Marcel van Eeden in Diepenheim

 Morgen opent in Diepenheim de tentoonstel­ling die Marcel van Eeden maakte met tekeningen van geest­verwanten en twee nieuwe van hem zelf op groot formaat. Dat is nieuw. Formaat veran­dert veel. Ik zeg ook iets.

 Motto: 'I who make mistakes on the eternal typewrite­r' (Ginsberg). Mooi, als we schrijven doen we dat allemaal op die ene, eeuwige tikmachine, en we maken onvermijdelijk allemaal fout­en, onuit­wisbare. De machine onthoudt alles. Zo lees ik die regel.

 En dacht meteen aan W.F.Hermans en zijn boek Het evangelie van O. Dapper Dapper. Waarin de schrijfmachine uitgroeit tot een een vernietigende reuzenmachine in de Vijzelstraat.

 Marcel wilde vroeger schrijver worden. Is een lezer, heeft ook gewerkt als bibliothecaris. In zijn werk is het schrijven nooit ver weg. Immers, tussen tekst en beeld bevindt zich het verhaal. Al sinds de Middeleeuwen, in het tapijt van Bayeux en zo door.

 Vaak voorzien van tekst linten. Voorlopers van de tekstballonen.

 Marcel tekent de wereld van voor zijn geboorte (1965). Zijn werk lijkt een picturale pendant van de Temps perdu die  Marcel Proust probeert te achterhalen of beter opnieuw te scheppen. Met het verschil dat Marcel van Eeden zijn verloren tijd nooit gekend heeft. Kun je iets verliezen dat je nooit hebt gehad? Dat is het raadsel dat hij opgeeft.

 Hij voert je mee naar een hiervoormaals, waar men zijn ordelijke, alledaagse gang gaat zonder te weten wat wij weten, namelijk wat komen gaat. Niet veel goeds. 

Muis en ik

 Je hebt altijd maar een muis. De mijne mag gerust over mijn voet lopen als ik de krant lees. Maar als er meer door de kamer rennen moet er iets gebeuren. Ik heb al twee uit­gedroogde familieleden opgeveegd.

 Muis is geen grapj­e, zoals in tekenfilms, waar de kat zegt 'I hate those mieces to pieces'. Muis is een mooi en intelligent dier.

 Ik kom binnen en muis zit midden op het tapijt, doodstil. Hij rent niet weg. Ik denk dat hij dood is - ik zet dus doosjes gif - en ga naar de keuken om veger en blik. Maar dan loopt muis weg, niet al te vlug maar toch, en verstopt zich.

 Die avond ligt muis op het tapijt. En is dood. In de keuken loopt een bloedspoor over de vloer. Ik, de moordenaar, veeg hem op en lap schuldig de vloer. Nu rust de ontzielde muis in een vuilniszak die ik nog weg moet doen.

 Vallen zijn geprobeerd maar werken niet of blijken martelwerktuigen. De Partij voor de Dieren heb ik er nooit over gehoord. 

 Heel de dag is muis niet uit mijn gedachten. Hoe erg is het een muis te vermoorden? Eigenlijk lijkt het me onzegbaar erg. Muis is lief en ik ben een monster.

Mondriaans Roode Molen

 Verder in 'Alleen een wonder kan je dragen' van Leon Hanssen, over Mondriaan. Wat is een molen? De vuurdoop van een molenaars­zoon is van oudsher vastgebonden worden aan de wieken en dan meedraaien in vliegende wind.

 Dan is er de betekenis van de stand der wieken in rust. Piet Mondriaan schilderde vele molens en ook voor hem waren ze rijk aan betekenis. De beroemdste is De Roode Molen (1911), in Domburg. Door tijdgenoten religieus geduid: een kruis. Critici grapten ook wel dat Piet een tik van de molen beet had.

 Zo komt Hanssen weer bij de twee kanten aan Mondriaan. De anarchistische, revolutionaire die de Molen schuin in beeld brengt of pal van voren, in de lucht hangend. Anderzijds wilde hij af van het 'visuele zien', maar schilderen wat 'de geest ziet'. Geen molens meer.

 Hoe is de anarchistische en mystieke kant van zijn vroege tijd te rijmen met de man van De Stijl, de 'uitvoerder van objectieve wetmatigheden', in dienst van universele wetten. Hij was het machinale werktuig in de hand van de absolute geest, die hem de patronen 'op de juist plaats' dirigeerde

 De man met de missie bleef tegelijk een dromer. Hij schreef: 'I had to seek the true way alone'. Het is of je Van Gogh leest. De romantische kunstenaar verlaat hem niet. Getuige zijn worsteling met de onvoltooide Victory Boogie Woogie. 

Tags: 

Hanssen en Mondriaan

 Van biograaf Léon Hanssen verscheen in 2015 het eerste deel van zijn Mondriaan-biografie. Hij is bezig met het tweede (de jaren 1933-1944). En nu, tussenbeide, ligt er een vermakelijk boek met overwegingen, bijzaken, en vooral aantekeningen van de biograaf.

 Titel: 'Alleen een wonder kan je dragen. Over het sublieme bij Mondriaan.' Mondriaan, dat mirakel van schijnbare rechtlijnigheid. De man die al z'n post na lezing verbrandde als bijzaak. Die zo doodsbang was voor syfilis dat hij vrouwen maar spaarzaam tot zich toeliet. Of? Ik lees diagonaal als altijd en ben nog maar net begonnen. Dat klopt geloof ik wel met de manier waarop Hanssen te werk gaat. Dolend, vrij associërend.

 Had Mondriaan nu een deurbel in zijn Parijse atelier aan de Rue du Départ, of moest je daar kloppen? De bronnen spreken elkaar tegen.

 'Wie zich in het verleden begeeft omringt zich met spoken' luidt zijn bemoedigende eerste zin. Mondriaan geldt als een ijskonijn. Was hij dat ook? Een levensbeschrijving als de zijne, via lange kloosterjaren in artistiek Parijs naar de Broadway Boogie Woogie moet wel een grillig pad zijn. En hoe doe je dat recht?

 Wonen in huizen die als een schilderij zijn ingericht, hoe doe je dat? Het leven als kunstwerk of leven voor het kunstwerk. Zoals Hanssen het schrijft: 'enerzijds de lichaamloze priesterartiest en anderzijds zijn lijflijke plaatsvervanger op aarde...'. Ik lees en blader driftig door. Uitgever is ‘Huis Clos’.

Ongesigneerd

 Hans Heesen is directeur en suppoost van het Zutphense 'Museum voor ongesigneerde en vlooienmarktkunst'. Ik bezoek de site vaak. Hij is vol raadselen.

 Mensen schilderen. Zolang er doeken, stukken hout, kartonnetjes en verf zijn proberen ze vast te leggen wat om ze heen is, familie, stadsgezichten. Waarom? Niet omdat ze denken kunstenaar te zijn, al droomden ze dat misschien ooit. Het is hun manier van met de wereld omgaan.

 Nu heb ik zelf een onbestemd schilderijtje. Geërfd van de Antwerpse tante, die ik telkens zei 'wat is dat toch een leuk schilderijtje'.

 'Dat met dat roze wolkje?' Ze had het van de markt. Waar het vandaan kwam, geen idee.

 En nu hangt het bij mij, 25 bij 22 cm. Geen idee van maker, herkomst, jaar van vervaardiging. Ik schat zo'n 50 jaar oud.

 Het is de schilderende hand die ik erbij zie. Het raadselachtige samenspel tussen oog en hand, het uitspoelen van kwasten, het kijken en nogeens kijken, en dan nog een accent aanbrengen. Ik ken het. Van een oude schilder die dagelijks  zo werkte aan doeken die me aanspraken. Ik vroeg waarom hij niet exposeerde. Hij zei 'onvoldoende kwaliteit' en ging door. Hij leeft niet meer. Signeerde nooit. Zijn werk wacht bij mij op zolder, op Hans Heesen.

 ps. Vanaf 8 oktober is er een expositie van Heesens 'Museum' in het Atrium in Zutphen..

Tags: 

Heilig hout

 Er was groot nieuws van museum Boijmans, toch al bezitter van veel middeleeuwse houten beelden en beeldjes. De verzameling Schoufour-Martin werd aan ze vermaakt en is sinds gisteren te zien. Ik erheen, vanmiddag meteen.

 Wat je ziet zijn laat middeleeuwse mannen en vrouwen die optreden als Maria Magdalena, Maria en vele heiligen, maar daarbij wel schitterend aangekleed met veel opsmuk. Vooral gouden sieraden.

 De oude paradox. Buurvrouw ziet haar zoon sterven, kreeg net een kind of wordt door soldaten mishandeld, met alle daar bij horende gelaatsuitdrukkingen. Zo geloofwaardig in hout gesneden als het maar kan. En daarbij is ze merkwaardigerwijs gekleed als een koningin.

 Hoe pracht en praal samen kunnen gaan met alledaagse emotie is het geheim van deze beeldhouwkunst.

 De bloeitijd ligt tussen 1350 en 1550. Eerst moest geleerd worden de Bijbelse figuren vorm te geven, dan volgde de bloei en tenslotte stierven de houten heiligen in hun eigen clichés. Gingen ten onder in massafabricage.

Nora Turato

 Een stem die neigt naar geschoolde coloratuur. Dat is wat ik hoor als ik galerie Juliette Jongsma binnenkom. Het is vol, tot aan de deur staan mensen te luisteren, in het zaaltje zitten ze op de grond en tegen de muren geleund. De kunstenares zingt tekstflarden, stukjes conver­satie, teksten uit sociale media, persoonlijke oprispingen. In het Engels. En soort poetry slam. 'Opening night' heet het.

 Nora Turato beweegt temidden van een verzameling onbegrijpelijke voor­wer­pen. S­tapels kazen van glas lijken het. Er hangt een dik touw omlaag van het plafond voor een spandoek waarop iets staat als 'so i do my thing feels dirty but it goes away so i do my thing'. Turato is muzikante en ontwerpster, nu bij de Rijksacademie. 

 Al luisterend vang ik zinnen op als 'ik kam mijn haar'. En ja, ze is al zingend nogal met dat haar bezig.

 Wat me intrigeert is mijn eigen neiging tot begrijpen. Onmogelijk, niet alles kan begrepen worden. Dit zeker niet.

 Noem het begripsdwang. Daar maakt ze listig gebruik van.

 Aan de voorzijde staat een sleutel tot deze voorstelling. Een kunstmatig beslagen spiegel waarop een vinger onleesbare letters heeft getekend. Woorden die zachtjes wegdruppelen. 

Eigenliefde

 'Omdat je het waard bent'. Deze loze reclamekreet koos Marja Pruis als titel voor haar deeltje in de serie waarin 'Hedendaagse denkers' een klassiek thema bespreken. Ondertitel: 'Nieuw licht op eigenliefde'.

 De vraag is of en hoe de wereld en de mensen veranderd zijn sinds Francois de la Rochefoucauld (1613-1680) zijn Maximen, aforismen over deugd en moraal, noteerde. En daar is de zelfcultus, die in de nieuwe en oude media bloeit. Sinds de dood van God rest ons niets dan het zelf. En dus regent het successen, zelffelicitaties en liefdadigheid op de sociale media.

 'Eigenbelang spreekt alle talen, 'zou Rochefoucauld zeggen, 'en speelt allerlei rollen, zelfs die van onbaatzuchtigheid'.

 Is de mens meer van zichzelf gaan houden? Je zult je toch een beetje eigenliefde moeten toestaan anders is leven niet mogelijk. Maar over zelfmoord heeft Pruis het - anders dan in haar prachtige boek over Patricia de Martelaere - niet.

 Zij zegt 'soms heb ik het idee dat ik van ver kom.' Voelt zich steeds vaker als een 18de-eeuwer die de hele Verlichting over zich heen krijgt maar die het toch niet lukt te accepteren dat God niet bestaat. Zou door verdwijnen van God de eigenliefde zijn aangezwollen tot de groteske vormen van nu?

 Ze moet zich steeds weer over weerzin heen zetten als ze de wereld van nu betreedt. Alsof die bewoond wordt door aliens. Maar ze weet dat ze daar niet alleen in staat. Neem mij. Als ik de wijsgeren lees met hun adviezen hoe te leven en me afvraag hoe maakbaar ik zelf ben kom ik niet verder dan intuïtie en improvisatie. Wat denken is weet ik nog steeds niet, soms blijk ik kennelijk iets gedacht te hebben. En 'de mens', ach jee, die. Maar wie? Zij? Ik? 

Tags: 

Man en stier

 Dat is wat de eigenlijke hoofdpersoon van de film, de oude stier ziet. Een mes weerspiegeld in helder water. Hij zal geofferd worden. Er is in de film een beeld dat de stier en zijn baas Ma Zishan laat zien, zich spiegelend in het water, als het eindelijk weer geregend heeft.

 Ze weten allebei dat de dood nabij is. De vrouw van Ma is gestorven en de rouwperiode zal veertig dagen duren. Aan het eind hoort een gepast offer. De stier is oud en kan de ploeg nauwelijks meer trekken. Maar ook Ma ziet zijn eind naderen. En zo zitten de oude man en de oude stier 's avond bij hun petroleumlamp. En wisselen gedachten.  

 De stier heeft zijn bazin gekend, natuurlijk. Daarom is hij het aangewezen slachtoffer en het lijkt of hij het weet. Zijn ziel zal naar de hemel gaan en daar iets voor haar betekenen. Wat weten mensen niet.

 We zijn in het hoge, kale bergland van West-China, waar men leeft van aardappels en schapen. De witte mutsjes en hoofddoeken zijn naast de schapen de enige accenten. Het zijn niet alleen de veertig dagen rouw, heel het leven is in de film van Xuebo Wang een ingekeerd ceremonie­el, waarin iedere beweging, iedere blik telt. 

 Als het eenmaal zover is en de slachter komt is Ma er niet bij. 

Wasserbomben

 'Patatten en tomatten op een roe'. Kweekt de werkmens in het liedje van Ivan Heylen (1973). Een roe is een reepje grond. 'De werkmens, a zet a hier.'

 Ik woonde aan de rand van het Westland, waarvandaan de tuinders in het seizoen met jute zakken achterop de fiets 's avonds naar de Haagse buitenwijken kwamen. 'Nee niet nodig.'

 De oogst kwam allemaal tegelijk binnen een paar weken. En het  Westland reikte tot het landje achter de tuin waar mijn vader boerde. We aten tomaat, dag in dag uit. Gebakken ei met tomaat, tomaten­salade, tomaten­soep. Weggeven aan kennissen was eindig. Ik kon geen tomaat meer zien.

 'Je hebt het tegengegeten,' zei mijn moeder.

 De Duitsers hadden het ook tegengegeten, de Bildzeitung relde over smaakloze 'Wasserbomben'.

 En nu kreeg ik twee tomatenplantjes cadeau en verstuur ­berichten over de balkonoogst. Eerst gele bloempjes, dan groen en klein, geel, en nu zijn er een paar bijna rood. Maar het groen overheerst. Wat doe ik verkeerd? Veel water, dat doe ik. Veel zon. Maar avondzon of ochtendzon? Kunstmest?

 Ja, de Spanjaarden stuurden de Azteekse xitomatl en de xipotatl, de aardappel, naar huis. Waar ze veredeld werden en eetbaar.

Pagina's