Gat

In 1909 bezochten Max Brod en Franz Kafka een vliegtuigshow in Brescia. Ze overnachtten in een hotel waarover Brod in zijn dagboek schreef. 'Brescia was eivol. Omdat we moesten sparen overnachtten we ten slotte in een kamer die we voor een rovershol hielden en waar in het midden van de vloer een kringvormig gat was waardoor je in de daaronder liggende gelagkamer kon kijken.'

 Natuurlijk kon Kafka dat gat niet laten liggen. Het duikt weer op in het advocatenkantoor van het vijf jaar later gesch­reven 'Proces': 'In de vloer van dit vertrek zit nu al sinds meer dan een jaar een gat, niet zo groot dat men er doorheen zou kunnen vallen, maar groot genoeg om er met een been helemaal in weg te zakken. De advocatenkamer ligt op de tweede vliering; als er dus iemand in wegzakt, dan hangt het been in de eerste vliering, en wel precies in de gang waar de cliënten wachten.'

De ochtendeditie van de krant Bohemia van 29 september 1909 met Kafkas Artikel 'Die Aeroplane in Brescia': geschilderd wordt een vliegshow in de stad Brescia, waar Kafka met twee vrienden (Max en zijn broer Otto bij was. De eerste beschrijving van vliegtuigen in de Duitse literatuur. Zoals Kafka ook het eerste auto-ongeluk (in het Bois de Boulogne) beschreef.

Kafka schildert de menigte op het gras rond de hangars, de zondoorgloeide en de voorname toeschouwers. Deftige dames in de nieuwste mode. Ook prominente Kunstenaars als Puccini en d'Annunzio.

Onder de optredende vliegers zijn Henri Rougier, Glenn Curtiss, Louis Bleriot (die als eerste het Kanaal overvloog) en Alfred Leblanc. Onrustig bereiden ze hun start voor.

De analogie is duidelijk: wat is een schrijver anders dan een eenzame piloot, alleen, hoog boven de menigte.

Monte Sant' Angelo

 Er vertrokken kruistochten vanuit Manfredonia in Apulië, waar de huizen bij uitzondering wit zijn wit zijn. De aartsengel Michael liet er zijn mantel achter. In het weekend komen de bussen van de Katholieke Actie met pelgrims.

 Ik vond een kamer in Monte Sant' Angelo, die om met Thomas Rosenboom te spreken 'heumig' rook. De volgende ochtend werden we gewekt door onze gastheer in pyjama die wilde afrekenen. Maar wel een bedrag extra vroeg. Waarom? Voor het beddengoed.

 Nu was ik gewend aan extra betalen voor bizarre dingen, zoals bestek. Maar dit?

 Er verscheen een warrig en boos vrouwenhoofd uit het belendende vertrek waar hij kennelijk met zijn vriendin sliep.  Geld! Natuurlijk betaalde ik. Had ik hier gisteren niet de meest betoverende zonsondergang gezien.

 En mooier nog, daarbij een klokkenspel gehoord dat halverwege stagneerde, tot de koster de toren beklom en de cassette weer had gestart. Wel nog de achthoekige toren bekeken en afgedaald naar de onderaardse basiliek. En toen maar weer weg.

Rolina Nell

 Meisjes bewegen anders dan jongens. Al jong zie je het bij gymnastiek. Hoezeer vrouwenelftallen in het voetbal ook getraind worden in mannelijke bewegingen, hoezeer ze ook mannen nadoen, er blijven grote verschillen. Welke?

 Die juist de aantrekkelijkheid van het vrouwenvoetbal uit­maken. Onvergetelijk blijven de wedstrijden van het hoogste meisjes volleybalteam van mijn school, in een gymnastiekzaal, waar het langs de wandrekken en op de banken vol stond met jonkies als ik. Om te zien wat je anders nooit zag. De tricot­jes, de strakke broekjes, geel met zwart.

 Ze moeten geweten hebben dat ze twee dingen tegelijk deden, niet alleen een wedstrijd speelden maar ook optreden. Ze schudden hun haren achteruit of veegden ze uit hun gezicht. Het applaus was tweeërlei.

 Vrouwen zien ook zichzelf. Maar in de kunst vind je tot ver­velens toe de mannelijke blik. Behalve bij kunstenaars als de fotograferende acrobate Isabelle Wenzel en de schilderes Rolina Nell. Die laatste bracht een verrassend 'Album' uit met schilderijen en tekeningen met de vrouwelijke blik op vrouwen en meisjes. Houdingen, kleren en hoe ze gedragen worden, manieren van staan. Graden van bewustzijn van het eigen lichaam. Met je houding geen of juist wel raad weten. Staan, maar hoe?

 Hoe je haar te wassen in een emmer water, een meesterlijke serie. En, geen toeval, er komen nauwelijks gezichten voor in dit werk.

Huwelijksvoorbereidingen op het platteland

 Is een onaf verhaal van Kafka (1907-1909). In twee versies. Kennelijk verwierp hij beide. Het onaffe is het onderwerp. De hoofdfiguur maakt wel aanstalten op reis te gaan, maar komt nooit aan, zeker niet bij voor­bereidingen tot een bruiloft, de zijne waarschijnlijk. Maar dat zullen we nooit weten.

 'Toen Eduard Raban, door de gang komend, in de deuropening stapte zag hij dat het regende. Het regende een beetje.

 Op het trottoir direct voor hem gingen veel mensen op verschil­lende manieren voorbij. Soms stapte iemand naar voren en stak de rails over. Een klein meisje hield in haar gestrekte handen een vermoeid hondje. Twee heren deden elkaar mededelingen. De ene hield zijn handen met binnenste vlak naar boven en bewoog ze gelijkmatig, alsof hij een last zwevend hield. Dan zag men een dame van wie de hoed zwaar beladen was met banden, gespen en bloemen. Er snelde een jongmens met een dunne stok voorover, de linkerhand, als was hij verlamd, plat tegen de borst. Af en toe kwamen mannen, die rookten en kleine, rechtopgaande, gestrekte wolken voor zich uit droegen Drie heren - twee droegen lichte overjassen over hun gebogen onderarm - gingen vaak van de huismuren naar de rand van het trottoir vooruit, bekeken wat zich daar afspeelde en trokken zich dan sprekend weer terug.

 Door de openingen tussen de voorbijgangers zag je de regelmatig gevoegde stenen van de trambaan. Daar werden wagens met elegante hoge wielen door paarden met gestrekte halzen getrokken.' 

 ps1. In halfslaap in bed droomt hij in de eerste versie al dat hij veranderd is in een grote kever.

 ps2 Op het platteland verwacht 'men' hem. Maar kan hij deel uitmaken van 'men'?

Eerste keer

 Waar ik het meest bang voor was, was de oude dame met de stok, die soms zomaar aan de deur kwam. Ze sprak zeer luid en had altijd een spreekhoorn bij zich, van het soort dat later door Gerard Reve een 'koperen luistertrompet' is genoemd.

 Als ze iets tegen je zei deed ze dat door het mondstuk van de reuzentrompet en hield hem tegen je oor. Meestal wat men zoal tegen een klein kind zegt dat gesommeerd is 'een handje te komen geven'. Zij was een van de dames Zimmermann en woonde oven, in een van de witte huizen aan de Ijsselkade. Ik was er wel eens geweest. De hand van mev­rouw Zimmermann voelde verkreukeld en uitgedroogd aan. Alsof ze niet meer leefde. Ze was een heks, vast en zeker.

 Als ze aankwam verstopte ik me onder wat bij ons het 'buffet' heette, maar dat hielp niet.

 Verderop, voorbij de Wijnhuistoren en de Groenmart (zoals mijn moeder het uitsprak, zonder k) lag het raadselachtig omhoogschuifbare brede raam van wat het café genoemd werd. Bij warm weer bleef ik daar staan dralen om te kijken naar de mannen met van achteren glimmende vesten die met hun stokken de witte en rode bal bewogen over het heldergroene laken onder de lampen, in een wolk van rook.

 Dit zijn eerste keren. De meteen verdwijnen bij de eerste aanblik. Soms kom ik de resten van zo'n eerste keer nog wel eens tegen, en weet dan dat hij daardoor geen eerste keer meer is. Er bestaat geen religie waarin 'de eerste keer' vereerd wordt.  Zelfs de Grieken kenden geen God van de eerste keer.

Geur

 Links en rechts verliezen mensen hun geur- en of smaakvermogen. Mijn vriendin A., die in het UMC wordt onderzocht en aan uitgebreide tests onderworpen rook of proefde niks meer tot ze opeens een sinaasappelschil rook. Speciaal een dubbelgevouwen sinaasappelschil.

 Bekend penetrante geuren blijven bewaard. Maar verwarring is er ook. Later rook ze mest, maar dat bleek gemaaid gras.

 Er bestaat ook geheugen- en geurgymnastiek. Oude geuren duiden is vaak niet moeilijk. Opeens sta je in een oude kamer. Zoals bij het ruiken van het sigarettenpijpje van je grootvader, vol teer. En deze geur zijn hele gestalte voor je doet staan en zijn stem - met Zeeuws accent - weerklinken. Rudy Kousbroek beschrijft hoe hij leeft in de herinnering aan zijn Indische jeugd. Lees zijn boek 'Het meer der herinnering'. Mnemosyne, de moeder der muzen is in de oudheid het geheugen. Zonder geheugen geen literatuur.

 Het geheugen, de geur, de smaak verbindt je met vroeger.

 Mijn sterkste indruk is het binnengaan van het jaren verlaten houten tuinschuurtje van mijn grootouders, waar het tussen de spinnenwebben sterk rook naar ingedroogde oude verf van een niet meer bestaande soort, uit de tijd dat ze dit huis betrokken. Als ik er op bezoek was ging ik altijd even ruiken. Aan het verdwenen verleden.

God

 Op een dag als deze, dat het 'geen weer' is heb ik God uit­gevonden. Omdat ik zo iemand dringend nodig had. Ik stond op mijn zolderkamertje in Den Haag en keek een straat in waar het regende. En prevelde uit het niets: 'Geef mij iets te doen'.

 Tegen wie ik het had wist ik niet. Er moest een aanwezigheid zijn die je kon aanroepen. Maar met de jeugdkerk waar ik zondagochtenden niet-begrijpend uitzat, al dacht ik altijd weer dat er achter het glas-en-lood iets schuilging, daarmee had het niets te maken. Wat ik aanriep kwam niet uit preek of bijbel, dat verzon ik zelf. Al had ik geen idee wat het was.  Ik lees  in het debuut van mijn vriend, de niet gelovige Willem Brakman: 'Een Winterreis' (1961):

'Aan het eind van een ondraaglijk eenzame woensdagmiddag tot bij de kerk afgedwaald, was hij de Nieboerweg opgelopen naar omhoog. Hij speurde om zich heen of de kust veilig was, vouwde de handen voor zijn buik en voortwandelend met gesloten ogen riep hij zachtjes: 'Here Jezus, God in den Hemel, geef me een vriendje want ik heb helemaal niemand.' Hij herhaalde dat enige malen om het kracht bij te zetten, waarbij hij nu en dan zijn ogen opendeed om te kijken of er geen fietsers aankw­amen. Ten slotte had hij, na zich nogmaals te hebben overtuigd dat er niemand in de buurt was, hard geroepen: 'Om Uwentwil Amen.' Een onbegrijpelijk woord, maar dat hij zo vaak in een gebed had horen zeggen dat hij het niet durfde overslaan.'

De Nieboerweg loopt langs Duindorp en wordt in Brakmans werk vaak genoemd als de 'Nuboerweg'. Ik denk dat dat komt omdat zijn ouders uit Zeeland kwamen en nog met een Zeeuws accent spraken, net als mijn grootouders. De Winterreis gaat naar Zeeland, waar ook veel van mijn familie vandaan komt. ps. De Julianakerk op Duindorp. Brakman droomde vaak dat hij hier naar buiten gedragen zou worden.

Tags: 

Hoe het verder ging

‘Goedenavond, ik zat net te Googlen op Cafetaria Smitje en zag toen een foto van de cafetaria op avondlog. Toen ik op de foto klikte las ik de tekst over Juan en Tineke (later bekend als Tina), ik ben hun dochter en vond dit erg leuk om te lezen en vroeg me af of dit een stukje is van een langer verhaal of dat dit de enige tekst is. Mijn vader is vorig jaar helaas overleden maar m'n moeder zal het erg leuk vinden om terug te lezen. Met vriendelijke groet, Conchita Beltran’

 Beste Conchita, Je stuurde je mailtje naar Yolande Nusselder, die behalve sinds 1965 mijn vrouw ook al een paar jaar mijn uitgever is. Zij heeft ook mijn boekje met verhaaltjes over mijn eerste Amsterdamse studentenjaren uitgegeven, waarin het verhaal over Cafetaria Smitje staat, en ook café de Lelie voorkomt, waar je mooie moeder de scepter zwaaide. Doe haar vele groeten! In de Nieuwe Leliestraat kwam ik vaak bij je grootvader 'Smitje'. Yolande en ik woonden toen nl. in het Studententenhuis aan de Westermarkt, dat nu afgebroken is. Het boekje waar dit alles in voorkomt heet 'Iemand zijn in Amsterdam' en is uitgegeven bij uitg. Avanti (dat is dus Yolande, yolnus@xs4all.nl). Als je me je postadres geeft stuur ik het je op. Andere mensen kunnen het daar ook bestellen, door haar een mailtje te sturen.

 Nu weet ik dat jij er bent. Nog als de dag van gisteren herinner ik me dat Tineke van vakantie terugkwam met een Spaanse vriend, die Juan heette. En die weldra ging assisteren in het cafetaria van Smitje. Veel dank voor je bericht. Wim.

Graflegging

 Denkelijk is dit notenhouten beeld (1470-1480) uit Boymans nu niet te bekijken. Er wordt gebouwd. Het stamt (2014) uit de Rotterdamse collectie Schouf­our-Martin. Precies uit de tijd dat voor de kerken en kloosters de mooiste Bijbelse - of uit de volkstraditie afkomstige - voorstellingen ontstonden.

 Wat gebeurt hier? Dit is een zg. passieretabel. Maria Magdalena houdt de hand van de dode Christus vast, die in zijn sarcofaag wordt neergelaten. In het midden daarachter staat zijn moeder, Maria, in tranen, die zijn linkerarm omhoog houdt. Ze wordt ondersteund door de jonge Johannes, rechts. Naast hem staan de twee andere Maria's die in de Bijbel genoemd worden, net als de twee dragers, Jozef van Arimathea en Nicodemus.

 Over de herkomst weten we weinig. Er zijn sporen van insectenvraat: afgebroken delen van de rand van de grond; achterzijde gescheurd; polychromie gesleten, beschadigd en vuil.

 Deze beeldengroep komt uit Brussel. De afzonderlijke gezichten, heel de rolverdeling komt in het notenhout heel verfijnd over, zodat ieders rol in het drama volstrekt overtuigt, zo anders dan in veel latere schilder en beeldhouwkunst. Zodat je al kijkend je gaat verdiepen, niet alleen in de karakters, maar ook in de persoon van de beeldhouwer. Hij kon zich kennelijk diep inleven in al zijn personages.

 Had hun verhaal hem overtuigd? Ik weet wel zeker van wel. 

 Later is dat zo anders.

.

 

Dakpan

 De limes, grens van het Romeinse rijk, liep op Nederlands gebied van Nijmegen tot pakweg Valkenburg (de oude Marine vliegbasis waarvan mij Oom Bob nog commandant is geweest). Oom Bob, die een groot gezelschap trakteerde op een uitvoerige r­ijsttafel, geserveerd door 'Jannen' vanuit een mess heel verderop. Elke matroos heet Jan, zo spreek je hem ook aan.

 En paar Jannen bedienden en anderen vormden een bandje en speelden jazz. Ze waren allen in matrozenuniform. De tafels stonden uitgestald op een landingsbaan. Oom Bob was een oorlogsheld, had in Indië gevlogen en later bij de RAF maar dit terzijde.

 Hij legde me uit hoe hij met zijn 'jannen' omging. 'Problemen met je vriendin Jan, mijn deur staat altijd voor je open.'

 Geen Romeinse dakpan gezien op Valkenburg.

Op Valkenburg vlogen de Orions van de kustbewaking, langzame schroefvliegtuigen die heel den Haag kende en waarvan Fay Lovsky in Oegstgeest nog slecht sliep.

 Later op vakanties was bij zuidwaarts rijden altijd het wachten op de eerste Romeinse dakpannen bezuiden Dijon. Eerst de wijnbouw, dan de pannen.

 Ze worden nog steeds gelegd. Wat het voordeel van de Romeinse is weet ik niet.

Pagina's