In Burkina Faso

 Een lastig dertienjarig Frans jongetje uit de buurt van Lyon wordt gedropt in een dorp in Burkina Faso. Zijn vader heeft hem onder het mom van vakantie naar zijn oom in het moederland gestuurd, waar alles anders is.

 Je ziet hoe Ady, zoontje van een vader uit de voormalig Franse kolonie en een Franse moeder alles moet leren. Oom is in het dorp oppermachtig. Zijn paspoort wordt ingenomen, Ady heeft een schuld aan hem omdat hij sportschoenen kocht van geld dat voor oom bestemd was, en is voortaan van zijn gril­len afhankelijk. Er moet gewerkt worden.

 Omdat hij nog onbesneden is hangt hem een initiatierite boven het hoofd. In het dorp wordt geklaagd dat de jongeren tegen­woordig naar elkaar luisteren en niet naar de ouderen. Maar intussen is er oom Amadou.

 Wat de Zwitserse filmer Berni Goldblat, die in Burkina Faso woont, wil zeggen wordt niet echt duidelijk. Is dit een ode aan het o zo mooi ogende dagelijks leven daar, of wil hij laten zien dat er voor jongeren geen toekomst is.

 Met op de achtergrond de grote trek naar de Middellandse Zee. En de impliciete raad: ga terug. 

Onderwereld

 Ik was in Virgilio, de geboorteplaats van Vergilius, bij Mantova aan de Po. Die hij in zijn Aeneis noemt als hij de Elyseese velden beschrijft. Waar de gelukzaligen in het hiernamaals zich vermaken, wachtend tot ze misschien met een schoongewassen ziel en een blank geheugen terug mogen naar een nieuw aards bestaan.

 Ik dacht terug aan mijn eindexamen. Midden in de verder lege 'meisjesgym' - die bestond omdat gymnastiek gescheiden werd gegeven - stond een tafel met drie stoelen onder de hoog opgetrokken ringen. Rondom wandrekken.

 Dr. Jan van Gelder deed het Latijn, Vergilius. Naast hem zat een Vlaamse gecommitteerde, Dr. De Waele. Van Gelder vroeg me naar het zevende boek van de Aeneis. Er opende zich een diep gat waar ik in verdween. In de les was het zevende boek niet aan bod gekomen, dacht ik. Van Gelder maakte een vermoeide indruk, hij probeerde me te helpen en begon over de onderwereld.

 Pas thuis ontdekte ik dat Aeneas daar al in het zesde boek zijn vader Anchises terugvindt, die de zielen inspecteert die wieweet ooit terug mogen naar het levenslicht.

 Anchises: 'De zielen die van het fatum een tweede lichaam verkrijgen, drinken vergetelheid en bevrijding van zorgen uit deze stroom van de Lethe.' De onderwereldrivier de Lethe moet dan toch wel uitmonden in de Po. Niet ver van waar de dichter woonde.

 Ik kreeg een zes.

Dèr Mouw fietst

 Zonder bijgedachten opgaan in wat je omgeeft. Zoals de zomeravond gisteren. Toen ik nog even in m'n balkon­tuintje zat, in lauwe, luwe lucht. Zitten, meer niet. De stilte laten neerdalen. Zo 's avonds laat als het groen een zacht fluisterend gor­dijn wordt. Je blijft de blaadjes zien maar de kleur verschuift naar bijna zwart. En vandaag is het weer voor Der Mouw. Zijn fietstoch­tje:

 'De laan in, uit westelijke wolkensluis,

stuwt-op 't oranje licht; 't gewelf van toppen

lijkt, vastgeklonken met fel kop'ren knoppen

geelgroene naad van zacht hellende buis 

 

 Ik freewheel over licht; langwerp'ge droppen

trillen op 't stuur; en 'k luister naar 't geruis

achter me in 't dorre blad, en naar 't gedruis

bij sprong of droog geknap van beukedoppen.

 

 Tot streep smelt saam 't versneld metaalgetikkel.

Hard gonst de nobel-koele wind. Op 't nikkel

schittert een dubbelster, oranjerood

 

 aan 't einde van de laan, om me op te vangen,

staat, groot, de zon. Voort vlieg 'k, in vreemd verlangen  

naar iets - onzegbaar, tijdloos: liefde-en-dood

Tags: 

Koreaanse teddybeer

 Ga je per ongeluk de grens tussen de beide Korea's over dan zit je altijd verkeer­d. Ofwel je bent een afvallige of een spion. De film begin met een scene bij de Noord-Koreaanse visser Nam thuis. Zijn vrouw is bezig met naald en draad de oude teddybeer van hun dochtertje te herstellen.

 'The net', die draait in het Worldcinema festival, is precies de goeie titel voor een film over een visser die de grens over drijft als zijn buiten­boordmotor zich in z'n net vastdraait. Hij drijft af naar het Zuiden. Waar hij zich verstrikt in het netwerk van de spionnenvangers.

 Een spion is een trofee. Met harde hand wordt geprobeerd een spion van visser Nam te maken. Hij van zijn kant weet dat hij gevaar loopt. Hij mag niets zien in het Zuiden en houdt z'n ogen stijf dicht tijdens een rondrit door Seoel. Hij wil niets liever dan zich aan de regels houden en terug naar huis. Het aanbod in het Zuiden te blijven wijst hij stellig af.

 Als hij toch zijn ogen opent ziet Nam in een drukke winkelstraat zoals hij er nooit een zag dat de winkels in Seoel vol teddyberen liggen. Hij wordt bij z'n wandeling voortdurend door camera's gevolgd.

 Als ie tenslotte naar het Noorden wordt teruggestuurd lijkt dat aan beide kanten van de grens de zelfde spionnen paranoia heerst. En moet hij ook daar drie maal opschrijven wat hij gedaan en gezien heeft. Wat wil hij? Hij wil terug naar huis.

 Regisseur Kim Ki-duk, bekend van oa. de meesterlijke Bin-jip, over de onzichtbare medebewoner, heeft van de teddybeer een centrale figuur gemaakt in deze wereld. Nam krijgt een Zuid-Koreaanse mee, die kan praten en bewegen. Met akelige oogjes. Noord- of Zuid-Korea, voor hem zijn ze even slecht. En als Nam eenmaal murw geslagen thuis is heeft z'n dochtertje toch liever haar oude teddybeer.

Renaissance

 Het nieuwe nummer van Kunstschrift bracht me naar het Italië dat ik in de jaren '60 en '70 bereisde met altijd haperende R4's, zodat ik meer weet van Italiaanse garages van toen dan van de Renaissance.

 Van het drinkwater in Mantova, dat zo slecht was en vol chloor dat je er een fles mineraal bij kreeg om je tanden te poetsen. Van nachten zo koud dat je wel in paleizen sliep, maar met je schoe­nen aan en het vloerkleed over de dekens.

 Ferrara en Mantova - maar ook Milaan en Urbino - en hun vorsten­huizen komen uitvoerig aan bod. Waar oorlogvoeren niet alleen gebeurde op het slagveld, maar door de vorstinnen tegelijk ook in aankleding, opsmuk en het werk van hofschilders. Kunst was politiek. 'La bella figura' heet het nog steeds. Hitler verkeek zich totaal op de show die Mussolini voor hem opvoerde.

 Ik had geluk toen ik het paleis van Isabella d'Este (1474-1539) in Mantova bezocht om de Mantegna's te zien. Alle luiken en ramen waren voor een keertje geopend, daglicht drong binnen voor een grote schoonmaak. Zo zag ik de Camera degli sposi waar bv. iedereen omlaag kijkt naar het echtelijk bed.

 In het Palazzo Schifanoia in Ferrara, het lustslot van de Este's, zag ik de fresco's met de maanden van het jaar waarop te zien is hoe de families met elkaar omgingen, elkaar de ogen uitstaken en voordelige huwelijken arrangeerden.

 Spannend in dit nummer is ook wat Sara van Dijk schrijft over de ontmoetingen als die tussen Isabella d'Este en Lucrezia Borgia, Waarbij Isabella door spionnen liet uitvissen wat de ander voor - zeer kostbare, met juwelen bezette - kleren zou dragen.

Gust Gils

 Op de dagelijkse gedichtendienst Laurens Jz Coster dook vandaag opeens Gust Gils (1924-2002) op. Met zijn ‘Biografie’. Laurens Jz verwees naar nog een paar gedichten, waarvan me dit trof: ‘Tot algemene verbazing’. Meteen dacht ik aan Wim T. Schippers die ik eens de werking van een grap hoorde uitleggen.

 Zoals bijvoorbeeld het gebruik van het zinledige woordje ‘’pollens’’, als Barend Servet het zegt. ’De eerste keer lachen de mensen, de tweede keer ook nog wel, maar de derde keer blijft het stil. En dan,’ zei Wim, ‘dan moet je niet ophouden maar doorgaan. En je zal zien, bij de dertiende keer ‘’pollens’’ lachen ze weer. En dan gaat het door. Gust Gils nadert dat zelfde punt in zijn ’De onvoorspelbare’, uit Onzachte landing (1979) :  

‘eerlijk gezegd 
pas voorbij het punt 
waar je ervan overtuigd bent geraakt 
dat je er beter zou aan doen 
helemaal te zwijgen 

pas dan 
wordt het opnieuw boeiend 
om tóch nog iets te zeggen 
en zomaar te kijken wat er gebeurt 

en dat geldt voor dichters 
zowel als wittgensteins ‘

 Het was Wim Schippers die me een keer toen we uitgeteld op een Hilversums bankje zaten in ernst zei:  ’Vind jij het ook zo erg om Wim te heten.’

Het andere Mauritshuis

 Wie in het Rosa Spier Huis tentoonstelt, zoals nu Emo Verkerk, Joost van den Toorn en Rudy Klomp, weet dat de omgeving, net als het Mauritshuis maar dan anders, gaat meespreken. Electrische rolstoelen rijden er doorheen, verzorgsters lopen mee.

 De serie lino's van kalkoenen die Emo tot mijn verbazing maakte lijken bestemd voor de keramische borden met herkenbare koppen van Van den Toorn.

 Ze eten hier straks kalkoen.

 Tegelijk blijft het werk overeind. Het hangt hier of het er thuishoort. De Spinoza's van Verkerk, zijn Jeroen Brouwers- of Aby Warburgportretten, de klonterige objecten van de 'pararealist' Klomp.

 De drie waren hier eerder, ze noemen zich zelfs de Rosa Spier groep.

 En ik weet weer waarom ik zo gehecht ben aan de schilderijtjes in het wachtzaaltje van de trombosedienst waar ik elke drie weken mijn nummertje trek.

Tags: 

Rogi Wieg

 Op 21 juli 2015 werd de dichter Rogi Wieg in Buitenveldert begraven op de katholieke begraafplaats waar de schilder Rik Wouters in 1916 zijn eerste graf vond.

 Zijn uitgever In de Knipscheer heeft nu een bundel uitgebracht met gedichten over en aan Rogi. Ik kende hem van het radiowerk. Uitzonderlijk was zijn deelname aan 'Kamer in de toekomst', waarin hij en Helga Ruebsamen zich in 1996 eenzaam lieten opsluiten in de Euromast, met als enig contact met de buitenwereld het nog prille Internet. Rogi's bijdrage was veelzeggend: hij deed alles om die 'toekomst' te saboteren. In de bundel 'In de ring van menselijke warmte' staat van Sylvia Hubers 'Ik ben er niet': 

 Ik ben er niet, nee, ik ben er niet

Ik ben er nooit geweest

Wat u hier ziet - ik zie u kijken

dat is niet ik

            ik heb het niet gedaan

Gaat u nou maar verder

U bent er wel, ik zie u zijn

            ik heb het niet gedaan

            ik was er niet ben er niet

            zal er nooit

U staart naar mij

U kijkt graag in een leegte

U ziet om mij heen misschien

wat ik heb achtergelaten

            toen ik er, net als nu

            niet was

Rook

 De in januari jl. overleden schrijver John Berger maakte samen met zijn vriend de tekenaar Selcuk Demirel het boekje 'Smoke'. Over de rokende wereld, die wieweet komende eeuw verleden tijd zal zijn.

 'Was ich noch zu sagen hatte dauert eine Zigarette' benad­ert de betekenis die de verstokte roker John Berger aan het roken gaf. In je eentje of samen, van een sigaret.

 Een gat in de tijd, na iets en voor iets anders. Een tussenbeide. Waar bleef het?

 Nu het roken verboden is of men er mee ophoudt, zijn die gestolen tussenpozen verdwenen? Integendeel denk ik, als je kijkt naar de koppige dissidenten die in de ijzige kou op de stoepen van cafés, in middagpauzes om het hoekje op de stoep voor een kantoor staan te blauwbekken. De sigaret is de nieuwe vredespijp geworden.

 Waarom niet, zeggen rokers 'dood gaan we toch'. Wat eerder of wat later, wat doet het ertoe?

 Intussen zijn we van de rokende in de etende wereld aangeland. Zou het een verbetering zijn?

 Het boekje van Berger en Demirel vervult me met een diep heimwee. Alles liever dan dik worden.

Braziliaans drama

 Altijd lastig de enige te zijn die iets mooi of lelijk vindt wat de anderen om je heen luidkeels toejuichen of afkeuren. Zo verging het me vanavond met de veelgeprezen, zeer langdurige Braziliaanse film Aquarius.

 Een verhaal waarin zonder aarzeling de grofste dramatische middelen worden ingezet. Hoofdrol is de ster Sonia Braga, die onmiddellijk de douche onder moet om haar na kanker geamputeerde borst te laten zien. Waarom? In het verhaal heeft het geen andere functie dan te laten zien dat ze als vrouw uitgeteld is.

 En dan wordt haar huis haar ontnomen door een projectontwikkelaar. Natuurlijk gaat ze niet in op zijn riante aanbod het te kopen, ze heeft haar trots. Terwijl haar kinderen, de huishoudster en wij bioscoopbezoekers denken 'doe nou maar' blijft ze koppig zitten. Geen welgesteld Braziliaans huishouden zonder zo'n wijze huishoudster, leerde ik uit de Braziliaanse brieven van August Willemsen, maar deze kan alleen hoofdschuddend toezien. En denken 'ze zullen je wegpesten Clara'.

 Maar het scenario gunt haar een onwaarschijnlijk geluk. Haar advocate vindt iets tegen de projectontwikkelaar, die juist een termietenplaag - nog zo'n dramatisch paardenmiddel, en niet geestig bedoeld - heeft georganiseerd om haar te verjagen.

 Okee, vijf ballen en een stijve kont.

Pagina's