Bloeiend ijzer

 Natura artis magistra. Kunstschrift maakte een nummer over Art Nouveau (1895-1910). Dat laat zien hoe de gietijzeren lathyrus groeide. De hoek om van het trappenhuis, zelfs tegen de vleuge­lpiano op. Jugendstil, Art Nouveau. Een verschijnsel dat generaties heeft dwarsgezeten.

 In Neder­land vooral. De Stijl, die alles terugbracht tot gereformeerde rechtlijnigheid. Kaalgestripte, witgekwaste kerken, waaruit elk spoor van verderfelijke katholieke ornamentiek weg is. Waarom? Is God zo rechtlijnig? Toch hield hij wel van eerlijk handwerk als de hout- en metaalbewerking van Arts & Craft.

 Maar het bloed kruipt. Wie heeft niet stiekeme uitstapjes gemaakt naar de Cogels-Oselei in Antwerpen? Zelf fietste ik dagelijks langs de gevels aan de Laan van Meerdervoort en bezocht het prachtige woonhuis-museum in Nancy, dat hier ontbreekt.

 Ach dat Holland, waar decoratie werd vervloekt. Ja, het ging om de 'inhoud'. Al die frutsels waren uit den boze. Ook al vonden bewoners, vaak arbeiders, het mooi.

 In Kunstschrift legt Paul van den Akker beeldend uit hoezeer de Art Nouveau-kunstenaars hun motieven uit de natuur plukten. Groei en bloei. Wie dan de politieke ideeen van De Stijl of Corbusier bestudeert schrikt zich rot. Terreur. Bewoners deden er niet toe. Het was voor hun bestwil. En dan liefst in kleuren van de kleuterschool. Het scheppen van orde boven alles.

 Art nouveau is het tegendeel van dit al. Een piano in de vorm van een waterval? Een tuinhek als een ijzeren rozen­haag? Natuurlijk.  

 Er is te weinig van over. In de jaren na 1910 volgde een nieuwe beeldenstorm. De onzitbare Rietvelstoel blijft staan als een geheven vinger. Art nouveau was en is gekte, bevrijding. 

De hoed van Christophe Vekeman

 Dit is geen slaapkamer meer nu, heet de nieuwe dichtbundel van romans­c­hrijver Christophe Vekeman. Wat wel? De wereld komt er binnen als een country & western song. Die hoed draagt hij niet voor niks. Ik lees: 'Een vrouw als zij':

 'Ze was afkomstig uit een land uit het verre verleden/ Een land vol duisternis en mist en eigenaardigheden/ Ze schonk mij slijk en slootwater, en ik dronk het als wijn/ Het leven is overbodige luxe als het je niet lukt om gelukkig/ te zijn

 Ze toonde mij een lichaam dat allang niet meer bestaat/ Ik leerde haar te bidden, en ze gaf mij in ruil daarvoor een/ goede raad/ Ze zei: 'Onderschat nooit, lieverd, de kracht van het gebed/ Kniel neer en herhaal zeven keer wat ik zonet gezegd heb'/

 Wel, alles wat wij samen hadden, alles is verdwenen/ Ik dacht dat het aan mij lag, telkens als ik haar zag wenen/ Elke dag opnieuw vierden wij haar verjaardagsfeest/ Het is geen kunst om ouder te worden, zolang je nooit jong/ bent geweest 

 Het is niet slim het vuur te blussen vooraleer het water/ kookt/ Vuur blijkt vaak nog heel wat vluchtiger te zijn dan rook/ We stonden voor een afgrond en er was geen weg terug/ Wanneer twee vreemden vrienden worden hangt er oorlog/ in de lucht

 Wel, haar scharlaken lippen spraken nooit de waarheid/ Elke kuise maagd ontpopt zich tot een barmeid in de/ paartijd'

En ik dacht aan Dallas Fraziers 'She's the barmaid in the honky tonk downstairs'

Vlucht

 Nu het werk van Mark Smeets er is, die ene keer dat we samenwerkten. Het was in 1978, voor de kinderkrant van Vrij Nederland. Ik schreef een verhaal over de kerstbomenjacht achter de Haagse duinen. En hij maakte deze tekening, die heel het verhaal overbodig maakt.

 De titel? Ja, wij hadden een jongensleger waarin ik de rang van generaal had. Ik ben de achterste van de vluchtende drie, met brilletje en de plusfours oude Kuifje-stijl, die ik ook echt gedrag­en heb. Het verhaal is zoek. Niet erg, want het is eenvoudig genoeg. We verzamelden na kerst de afgedankte kerstbomen op een balkon van buren die niet thuis waren. Onzichtbaar achter de stenen balkonrand. Maar helaas, eentje stak er met een tak bove­nuit.

 Toen de concurrerende Indische jongens op hun brommers de straat door raasden zag eentje dat groen. Daarna ging het snel. Een prop krantenpapier werd in brand ges­token en over de balkonrand gegooid. En al vlug was er een steekv­lam.

 Jan Hein, Jaap en ik smeerden hem. Weldra waren er sirenes te horen in de verte.

 Dat moment heeft Mark getekend. Vluchtende jongens, rookplu­im. Dat is het. 

Tags: 

Teken!

 Het was Henk Hofland die tegen beginnende journalisten zei: Schrijf op wat er gebeurt, want straks is het weg.' Het stadsarchief gaf vijftien tekenaars de opdracht de stad te tekenen.

 Er zijn twee dingen nodig, een idee en een vorm.

 De kleine schetsen van fietsers in mist of halfduister van Claire Harvey zijn oerbeelden. Harvey weet op hoeveel manieren je kunt komen aanfietsen, wegfietsen, mekaar al fietsend tegemoetk­omen. We doen het elke dag, het is zo gewoon dat je het ver­geet. Hier staat het, voor altijd.

 Amsterdam is stukgefotografeerd, de grachtengordel verdraagt geen kwast meer. Wat dan?

 Hagenaar Marcel van Eeden waagde zich aan Plan-Zuid, de Wolkenkrabber, die hij als vaker in z'n werk voorzag van tekst uit godweetwelk boek (Hermans?), die de zwaarte van het beeld benadrukt.

 Marieke Zwart nam gestapelde huisnummers en andere gevelaccessoires als symbool voor de volgestouwde interieurs.

 Maar alles kan, dus veranderde Robbie Cornelissen de Dam naar eigen inzicht. Het zou tijd worden. Kan dat monument niet eens weg?

Bernhard Christiansen

 De blik van over de grens onthul­t. Als Monet Amsterdam schildert vanaf zijn bootatelier in de Amstel wordt het een andere stad. Als Camus een Hollands café binnengaat verandert alles.

 Zou er een studie bestaan naar die vreemde blikken? Ik heb die van Bernhard Christiansen aan mijn verzameling kunnen toevoegen, de man van de Vorlesebühne, het korte vreemde proza uit vijf monden, met muziek - as. zaterdag weer in de Molen Utrecht. Bernhard werd groot op een boerderij bij de Duits-Deense grens en studeerde Nederlands in Utrecht, waar hij bleef. En theater en gedichten schreef en acteerde. Waar blijft een Duitser zich over verbazen? Dit uit zijn bundel 'Nu daarentegen', in memoriam Ad Melk­ert:

 Ad Melkert is vandaag vermoord/ - onze Melkert -/ doodgestoken door een blanke man van 43 jaar/ een dolgedraaide laffe tandarts/ opgestookt door de heer Fortuyn/ en al die rechtse mensen in het land

 Maar dat pikken we niet langer/ dat terrorisme van die kaakchirurgen/ en hun vrienden/ we pakken jullie/ allemaal

 Zo is dan ook/ punt twee van onze agenda/ de bestrijding van de tandheelkunde

 Maar voorlopig/ zijn wij vooral diep geschokt en triest/ en wachten wij deemoedig/ op een ongekende overwinning/ als eerbewijs voor onze/ dode, lieve Melkert 

Robby Müllers camera

 Vanmiddag kwam ik in EYE terecht in de filmwereld van Robby Muller. Niet zomaar een cameraman. Hij zocht de regisseurs uit met wie hij wilde werken. Wim Wenders was z'n favoriet. Im Lauf der Zeit en Der Amerikanische Freund zijn m'n favorieten.

 In EYE vertelt Wenders gedetailleerd hoe ze werkten. Op den duur zowat zonder scenario. Achter je neus aan filmen. Gebruik maken van wat zich voordoet op locaties. De logica van de situatie doorzien. Roadmovies krijg je dan, vanzelf.

 Het doet me erg denken aan m’n eigen radiowerk in de jaren '60 en '70. Alles wat er voor je voeten rolt pak je op en vaak gebruik je het. Zo wordt een radioding of een film een organisch geheel.

 Müller had een hekel aan het steeds maar stoppen. Het 'cut' bij de opnamen. Als een scène eenmaal uit zichzelf draaide wilde hij hem niet onderbreken en daarmee kapotmaken.

 Voor Wenders en de bescheiden Nederlander Müller de tijd van de ontdekkingen, technisch, maar ook in het vertellen.

 Als een tl-buis een groenzweem geeft dat niet laten weghalen in kleurcorrectie, maar het juist gebruiken. Een groene scene.

 Im Lauf der Zeit, de eindeloze rit door het lege Duitsland van voor de Wende (1976) met een vrachtwagen met apparatuur. Het pure kijken. Ik keek m'n ogen uit naar wat Müller klaarspeelt in de overgangen van binnen naar buiten, van dag naar nacht. Als je zelf weleens wat probeert weet je 'dit kan niet'. Vooral zijn werken op de rand van dag en nacht. Zo'n cameraman als Muller maakt een film mee. Wenders begreep dat het beste. Zonder veel praten verstonden ze mekaar.

 Het was Robby's idee de peepshow scene in Paris Texas met Natassja Kinski en Harry Dean Stanton niet te faken, maar echt te laten spelen. Hij ziet haar, zij hem niet. Totdat..

 Motto (dat is Tao): doe het zoals het gaat.

 De voorstelling in EYE zij van harte aangeraden aan alle beginnende filmers. 

Vorlese in Oosterbeek

De positieve aanpak dan maar? Benieuwd wat dat oplevert. Vanavond in het Filmhuis in Oosterbeek doe ik mee aan de Vorlesebuhne van Bernhard Christiansen, met ook oa. A.L..Snijders, Ariadne Verstegen, en Sylvia Hubers, met wie ik dialoogjes mag doen, zoals deze: Kom es hier.

 S. Kom es even hier..

 W. Je weet meteen wat die vrouw van je wil. Ze wil aan je zitten. Daar heeft ze ook alle recht op. Want ze is je moeder. Je bent nu eenmaal van haar. Alle mannen zijn eigendom van een vrouw.

 S. En nou stil blijven staan. Hoe kan ik je anders een beetje toonbaar maken. Je moet toch optreden vanavond.

 W. Wat kan ik zeggen? Dat ik zelf wel uitmaak hoe m'n haar zit? Nee, daar gaat zij over. Trouwens, het is al verknipt. Door de jongenskapper in de Appelstraat in Den Haag. Waar het op woensdagmiddagen stampvol zit. Drie man personeel. Een volledig gemechaniseerd bedrijf. Er liep een rail langs het plafond met snoeren omlaag naar de tondeuses. Een vloer vol haar. Dat elk halfuur werd aangeveegd door het Jongmaatje. Naar het vierkante gat midden in de zaak, waarvan het deksel dan even werd opgetild. Zodat je een glimp opving van een ondergrondse berg jongenshaar. Ik heb er Gerard Reve nog wel eens van verteld. Hij hoorde het graag.

De kapper in de Appelstraat bestaat niet meer. Toch, denk ik, moet daar ergens nog een kruipruimte zijn vol jongenshaar.

 S. Je zou anders best eens naar de kapper mogen jij. Een lekker fris kort koppie in plaats van dat luizige ouwe hippie model. Dat kan toch niet meer. Ik vind alles best hoor, alleen dat haar. Dat kan toch niet. Wat moeten de mensen wel denken? Op jouw leeftijd.

 W. Ik heb een kapperstrauma.

 S. Oh, als het anders niet is, ik heb wel een schaar in m'n tasje. Ga maar even zitten. Moet je wel even stil blijven zitten.

 W. Au! Au!

De metro loopt onder

 Loopt onder water. Er zijn al verscheidene lijnen gesloten. Mijn eerste gedachte was 'hoe moet het met die man uit 'Germain dans le métro' van Vincent Maston, waarvan ik een fragment las, vertaald door Dominique de Vet voor een bijlage van Tijdschrift Terras. Over wat de metro eigenlijk is: toverij. Een ideale manier van niet-leven en toch. Het beste is immers staande een boek lezen, in de metro.

 'Soms stel ik me voor hoe mijn leven zou zijn zonder de metro. De hel op aarde, ik zou er alleen maar kunnen kijken hoe de wereld om me heen leeft zonder ooit mee te kunnen doen. Die ritjes zijn waarschijnlijk het enige wat me ervan weerhoudt de Seine in te springen al ik weer eens zo erg stotter dat zelfs mijn eigen zus me niet begrijpt.

 Hier, en hier alleen ben ik op mijn plek en zijn jullie de indringers. (...)'

Dit uit: '...een explosie kan zo fraai zijn.' Tien fragmenten van beginnende vertalers. Uit vele talen. Ter kennismaking. 

Heine in Trento

 Allemaal gingen ze, vroeg of laat. Eerst de schilders en geleerden van Van Scorel tot Montaigne. Dan de dichters, van Byron en Goethe tot Kafka. Soms trapsgewijs, zoals W.G.S­ebald Kafka nareisde en ik op mijn beurt weer Seb­ald.

 In Bagni di Lucca vond ik Montaignes nierstenen, in Trento liep ik de Dom binnen, net als Heine in 1825, die prompt verliefd werd op een in een Opera Buffa op het plein musicerend meisje.

 'De kleine harpiste moet wel bemerkt hebben dat ik, terwijl ze zong en speelde, vaak naar de roos in haar decolleté keek, en toen ik achteraf op het tinnen bord waarmee ze haar honorarium inzamelde een munt gooide die niet al te klein was, lachte ze geslepen en vroeg heimelijk of ik haar roos wilde hebben.

 Nu ben ik wel de hoffelijkste mens ter wereld en voor geen goud zou ik een roos beledigen, al was het ook een roos die zijn geur wat had verloren. En zelfs als ze ook niet meer, zo dacht ik, helemaal vers ruikt en niet meer de geur van de deugd heeft, zoals bijvoorbeeld de roos van Saron, wat kan het me schelen, ik heb toch een verstopte neus. En alleen mensen maken er zo'n punt van. De vlinder vraagt niet aan de bloem: 'Heeft er al een ander om je heen gefladderd?' Daar kwam nog bij dat de nacht inviel, en 's nachts, dacht ik, zijn alle bloemen grijs, de zondigste roos evengoed als de deugdzaamste peterselie.

 Kort en goed, zonder al te lang aarzelen zei ik tot de kleine harpiste: 'Si signora'---

ps. Saron is in de Bijbel een pleisterrplaats waar rozen bloeien.

 

Tags: 

Turks hout

 Kemal en Cemal, twee broers in het ouderlijk houten huis in het Zwarte Zeegebied, die leven van de houtkap. Er komt een vrouw bij, volgt broederlijke jaloezie. Waar het om draait is hout, het blokhutachtige huis, de deure­n, de bedden, het maken van vuur.

 Je ruikt de doorgestikte dekens, het beddegoed. De theepot. De duisternis binnen, de sparren buiten. Dat alles het nam me mee naar de Ardennen, die immers overal zijn.

 De houtprijzen zijn alweer gedaald. Wat moet je er van zeggen? De broers praten nauwelijks. Na een vraag duurt het lang voor iemand antwoordt. De mooiste rol is een zwijgende, die van een reusachtige, vervaarlijke herdershond.

 Die de vrouw Nalan aanvalt als ze er net is en door Kemal wordt afgetuigd. Waarna Cemal hem zegt dat je dieren niet mag slaan. Dat is een zonde. Hij is ook degeen die geen van de dieren in en om het huis wil eten. Geen kip dus. Maar eieren eet hij wel. Daar komt discussie van. Het enige diepgaande gesprek tussen de broers dat regisseur Tunc Davut in ‘Entanglement’ toelaat gaat over kip en ei.

 De Turkse cinema laat zich zien tijdens het Rode Tulp-festival in zes steden.

 En ik droom terug naar de Ardennen, naar de Moulin du Rui van Monsieur Fontaine, volgestouwd met voorouderlijke spiegelka­sten en lits-jumeaux. Die je nooit zonder zijn geweer zag. En die je 's ochtends wekte met knetterend vuur. Als het hout goed brandde kwam daar een briket bovenop. 'Ca tient le feu.'

Pagina's