluk de stop uit het bad/ 'Ligbad, voetenbad?'/ Nee, buitenbad/ 'Relatief, allemaal relatief'/ Zeker weten/ Het leven - zeg je dan - is net een lul/ keihard en veels te kort/ Ja, dat vind jij, ik heb zo mijn eigen opinies/ "rabarber rabarber"/ doet het koor altijd in de opera/ 'Wablief'/ Door zijn klapbandachtige niesbui/ beslaat dus mijn bril/ Geen hand geen steek/ geen sikkepit... Attentie/ hier volgt en mededeling:/ Feiten eten graag stenen/ feiten krijgen de blues/ leugens hinken op twee benen en/ hebben nooit schijt aan de buren/want de maat is altijd half half vol/ 'Doet het zeer?'/ 'Ach welnee, alleen als ik lach'

(...)  

Tags: 

Het gezicht van de polder

 In de nieuwe polderatlas van Nederland worden zeventien polders uit alle tijden belicht. Met kaarten, luchtfoto's en tekeningen zie je hoe grote delen van ons land de vorm kregen die ze nu vaak nog hebben. Hoe ging dat?

 Neem de Haarlemmermeer. Tegenwoordig een nieuwe bollenstreek, maar hoe begon het? 'Op 29 november 1836 stuwde een Zuidwesterstorm het water op tot voor de poorten van Amsterdam, waarbij de dorpen Sloten en Osdorp onderliepen.' Het meer was in de loop der eeuwen almaar gegroeid en had vele dorpen verzwolgen.

 Koning Willem I stelde een commissie in en zo ontstond de eerste staatspolder. Leeghwater had al in 1641 een fantastisch plan gemaakt om de Haarlemmermeer met 160 windmolens droog te maken en te houden, maar pas stoomkracht kon het aan. Dat moet een oorverdovend gestamp geweest zijn vlak onder Haarlem. Met voor het eerst drie reusachtige stoomgemalen, waarvan er eentje Cruquius heette naar pionier Nicolaas Kruik. In 1849 waren ze klaar. De eerste stoombemaling van een polder. die verkocht werd aan grootgrondbezitters en speculanten.

 Toen moesten er dorpen komen, een landschap. De kerken kwamen in Hoofddorp. De aanleg van een groot bos, steeds een leidend idee, werd als eerste verworpen. De polder werd een wingewest, met een karig landschap zonder enig arcadisch idee. Geen buitenplaatsen, geen groenvoorzieningen. En dat is nog zo. Een pijnlijke mislukking.

Mijn Hanny-jaren

 Het is hoogzomer, met open balkondeuren heb ik eerst alle dagen naar de heggeschaarvogel geluisterd. Die is vertrokken, nu is de beurt aan de tikmachinevogel. Een veel lichter geluid, maar even volhardend. De vogels zelf heb ik nooit gezien, ze verstoppen zich in het struweel. Langzaam nader ik het eind van mijn Hanny Michaelis-jaren. Al meer dan twee jaren leef ik met haar 'Oorlogsdagboeken'. Waarin ze zich vaak vastklampt aan de natuur, de seizoenen rond de adressen op het platteland waar ze als dienstmeisje onderdook.

 Ik kende haar een beetje, we liepen een paar keer stijf gearmd van haar huis aan de Reguliersgracht naar de studio aan de Amstel. Ze droeg haar jas met de kokette bontkraag. Maar was bang voor de 'Arabieren' in de shoarmatentjes in de Halvemaansteeg. En nu vond ik het boekje terug dat dagboeken-samensteller Nop Maas in 2008, een jaar na haar dood maakte met een paar gedichten en aantekeningen uit haar nalatenschap. Zoals:

'Nu en toen

en later dooreengevloeid

in het grondwater van de nacht.

Over tuinen en achtergevels

tuurt een wijd opengesperd

okergeel oog door de duisternis

waar niets beweegt In mijn binnenste

roert zich geen gedachte, geen gevoel.

Onwezenlijk evenwicht

zonder een spoor van vrede.'

Tags: 

Waarom Amerikanen niet voetballen

 Er zijn enkelingen, met Europese bindingen, ze huren weleens oude Europese of Latijnse topspelers, er is zelfs een nationaal elftal maar dat is nu in Moskou onzichtbaar. Waarom toch? Waarom niet?

 Wij groeien op met de bal. Van Iran tot Puttershoek. China komt snel bij. Wil je de vrede in een asielzoekerskamp bewaren, or­ganiseer een voetbaltoernooi.

 Ik vroeg het Amerikanen vaak en hun argumenten waren me vreemd. Ze zagen graag dat er veel punten werden gescoord in sport. Een wedstrijd die eindigde met 0-0 vonden ze het saais­te dat er bestaat. Basketbal moet eindigen in 73-67. Ik pleitte voor de 'brilstand'. En het spel van de duizend mislukkingen.

 Maar, lijkt mij, het verschil tussen Amerikanen en de rest zit hem in het teamspel. Het meest besproken onderwerp blijft het in dienst van een team spelen, met afspraken over tactiek, strategie en rolverdeling. De Amerikaan kent dat niet, die heeft zijn erf en hij schiet op alles wat in de buurt komt. De kern van America first is 'ik eerst'. Winnaars.

 Diep ontroerend vind ik in voetbal de verzoeningsrituelen na een verloren wedstrijd, winnaars omhelzen verliezers. Verliezen is levenskunst. Je kunt jaren voetballen zonder ooit kampioen te worden. Lionel Messi stond vanmiddag wezenloos verloren in de spelersmenigte na het verlies van Argentinië tegen Frankrijk. Handjes op zijn schouders ontgingen hem. Er werd gefluisterd dat hij betaald werd om zo te blijven staan. Onzin. Vanmiddag waren ook Ronaldo en de Portugezen stijlvolle verliezers.

 Donald Trump zou er niets van begrijpen.

Western?

 Ze deden me denken aan de ploegen Zwitsers of wat ze ook waren die bij mij om de hoek de Noord-Zuidlijn aanlegden. Zeer herkenbaar aan hun plastic helmpjes Nu zijn ze weer weg, maar lange tijd zag je ze wel mondvoorraad kopen bij Bakker Bart.

 Wat zou hun volgende klus zijn? Een stuwdam ergens in Portugal?

 De Duitse Valeska stuurt in haar film 'Western' zo'n ploeg Duitstalige arbeiders naar een hydro-elektrisch project in een rivierdal in Bulgarije. De vreemdelingen vervullen de dorpsbew­oners nabij met argwaan. Klassieke wendingen. De voor­man, die in Afghanistan zat, versiert het mooiste meisje van het dorp.

 Inderdaad, Western clichés als de loner, de stranger in town. En een dispuut over water dat gepikt lijkt uit 'Manon des sources'. 

 Maar ja, een erg mooi landschap met houten bouwsels erin dat herinnert aan echte Westerns. Vechtpartijen en paarden, veel onnodige paarden. Er klinkt nog net geen mondharmonica.

Onder water

 Dat Willem Brakman bang was voor wat er onder het wateroppervlak leeft ontdekte ik tijdens een roeitochtje over de Scheveningse 'Waterpartij'. Hij was daar als jongen vaak heen gelopen - op weg naar de tennismeisjes op De Bataaf - en wist er alles van.

 Aan de 'Waterpartij' ligt nu het Indische oorlogsmonument, waar eens per jaar de slachtoffers van onze koloniale aanwezigheid herdacht worden. Het hele jaar door liggen er verse bloemen. Een ziekenhuis employé vertelde me dat er een afspraak was met de Haagse ziekenhuizen om de overgeschoten bloemen van het ziekenbezoek daarheen te brengen.

 Willem, opgegroeid in Duindorp, vlak aan zee, legde me uit dat hij nooit verder dan zijn kuiten in zee had gedurfd. Uit angst voor wat er onder de waterspiegel leefde. Zeedieren met scherpe tandjes die het op de geslachtsdelen van argeloze zwemmers hadden voorzien.

 Ik roeide voort over de waterpartij, terwijl hij uitlegde dat het daar zeer diep was door de zandwinning voor het ophogen van de veengrond in de grote stadsdelen waar gebouwd moest worden.

 Zand is geld, veen is minder soort. De scheidslijn die de stad langs de Laan van Meerdervoort in tweeën deelt. Zo zit het in Den Haag. En zo was ik niet verbaasd toen buurtgenoot Wim de Bie me belde terwijl hij bezig was zijn ouderlijkhuis te ontruimen. 'Ik was hier in de kruipruimte en je raadt nooit wat ik daar vind: zand.' Tja, onze buurt grensde aan de tuinderijen van het Westland, je zou hier veen verwachten. Zand was meteen een stuk chiquer. Maar ik moest hem teleurstellen: 'Dat zand is er op gebracht voor ze gingen bouwen', wist ik van Brakman.

Wolken, land, water

 Heet een schets van J.van Oudshoorn die in 1940 verscheen in het blad De Nieuwe Gids. Het gaat terug op zijn verblijf in augustus 1923 met zijn vrouw op het Oostzee-eilandje Hiddensee, bij Rügen.

 Hij stuurde het aan de weduwe van Willem Kloos, Jeanne van Stuwe en schreef erbij: 'Daarmede meen ik op mijn terrein gebleven te zijn, maar ook ditmaal, zonder grootspraak, iets van uitzonderlijke kwaliteit bereikt te hebben. Een stukje natuurbeschrijving, behoedzaam met het mysterie van de tijd doorweven.'

 Hij kijkt naar de enige villa op het eilandje waar men bij petroleumlampen dineert. Een 'tijdeloze gewaarwording' die hij beschrijft als een déjà-vu. Namelijk de sensatie 'ditzelfde, naar verleden als voor de toekomst, reeds eenmaal zoo beleefd te hebben'.

 En dan: 'Tot in haar geringste bijzonderheden wordt de nieuwe omgeving thans hèr-kend, vooraf geweten hoe een serveuse, naast de aanrecht bij de glazen ingangsdeur, met een vluchtige handbeweging aan de haardracht tasten en daarop zich naar de deur begeven zal, om die voor een vrouwelijke gast open te houden. Bijna meisje nog, tenger, zonder eenigen opschik. Alleen hierheen gekomen liet zij zich, behalve bij de maaltijden, met niemand in.'

 Biograaf Wam de Moor zegt dan dat de zelfmoord van dit meisje 'de zachte kern vormt van het verhaal' en een afschaduwing vormt van Van Oudshoorns eigen doodsverlangen.

 Ik vind haar 'handbeweging aan de haardracht' het mooist. Zouden er nog déjà-vues voorkomen? Je hoort er nooit meer van.

Campo de Fiori

 Het is vakantie en ik blijf thuis. Ik kwam eens uit het Zuiden. Raccordo anulare stond op de borden, al honderden kilometers voor ik de stad Rome naderde. Het was 1976, de eerste keer dat ik per auto, een oude Renault 4, naar de stad reed. Onder ieder richtingaanwijzer hing een bord met reusachtige koffiekop.

 Ter hoogte van Avellino, hoog in de bergen, bleek de koffiekop voor een houten keet te staan waar vrachtrijders espresso stonden te drinken. Het onweerde. Raccordo Anulare. Wat zou dat toch betekenen. Ik stopte en vond in het woordenboekje de betekenis 'ringvinger'. Pas uren later kwam rondweg. En reed ik de stad in. Later bleek anulare behalve ringvinger ook 'ringweg' te betekenen.

 Toen de stad in. Onwaarschijnlijk moeilijk. Ik herkende het Pantheon, kon er zelfs mijn auto kwijt om een blik op de ronde opening in het gewelf te gaan werpen. Het regende, maar op deze afstand merkte je dat niet.

 Maar nu, een hotel. Ik vond een zeldzame parkeerplek in de autochaos en bij het zesde adres, aan de Campo de Fiori bleek tenslotte nog een kamer vrij. Ik kreeg een sleutel aan een blok hout en zeulde samen met mijn vrien­din onze bagage, waaronder de tent, omhoog. Vier trappen. Het was al donker. De deur van kamer 47 was kennelijk ingetrapt geweest en met ruwe planken provis­orisch dichtgetimmerd.

 Binnen was de laatste bewoner kennelijk in haast vertrokken. Maar goed, een bed. Al zat het behang vol vegen, die wel bloedvegen moesten zijn.

 In mijn nachtkastje vond ik een panty en een boek: 'On the road' van Jack Kerouac.

Pagina's