Herinner Helga

 Op z'n Duits uit te spreken omdat haar Duitse vader haar zo genoemd had. Niet dat ze er een punt van maakte. Vaak was ik bij haar in het souterrain en kreeg thee en een koekje of andere lekkernij uit een der vele kleurige blikken trommels. Daarmee begon het, niets was zonder verhaal, thee, maar dan. Of een koekje, overgebleven van, maar er was ook.

 Zo ging het ook als ik haar vroeg voor de radio.

 Zij was het die zorgde dat ik Adriaan Bontebal uitnodigde. Want de symbiose tussen het 'nette' Den Haag en dat van Haagse Harry – tekenaar Marnix Rueb, eigenlijk een keurige jongen, kwam ook uit het Benoordenhout - ging bij Helga dwars door leven en werk heen.

 Een nieuw verhaal, maar welk? Dat van die jogger? Talloos de overwegingen, de zelfinterrupties, de nieuwtjes. De meeste mensen vragen nooit iets, Helga vroeg je het hemd van het lijf, daar aan de duinrand, bij het trameindpunt aan het Zwarte Pad.

 Haagser, Benoordenhoutser dan Helga Ruebsamen (1934-2016) kon niet. En ja ik wist iets. Mijn moeder had op Marlot gewoond. 

 Nu ze er opeens niet meer is valt een peilloze stilte. Ik ruik de zee niet meer, waar ze onder de pier met de hond wandelde. 

Tags: 

Anne Kawala

 Lezen en schrijven, alsof dat zo gewoon is. Na het bekijken en lezen van het omslag en een blik op de schrijversfoto - is die er niet dan zoek ik op Internet - sla ik het boek halverwege open.

 En neem steekproeven. Soms leidt de steekproef tot verder lezen, zodat ik tenslotte terug moet naar het nog ongelezen begin.

 Niets spreekt vanzelf. Vanavond in de Amsterdamse grote OBA hoop ik daarom het optreden van Anne Kawala te zien, bij de presentatie van het nieuwe Tijdschrift Terras, met Franse poëzie.

 In de inleiding citeert vertaalster Kim Andringa hoe ze zich­zelf voorstelt: '(...) ze is geen Parisienne maar je zult haar nooit zonder hoge hakken zien. Je moet weten dat ze daarop rent omdat ze vaak te laat komt.'

 Hopelijk leest ze vanavond iets uit haar nieuwste werk dat gaat over 'hoe ze zich de Middeleeuwen herinnert'. Met als Leitmotiv het uitgesneden hart, zoals dat van Anne van Bretagne (1477-1514), dat vervolgens in goud gegoten wordt om als reliek te kunnen dienen in een schrijn.

 Vanuit dat hart kom je van alles te weten over geleerde vrouwen zoals Anne. Over begijnen bijvoorbeeld.

 Ook leerde ik over de 'assag'. 'Een hoofs gebruik vergelijkbaar met het kweesten of nachtvrijen dat in Nederland op sommige plaatsen nog in de 20e eeuw in zwang was, een proef waarbij twee gelie­fden naakt het bed deelden zonder te bezwijken voor de verleiding elkaar aan te raken.' 

 Het begint vanavond om 20.00.

Hedi

 Een zonnige badplaats. Een keurige jongen die als vertegen­woordiger werkt bij Peugeot, een meisje dat in de toeristenin­dustrie zit. Hoe goed kan de autoverkoper zijn das strikken. Hoe perfect zitten de spijkerbroek en het poloshirt van het meisje.

 Het zou hier om de hoek kunnen zijn, maar dat lijkt maar zo. We zijn in Tunesië, waar de traditie regeert en de Jasmijnrevolutie nog maar kortgeleden strandde.

 De moeder van de verkoper beeldt uit hoe het altijd was en ook zal blijven. Het berustende gezicht van haar zoon blijft je bij, ook door de momenten met zijn vrijgevochten nieuwe vriendin, als er zowaar een lach in hem verborgen bleek te zitten.

 De hoofdfiguren in de film Hedi stappen voortdurend van de ene werkelijkheid in de andere. Tot blijkt dat hun  liefdesgeschiedenis een droom was. Wat ze al die tijd ook wel wisten. En dus gaat de autoverkoper terug naar huis, waar hij een dag later heel klassiek zal trouwen. Met het meisje dat voor hem bedoeld was. En dat hij totaan het huwelijk nooit anders heeft mogen zien dan af en toe heel vluchtig 's avonds in de auto. En dan nog zonder haar aan te raken.

 De gebroeders Dardenne gaven adviezen aan regisseur Ben Attia. En dat is te zien. Dit is in Tunesië 'gewoon'.

Voor en achter

 Jarenlang reed ik over de Merwedebrug bij Gorkum langs een paal vol opgetaste verkeersborden die uit de verte – vooral bij avond - op een staande man leek. Zo sterk dat ik de voet al naar het rempedaal bracht. Maar nee, een paal.

 Baudelaire schreef in 1846 dat een van de grote problemen van de beeldhouwkunst was dat een vast gezichtspunt ontbrak, zoals bij een schilderij. En Giacometti zei: 'Als we iemand interessant of fascinerend vinden gaan we niet om hem heen lopen. De indruk die zijn verschijning op ons maakt, vergt een zekere afstand.'   

 Zijn beelden hebben altijd een voorkant.

 En ja, gestalten en gezichten bepalen het beeld in het Haags Gemeentemuseum bij Van Rodin tot Bourgeois, over sculptuur in de 20ste eeuw. Tot de ontsnappingen komen van vooral Amerikanen in Land Art en Minimal, en later conceptuele kunst. Eerder al bij de Dadaïsten, Arp en Schwitters.

 Maar mens - en dier - bleken onuitroeibaar.

 Het is heel vermakelijk te zien hoe Hans (ofwel Jean) Arp (1886-1966) het oplost. Zijn figuren zijn vaak menselijk en sensueel tot en met, zonder dat je precies kunt aanwijzen waar kop begint en kont eindigt.

 En wat meesterlijk blijft, ze hebben echt geen voor- of achterkant. Zodat je om ze heen blijft draaien, Baudelaire ten spijt.

 Een visuele aanraakbaarheid. De zintuigen gaan hand in hand..

 Zelden komen kijken en aanraken dichter bij elkaar. Maar je mag er niet aankomen. Dat mag alleen Vincent Bijlo op een erg leuk filmpje.   

Tags: 

Sokkels

 Beelden hangen niet, ze staan. Daarom hebben ze meer ruimte nodig dan schilderijen, je wilt er omheen draaien. Op zoek naar die ene kijkhoek. Als je fotografeert merk je dat.

 't Is aan de krappe kant bij de beeldhouwkunst van de 20ste eeuw in het Haags Gemeentemuseum. Van Rodin tot Bourgeois, op een betrekkelijk klein oppervlak. Kleine botsingen zijn het gevolg op de eerste dag.

 Beelden hebben ruimte nodig, loopruimte rondom. Zichtruimte, zodat medetoeschouwers niet steeds je blik breken. En zo zwerf je van Brancusi, Calder en Giacometti naar Arp en Henry Moore. En dan naar Carl Andre en Donald Judd. Van realisme naar abstractie, zeggen ze.

 Nauwelijks pop art en arte povera. Geen Beuys, geen Kounellis. Het verhaal houdt op bij het standbeeld op het voetstuk. Misschien maar goed, nu al duizelde het me. Je verplaatsen in telkens andere personages en hun drijfveren valt niet mee.

 Ik herinner me de meesterlijke tentoonstelling in het Arp-museum in Rolandseck aan de Rijn over het voetstuk. Geschiedschrijving vanuit een detail! Dit werkte.

 Waar is een sokkel, een voetstuk goed voor? Waarom staan beelden op sokkels? Dat was de vraag. Rodin bleek de eerste die zijn beelden sokkelloos op ooghoogte bracht. Daarna werd de sokkel vaak onderdeel van het beeld, zoals bij Giacometti, die immers zo'n moeite had met de proporties van z'n figuren. Hoe ‑ op welke afstand, onder welke hoek ‑ had hij zijn onderwerp 'gezien', dat was zijn grote vraag. Maar vaker was de raadselachtige verhevenheid van het beeld het onderwerp.

 Maar dit soort vragen worden in Den Haag niet gesteld. Het is een geschiedenisles.

Frans lezen en schrijven

 Is het mogelijk een boek te schrijven zo dat een lezer begrijpt wat de schrijver bedoelt? Is het mogelijk een boek te lezen en te begrijpen wat de schrijver wil zeggen?

 Het nieuwe nummer van Tijdschrift Terras, onder de titel 'Onze' (Elf) geeft Franse poëzie van nu. Waaronder nieuwsgierig makende fragmenten uit Dans ma tête (In mijn hoofd), een boek van de dichteres Nadine Agostini (1960) die de onmogelijke relatie lezer-schrijver opwerpt. Uit het begin: (...) 'je kunt niet weten hoe ik denk zolang je niet in je hoofd hebt wat ik heb in het mijne je kunt niets weten je kunt niet denken zoals ik je kunt niet denken zoals ik zolang'

 En daarna een hele rij voorwaarden waaraan een lezer zou moeten voldoen. Dus zolang...:

 'je niet bent grootgebracht door een alcoholistische douanebeambte' en 'je niet bent grootgebracht door de alcoholistische vrouw van een alcoholische douanebeambte'. En nog veel meer. Zoals 'je niet serieus hebt overwogen om het klooster in te gaan' of 'je je niet urenlang hebt beziggehouden met de vraag waar de toiletten waren in Versailles ten tijde van Lodewijk XIV en omdat ze je zeiden dat die er niet waren met denken dat de bedienden hun meesters achternaholden met een po in hun hand en waar zij die po's dan vervolgens leegden (...)'. En: 'je nooit hebt gebeden dat het stopt ik smeek u laat het ophouden ik moet mijn gezond verstand terugvinden ik moet mijn hoofd terugvinden ik ben mijn hoofd kwijtgeraakt (...)'

 En tot slot: 'aan het eind van dit boek zit je nog altijd niet in mijn hoofd je weet niet waarom je dit boek leest'

 Dit vertaald door Ilse Barendregt. Het wachten is nu op het complete 'In mijn hoofd'.

Boekenkast

'Terwijl ik dit tik verandert Kees een kleerkast in een boekenkast. In mijn alkoof. De zoveelste tijdelijke oplossing voor het boeken opbergen. De volgende vraag zal zijn hoe.

 Nu al zie ik dat heel het huis hierdoor verandert, het licht onbekende plaatsen bereikt. Ik zal straks onthand wakker worden.

 Landmeters met driepoten in gele jeks aan de straatoverkant meten en noteren voor de Noord-Zuidlijn. Straks krijgt Kafka's landmeter K. in Das Schloss zijn nieuwe plaats. Een schrijver is een landmeter. Eigenlijk zou Kehlmanns die Vermessung der Welt er straks naast moeten staan. Omdat dit stukje nu naast dat boek hoort.

 Met Rudy Kousbroek heb ik eens de boekenordening uitputtend besproken. Hij schreef er over in 'Een kuil om snikkend in te vallen' (1971). Zijn uitgangspunt was het geheugen. Hij zei 'Ik zoek een boek op de plaats waar ik het het laatst in handen heb gehad, voor een krantenstuk. Het gevolg van opruimen is altijd verhoogde onvindbaarheid, omdat je je steeds eerdere opbergplaatsen herinnert.’ En zo lag zijn huis vol samenhangende stapeltjes boeken en documenten die niet van plaats veranderd mochten worden. Natuurlijke groei. Laten aanslibben.

 Kees doet het in z'n bus, die nu voor de deur staat, net zo. Al zijn gereedschap is terug te vinden op de plaats waar hij het het laatst neerlegde.

 Niet ordenen dus, straks, op taal of op onderwerp ofzo. Wat op de grond of op tafel ligt kan zo de kast in.

 Nog even bekijken dan. Ah, het Spookluchtschip. Naast Kehlmann dus.

 

Paul d'Ivoi

Mijn recept voor lichte koorts. Het mist in Londen, je kunt je uit een zeppelin laten zakken aan een lang touw en binnendringen in een ambassade, zonder gehoord te worden. Je zeppelin blijft geluidloos boven je hangen in de mist.

 D'Ivoi kende ik van m'n grootvader. Een vergeten Jules Verne-pendant die reeksen jongensboeken schreef. Beelden van de wereld van vlak voor WOI. De luchtoorlog is op komst. Gevechtszeppelins worden vertoond voor de Duitse keizer en verongelukken.  En dan nadert het geheime wapen van de Engelsen, 'Miss Widow', het Spookluchtschip (1910):

 'Neen, de hemel boven hen is niet meer eenzaam. Een zwarte stip verplaatst er zich met onberekenbare snelheid in de seconde. Het voorwerp nadert, neemt grooter afmetingen aan. Vaag kan men het onderscheiden. Het heeft naar het schijnt de gedaante van een sloep waar bovenop afdeelingen zijn geplaatst, die den vleugelslag regelen naar de kracht van den wind.

- Wat is dit voor een machine?

Het snelt voort met de snelheid van een meteoor, honderden kilometers per uur zullen later de specialisten zeggen van de aviatuur.'

 Met Hergé heb ik nog over Paul d'Ivoi gesproken. Ook hij had ze als jongen gelezen en in z'n Kuifjes gebruikt.

Baden in Van Deyssel

 Het begon met het boek 'Uit de schrijfcassette van Lodewijk van Deyssel (1978). Teksten verzameld door zijn latere biograaf Harry G.M.Prick. Ik zocht hem op en we maakten een radio-opname. Hieronder te beluisteren. Prick bleek zich geheel vereenzelvigd te hebben met zijn held, die hij 'Oom Karel' mocht noemen. Hij kon hem zeer goed nadoen, werd hem.

 En daar kwamen de verhalen van zijn eerste bezoek, als scholier tijdens de oorlog, met vele treinen uit Maastricht naar Haarlem.

 Ze aten het 'macaroni-schoteltje'. Op straat liep Van Deyssel voor hem en keek grapsgewijs achterwaarts - hij was zeer scheel, naar buiten toe - waarbij hij zei 'Ek neem u waar.'

 En dan de onderbrekingen als toen ze in de erker zaten, Harry een mooi meisje zag passeren en Van Deyssel zei: 'M'n waarde, k' zag dat ge afgeleid werd. Ik geef u een minuut om u te restaureren. Waarna hij z'n vestzakhorloge op tafel legde en een minuut verstreek. Tot hij zei 'Wij hervatten het discours.' Al een paar maanden volg ik de weldadige Van Deyssel-teksten  die verschijnen op zijn Facebook-site. Zoals deze:

 'Het gemis aan evenwicht in mijn karakter weerkaatst zich sinds eenige weken in mijn wanbeheer van mijn werkkamer‑temperatuur. Den heelen dag door heb ik het beurtelings veel te koud en veel te warm, zoo dat mijn gesprekken met smidsknechts, met het bekleeden mijner deur‑ en vensterreten, met het verwis­selen van kachels, het manoeuvreeren van vuurschermen en het met mijn schrijftafel en stoel door de kamer dansen van de eene plek naar de andere, het aan‑ en uit‑doen van verscheidene lagen onder‑ en bovenkleren, en zoo meer, die gedeelten der dagen verpulverd worden, die niet door langdurige moedeloosheids‑buyen over dien zelfden toestand worden in­genomen.'.

Paarden

 Jans was een merrie, een schimmel die op zesjarige leeftijd op 4 april 1885 werd gekocht door de Amsterdamse Omnibus Maatschappij, die tussen 1875 en 1900 zo'n twintig tramlijnen exploiteerde.

 Vroege foto's in het stadsarchief. Schilder George Hendrik Breitner kreeg in 1889 een handcamera, fotografeerde en schilderde ze vaak. Ze hadden veel schimmels bij de tram, terug te vinden in de paardenregisters van de tram. Van de 758 kende Breitner er veel bij naam. Die namen zijn bewaard.

 Veel betrouwbare vrouwennamen als Ada, Bertha of Betsy, maar soms ook Markiezin of Wolf.

 Ik kom hierop door de foto's die nu onder de kop Amsterdam 1900 te zien zijn in het Stadsarchief, meest van onbekenden.

 Je ziet ook de gedaanteverwisseling van de stad in die jaren, doorbraken als de Raadhuisstraat kwamen vaak voort uit de aanleg van sporen voor paar­dentr­am, het autoverk­e­er is van later.

 Paardenmest werd netjes opgeveegd en naar Drente verkocht, maar de stad rook wel naar paardenpis. Rond 1904 kwam de elektrificatie.

 Breitners grote Dam-schilderij uit 1898 is geschilderd vanaf de tweede verdieping van Dam 14, waar nu Peek en Cloppenburg zit.

 Midden op de Dam staat Naatje, monument voor de Nederlandse soldaten die tijdens de Belgische Revolutie van 1830 vochten. Naatje verdween in 1914, wegens slechte conditie - neus en rechterarm waren er al af gevallen.

 En meteen rijst weer de vraag 'kan dat monument op de Dam niet eens weg?' 

Tags: 

Pagina's